Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN0717

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
13-533012-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijheidsberoving en poging tot afpersing; vrijspraak van zware mishandeling. Twee personen die waren betrokken bij de Palm Invest fraude zijn onder valse voorwendselen naar een appartement in Antwerpen gelokt. Zij zijn daar van hun vrijheid beroofd en ernstig mishandeld. Van een van hen is een teen afgeknipt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/533012-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 7 juli 2009

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring "Nood Holland Noord-Unit Zuyderbos" te Heerhugowaard.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 oktober 2009, 19 januari 2010, 30 maart 2010 en 23 juni 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.R.A. van IJzendoorn en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. N. van der Laan en door verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 juli 2009 te Antwerpen (Belgie) als Nederlander en/of te Houten, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door met (een of meer) van zijn mededader(s), althans alleen,

-die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] mee te nemen naar een appartement/woning en/of

-(vervolgens) (onverhoeds) (met een of meer vuurwapens) (met kracht) een of meer klap(pen) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te geven en/of

-(vervolgens) die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen de grond te drukken en/of gedrukt te houden en/of

-de ogen en/of mond van die [slachtoffer 1] met (duct-)tape dicht/af te plakken en/of de handen/polsen van die [slachtoffer 1] op diens rug vast te binden en/of tapen en/of

-die [slachtoffer 1] (volledig) uit te kleden en/of

-die [slachtoffer 1] een prop in de mond te stoppen en/of duwen en/of

-(met een (snoei)schaar en/of tang) de linker kleine teen van die [slachtoffer 1] af te knippen en/of

-(vervolgens) een (heet) strijkijzer op/tegen (de wond op/aan) de (linker) voet van die [slachtoffer 1] te drukken en/of gedrukt te houden en/of

-die [slachtoffer 1] een of meermalen een of meer vuurwapens te tonen en/of

-een of meermalen een of meer vuurwapens op/tegen het hoofd en/of gezicht, in ieder geval het lichaam van die [slachtoffer 1] te drukken en/of gedrukt te houden en/of

-die [slachtoffer 1] een of meermalen (met kracht) op/tegen het lichaam te schoppen en/of te slaan en/of stompen en/of

-(onverhoeds) (met een of meer vuurwapens) (met kracht) een of meer klappen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te geven en/of

-(vervolgens) die [slachtoffer 2] (met kracht) tegen de grond te drukken en/of gedrukt te houden en/of

-de ogen en/of mond van die [slachtoffer 2] met (duct-)tape dicht/af te plakken en/of

-een of meermalen de handen/polsen van die [slachtoffer 2] (met duct-tape en/of tie-wraps) op diens rug vast te binden en/of tapen en/of

-(een geschoeide) voet op/tegen (de rechterzijde van) het gezicht van die [slachtoffer 2] te zetten en/of

-met die (geschoeide) voet op (de rechterzijde van) het gezicht van die [slachtoffer 2] te gaan staan en/of

-die [slachtoffer 2] te dwingen op te staan en/of

-(vervolgens) die [slachtoffer 2] in het toilet en/of de badkamer te laten plaatsnemen en/of op te sluiten en/of

-een (snoei)schaar en/of tang op/tegen de duim van die [slachtoffer 2] te zetten en/of

-die [slachtoffer 2] daarbij de woorden toe te voegen: "I give you ten minutes for the number otherwise i cut your fingers", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

-die [slachtoffer 2] (volledig) uit te kleden en/of

-die [slachtoffer 2] een plastic zak over het hoofd te trekken en/of

-die [slachtoffer 2] een of meermalen een of meer vuurwapens te tonen en/of

-een of meermalen een of meer vuurwapens op/tegen het hoofd en/of gezicht, in ieder geval het lichaam van die [slachtoffer 2] te drukken en/of gedrukt te houden en/of

-die [slachtoffer 2] een of meermalen (met kracht) op/tegen het lichaam te schoppen en/of slaan en/of stompen;

2.

hij op of omstreeks 20 juli 2009 te Antwerpen (Belgie) als Nederlander en/of te Houten, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een afgeknipte teen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk (met een (snoei-)schaar en/of tang de linker kleine teen af te knippen en/of (vervolgens) met een (heet) strijkijzer op/tegen (de wond op/aan) de (linker) voet te drukken en/of gedrukt te houden;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 juli 2009 tot en met 21 juli 2009 te Antwerpen (Belgie) als Nederlander en/of te Houten, in ieder geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld heeft gepoogd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 3,6 miljoen euro en/of een geldbedrag van (ongeveer) 1 miljoen euro, in elk geval

van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), door met (een of meer) van zijn mededader(s), althans alleen, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] mee te nemen naar een appartement/woning in Antwerpen (Belgie) en/of daar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] wederrechtelijk van hun vrijheid te beroven en/of beroofd te houden en/of (ernstig) geweld op/tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] toe te passen waaronder het afknippen van een teen van die [slachtoffer 1] en/of het bedreigen en/of slaan met een of meer vuurwapens en/of het bedreigen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of de vrouw en/of het dochtertje van die [slachtoffer 1] door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (onder meer) de woorden toe te voegen: "I give you ten minutes for the number otherwise i cut your fingers" en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een of meermalen de woorden toe te voegen: "Where is the money, Give me the money, How much money do you have?, We're going to kill you, I'll shoot you!, Arrange it! Give me 3.6 million euro's, Do you like it, steel money from other people?, We'll kill your wife and daughter", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of (vervolgens) onder dreiging met het toepassen van (nieuw) geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een afspraak met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te maken om een geldbedrag over te dragen op een parkeerplaats van een hotel in Houten en/of in een hotel in Houten en/of (vervolgens) naar dat hotel toe te gaan.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Feiten

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen de volgende feiten af.i

Op 16 juli 2010 heeft medeverdachte [medeverdachte ] een afspraak met [slachtoffer 1], evenals [slachtoffer 2] verdachte in de fraude zaak Palm Invest, in het Van der Valk Hotel in Houten. [medeverdachte ] wordt door verdachte als chauffeur in een Mercedes naar de afspraak gereden. [medeverdachte ] is daarbij verkleed als orthodoxe Jood en noemt zich [naam 1]. Verdachte blijft in de auto zitten terwijl [medeverdachte ] met [slachtoffer 1] een gesprek voert en een afspraak maakt voor een volgende ontmoeting op 20 juli 2010 in België.ii

[slachtoffer 1] rijdt met [slachtoffer 2] op 20 juli 2010 naar Brasschaat. Daar ontmoeten ze [medeverdachte ] die wederom wordt gereden door verdachte. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] rijden achter verdachte Antwerpen binnen en ze komen aan bij een groot pand waarvan de garagedeur wordt geopend met een afstandbediening. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] parkeren de auto in de garage en gaan met [medeverdachte ] in de lift naar boven. Verdachte blijft in de auto zitten.iii

Boven is een appartement. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gaan daar naar binnen. Zij worden daar overmeesterd door vijf à zes gewapende mannen met bivakmutsen op. Ze worden vastgebonden en uitgekleed. Aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt gevraagd waar het geld is. Wanneer ze antwoorden dat ze geen geld hebben, worden ze door de mannen mishandeld. Als gevolg hiervan loopt [slachtoffer 2] een bloedende hoofdwond op. Bij [slachtoffer 1] wordt de kleine teen van zijn linkervoet afgeknipt. Ook wordt er door de mannen gedreigd met geweld als ze niet met geld over de brug komen. Uiteindelijk zegt [slachtoffer 1] dat hij geld kan regelen en de mannen dragen hem op dat hij dat geld die avond om 23:00 uur op een parkeerplaats moet overhandigen. Voor deze levering moet hij contact opnemen met [medeverdachte ]. Vervolgens mogen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] douchen en worden ze vrijgelaten. [slachtoffer 1] wordt eerst naar het toilet gebracht en terwijl hij daarheen loopt ziet hij dat verdachte met zijn kleding bezig is. Als hij het toilet uitkomt ziet hij in de hal [slachtoffer 2], [medeverdachte ] en verdachte staan. Met hen gaan ze met de lift naar beneden naar de auto. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verlaten het appartementencomplex en doen aangifte. iv

Die avond belt [medeverdachte ] om 23.32 uur met [slachtoffer 1] en vraagt hem waar hij is. [slachtoffer 1] vertelt dat hij net uit het ziekenhuis komt en dat hij aan zijn voet is geopereerd. Ook zegt hij dat hij het geld aan het regelen is. Ze spreken de volgende dag om vijf uur in Houten af. [medeverdachte ] zegt dat [slachtoffer 1] ervoor moet zorgen dat hij het geld bij zich heeft. Hij zegt: "En als u hier niet bent, doe ik alleen maar één telefoontje naar uw huis. U weet wat wij doen". [slachtoffer 1] vraagt wat er gebeurt als hij het geld niet heeft. [medeverdachte ] reageert: "Dan hoeft u niet meer te betalen. Begrijpt u wat ik bedoel? Dan zult u zien wat wij doen".v

Tegelijkertijd heeft verdachte telefonisch via sms contact met "B". "B" sms't om 23.19 uur: "En", waarop verdachte om 23.20 uur aan "B" sms't: "We wachten nog". Verdachte sms't vervolgens om 23.32 uur naar "B": "Hij komt niet". "B" reageert om 23.43: "Wat niet ook morgen niet?" Verdachte sms't aan "B" om 23.44 uur: "Ik hoop voor hem wel". "B" sms't aan verdachte om 23.45 uur: "Wat zei hij dan en kom terug gas erop". Verdachte reageert om 23.46 uur: "Heeft het niet en is naar het ziekenhuis geweest". "B" sms't verdachte om 23.48 uur: "Zie jullie zo parkeer de golf ergens in de buurt voor morgen". vi

Op 21 juli 2010 belt [slachtoffer 1] met [medeverdachte ] en zegt hem dat hij het geld niet voor vijf uur kan regelen. [medeverdachte ] zegt dat [slachtoffer 1] om zeven uur in Brasschaat moet zijn.vii [slachtoffer 1] geeft aan dat hij bang is om naar hem toe te rijden. [medeverdachte ] zegt dat hij niet bang hoeft te zijn, maar [slachtoffer 1] zegt dat hij ook niet verwachtte wat de dag ervoor gebeurde. [slachtoffer 1] wil graag dat het geld in Houten wordt geleverd. [medeverdachte ] zegt dat als [slachtoffer 1] op Houten blijft staan, hij het geld kan houden. "Dan regelen we het anders. Begrijpt u wat ik bedoel", zegt verdachte. Wanneer [slachtoffer 1] herhaalt dat hij hetgeen gisteren is gebeurd ook niet verwachtte, reageert verdachte met de woorden "Gisteren was iets anders".viii

Uiteindelijk belt [medeverdachte ] [slachtoffer 1] en zegt dat zeven uur in Houten goed is. [slachtoffer 1] zegt dat hij aan 1,4 miljoen euro kan komen. Verdachte zegt dat dat goed is en waarschuwt [slachtoffer 1] dat hij geen stommiteiten wil.ix

Om 18:40 uur die avond komen bij het Van der Valk Hotel te Houten een Mercedes en een Volkswagen Golf de parkeerplaats oprijden. Deze auto's rijden een aantal rondjes op het parkeerterrein voordat zij in een parkeervak gaan staan. [medeverdachte ] stapt uit de Mercedes en verdachte stapt uit de Volkswagen Golf. Ze gaan beiden het hotel binnen en gaan naar de kamer waar volgens [slachtoffer 1] de koffer met geld ligt.x In de hotelkamer worden verdachte en [medeverdachte ] aangehouden.xi

4. Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:

4.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij voert het volgende aan.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan worden afgeleid dat [medeverdachte ] hen naar België heeft gelokt. Verdachte heeft hierbij de rol vervuld van chauffeur. Met z'n vieren zijn zij de garage binnen gegaan. Wanneer het tape van de ogen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt gehaald zien ze dat verdachte zich aan het aankleden is. Hieruit blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de gewelddadigheden. Door later met [medeverdachte ] mee te gaan om het geld op te halen terwijl [medeverdachte ] [slachtoffer 1] daarbij heeft gedreigd met meer geweld, heeft verdachte zich ook niet van de gewelddadigheden gedistantieerd.

Verdachte en zijn mededaders hebben tijdens het plegen van de feiten steeds gebruik gemaakt van nagenoeg gelijke opeenvolgende telefoonnummers. De personen die in het bezit waren van zo'n telefoonnummer hebben bewust met elkaar samengewerkt. Daarbij is van belang dat verdachte over de gang van zaken contact heeft onderhouden met "B".

De voorbedachten rade van het onder 2 ten laste gelegde blijkt uit de aard van de handeling. Om een teen af te knippen moet je bewust een kniptang pakken en de teen vervolgens met kracht doorknippen. Het letsel blijkt uit de letselverklaring en de foto's op pagina 6 van het doorgenummerde proces-verbaal.

4.2. Standpunt van de verdediging

Uit niets blijkt dat verdachte verder in het appartement is geweest dan in het halletje bij het ophalen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], laat staan dat ergens uit blijkt dat verdachte bij de daadwerkelijke vrijheidsberoving en de toepassing van het geweld aanwezig is geweest. Gezien alle verklaringen en de overige informatie uit het dossier kan er worden vastgesteld dat verdachte niet in het appartement is geweest. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verder niet verklaard dat zij verdachte in het appartement hebben gezien of gehoord. Ook heeft het forensisch onderzoek geen enkel bewijs opgeleverd dat verdachte in het appartement aanwezig is geweest. Verdacht kan ook onmogelijk één van de gemaskerde mannen zijn geweest die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] overvielen, want toen dit gebeurde, zat verdachte beneden in de garage in de auto.

Uit niets blijkt dat verdachte enige wetenschap heeft gehad van wat zich afspeelde in het appartement. Bovendien blijkt niet dat verdachte betrokken is geweest bij de (inhoudelijke) voorbereiding van de ontvoering of afpersing. Verdachte was de "onderknuppel" die gevraagd werd om voor chauffeur te spelen, zoals ook getuige [naam 2] zou zijn gevraagd. De chauffeur is dan ook de enige die volstrekt herkenbaar - zonder vermomming - zijn "rol" in deze zaak heeft gespeeld. Daarbij kan aan verdachte niet worden tegengeworpen dat hij uit zelfbescherming geen verklaring heeft afgelegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is geen enkel bewijs voorhanden waaruit zou kunnen blijken dat verdachte bij het afknippen van de teen aanwezig is geweest. Geen enkel bewijsmiddel plaatst hem op de plaats delict. Ook blijkt uit niets dat het afknippen van de teen onderdeel was van een vooropgesteld plan, laat staan dat verdachte daarmee bekend was. Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is zelfs op te maken dat dit eerder een impulsieve actie is geweest van één van de betrokkenen in het appartement. Bij [slachtoffer 2] is slechts gedreigd en [slachtoffer 1] verklaart over een rustige en een opgefokte man. Laatstgenoemde wordt zelfs weggetrokken.

Niet blijkt dat verdachte op enig moment heeft geweten, laat staan dat hij dit (impliciet) heeft aanvaard, dat de teen zou worden afgeknipt. Ook is geen bewijs voorhanden dat hij daarvan nadien op de hoogte is gebracht, zodat hem alleen al daarom niet kan worden verweten dat hij zich niet heeft gedistantieerd.

Gelet hierop kan niet worden bewezen dat sprake is van een op de zware mishandeling gerichte nauwe en bewuste samenwerking en dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is de verdediging van mening dat hoogstens te bewijzen is dat verdachte op enige wijze ondersteunende werkzaamheden heeft verricht bij de door anderen gepleegde feiten. Hij heeft ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving [medeverdachte ] slechts heen en weer gereden. Hij heeft geen gemaskerde mannen gezien en heeft slechts als chauffeur [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het appartement opgehaald.

Nu verdachte niet bij de daadwerkelijke vrijheidsberoving aanwezig is geweest, komt andermaal de vraag aan de orde in hoeverre kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het plannen van het geheel dan wel of hij initiatiefnemer is geweest. Alle feiten op een rij zettend kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het voorliggende bewijs onvoldoende is om te menen dat bij verdachte sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking dat hij voor het medeplegen van het onder feit 1 ten laste gelegde veroordeeld kan worden. Daarbij is niet van belang of verdachte zich al dan niet heeft gedistantieerd. Verdachte heeft geen opzet gehad op de vrijheidsbeneming, nu die niet expliciet vooraf met hem was besproken. Het onder feit 1 ten laste gelegde kan niet worden bewezen en verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen hun wil in het appartement in Antwerpen zijn vastgehouden en dat [slachtoffer 1] daarbij zwaar is mishandeld. Met opzet is een van zijn tenen afgeknipt.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat ze door [medeverdachte ] van de garage naar het appartement zijn gebracht en dat verdachte bij de auto achterbleef. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben niet verklaard dat verdachte tijdens de mishandelingen in het appartement aanwezig was. Zij zagen hem en medeverdachte [medeverdachte ] pas bij het verlaten van het appartement in de hal bij de toegangsdeur staan. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte zich aan het aankleden was, althans dat hij de kraag van zijn shirt goed deed. Anders dan de officier van justitie kennelijk meent kan uit het enkele goed doen van de kraag van zijn shirt evenwel niet worden afgeleid dat verdachte bij de gebeurtenissen in het appartement betrokken moet zijn geweest, noch dat hij al langere tijd in het appartement aanwezig moet zijn geweest. Onder deze omstandigheden mag niet worden aangenomen dat verdachte tijdens de mishandelingen in het appartement aanwezig is geweest. Aan de geweldplegingen en de vrijheidsberoving heeft verdachte dus niet fysiek deelgenomen.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte niettemin als medepleger van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving en het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, moet worden vooropgesteld dat medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking veronderstelt, waarbij de medeplegers willen en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. De opzet dient dan zowel gericht te zijn op het strafbare feit als op de nauwe en bewuste samenwerking.

Daarvoor bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten. Er is geen enkel bewijs dat verdachte van tevoren wist of moest vermoeden wat er in het appartement zou gaan gebeuren, laat staan dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het appartement zouden worden vastgehouden en dat [slachtoffer 1] in het appartement op de ten laste gelegde of zelfs maar op vergelijkbare wijze zou worden mishandeld zoals is gebeurd. Dat brengt mee dat nu ook, als gezegd, niet blijkt dat verdachte dienaangaande zelf enige uitvoeringshandelingen heeft verricht, niet kan worden aangenomen dat verdachte de opzet op de door de in het appartement aanwezige mannen gepleegde zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft gehad.

Overigens is er ook geen bewijs voor een op het plegen van die feiten gerichte nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en die mannen.

Dat verdachte zich achteraf niet heeft gedistantieerd van de zware mishandeling en vrijheidsberoving, doet aan dit oordeel niets af.

Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

5. Waardering van het bewijs

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

5.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. Hij voert ter ondersteuning van zijn standpunt het volgende aan.

In de garage in Antwerpen ziet verdachte twee gezonde mannen naar boven lopen, waarna hij bij terugkomst van de twee mannen ziet dat ze letsel hebben. Ook ziet hij dat ze gedoucht hebben en één van de mannen blijkt bijna niet meer te kunnen lopen.

Na het zien van dit letsel gaat verdachte geen hulp halen, maar stuurt een aantal sms'jes naar "B" waarin hij schrijft dat [slachtoffer 1] het geld niet heeft en naar het ziekenhuis is. Ook gaat hij naar het Van der Valk hotel in Houten. Het proces-verbaal van observatie laat zien dat verdachte in zijn Volkswagen Golf rondjes rijdt op de parkeerplaats van het hotel. Hieruit blijkt dat verdachte als verkenner de parkeerplaats heeft onderzocht om te kijken of er geen opsporingsactiviteiten plaatsvonden. Hierna gaat verdachte met [medeverdachte ] naar de hotelkamer om het geld op te halen.

Gelet op deze omstandigheden heeft verdachte ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde nauw en bewust samengewerkt met zijn mededaders. Hierbij is nog van belang dat verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn handelen, aldus de officier van justitie.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende betoogd.

Ook ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft verdachte slechts een ondersteunende rol gespeeld en kan dus maximaal als medeplichtige worden bestempeld. De rol van verdachte is een andere dan die van [medeverdachte ]. Verdachte heeft [medeverdachte ] slechts heen en weer gereden, is met hem meegelopen naar de hotelkamer toen dat hem door [medeverdachte ] werd gevraagd. Verder heeft hij met een telefoon, die hij waarschijnlijk van de organisatie in zijn handen geduwd kreeg, kort contact gehad over wat er gebeurde. Veel feitelijke communicatie verliep echter niet via hem. Er is geen bewijs voorhanden waaruit zou kunnen volgen dat verdachte zelf enige afpersingshandelingen heeft verricht.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2. is opgenomen, kan worden geconcludeerd dat er ook onvoldoende bewijs is om te menen dat er sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking dat verdachte voor het medeplegen van het onder 3 ten laste gelegde kan worden veroordeeld. Voor een voorwaardelijke opzet op de strafbare gedraging en de nauwe en bewuste samenwerking is enige wetenschap vereist. Deze wetenschap blijkt echter niet uit het dossier. Tevens is verdachte niet bij de feitelijke uitvoering aanwezig geweest, waardoor de vraag of verdachte zich al dan niet heeft gedistantieerd dan wel dat had moeten doen, niet relevant is. Dit brengt mee dat het onder 3 ten laste gelegde niet kan worden bewezen en verdachte dient te worden vrijgesproken.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

Zoals ook hiervoor al is overwogen bevat het dossier geen enkel bewijs dat verdachte van tevoren wist of moest vermoeden wat er in het appartement zou gaan gebeuren. Dat geldt niet alleen voor de vrijheidsberoving en de mishandeling, maar ook voor de afpersing. Weliswaar moet uit de hele gang van zaken, waaronder met name de omstandigheid dat [medeverdachte ] zich had vermomd en verdachte zich als diens chauffeur moest voordoen, ook voor verdachte duidelijk zijn geweest dat wat er zou gaan gebeuren vermoedelijk niet legaal zou zijn, maar het dossier bevat eenvoudigweg geen enkel bewijsmiddel waaruit zou kunnen volgen dat verdachte van tevoren wist dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgeperst zouden gaan worden. Dat het opzet van verdachte daarop gericht is geweest kan dan ook niet worden bewezen.

Dit werd evenwel anders toen verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], na afloop van de mishandelingen en de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de hal van het appartement weer op kwam halen.

Als gezegd staat vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het appartement tegen hun wil zijn vastgehouden en dat zij ernstig zijn mishandeld. Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]xii en op de letselverklaring van het letsel van [slachtoffer 1]xiii hebben zij ook zichtbaar letsel aan de mishandeling overgehouden. [slachtoffer 2] had een bloedende hoofdwond, bij [slachtoffer 1] was de kleine teen afgeknipt. Het moet ook verdachte zijn opgevallen dat de mannen die hij minder dan een uur tevoren in ongeschonden staat had afgeleverd, nadien verwondingen vertoonden of zeer moeilijk liepen. Daarbij acht de rechtbank het bovendien zeer onaannemelijk dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], ondanks de zeer ingrijpende gebeurtenissen in het appartement op verdachte een normale indruk kunnen hebben gemaakt. Onder die omstandigheden had verdachte, in ieder geval vanaf het moment dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het appartement verlieten, kunnen en moeten weten dat tegen hen geweld was uitgeoefend en dat zij onder druk waren gezet en had hij daarvan afstand kunnen en moeten nemen. Verdachte heeft dat echter niet gedaan. Integendeel, uit het sms verkeer met "B" blijkt dat verdachte dezelfde avond aanwezig is geweest terwijl [medeverdachte ] met [slachtoffer 1] belde en op de hoogte was van de inhoud van het gevoerde gesprek van 20 juli 2009 waarin wordt gerefereerd aan de voet van [slachtoffer 1] en dat hij in het ziekenhuis daaraan is geopereerd.xiv Verder blijkt daaruit dat verdachte weet dat [slachtoffer 1] 'het niet heeft' en 'niet komt' terwijl de bekendheid van verdachte met de jegens [slachtoffer 1] geuite bedreigingen naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het door verdachte in die context, in antwoord op de vraag; "Wat niet ook morgen niet?" verzonden bericht "Ik hoop voor hem wel".

Dat verdachte na het zien van de verwondingen en de uit deze berichten blijkende wetenschap van afpersing niet heeft ingegrepen dan wel hulp heeft gehaald, maar de volgende dag met [medeverdachte ] naar het hotel in Houten is gereden om daar het beloofde geld op te halen maakt eens te meer duidelijk dat verdachte ten aanzien van de gebeurtenissen na het verlaten van het appartement medepleger van de ten laste gelegde afpersing is geweest.

Voor het aannemen van het op een bepaald delict gericht opzet hoeft niet steeds vast te staan dat de verdachte weet heeft van de precieze gedragingen van zijn mededaders. De medeplegers kunnen echter alleen strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor elkaars gedragingen voor zover deze onder het bereik van hun gezamenlijk opzet kunnen worden gebracht. Nu moet worden aangenomen dat verdachte tevoren niet wist wat zich in het appartement zou gaan afspelen en hij daaraan ook niet heeft deelgenomen moet hij daarvan ook met betrekking tot de onder 3 ten laste gelegde afpersing worden vrijgesproken. Wel kan bewezen worden verklaard dat hij zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de na het verlaten van het appartement nog gevolgde afpersingshandelingen. Nu ook verdachtes opzet vanaf dat moment gericht was op de afpersing en deze afpersing onder andere werd gepleegd door middel van de door [medeverdachte ] telefonisch geuite bedreigingen, is verdachte ook verantwoordelijk voor dreiging met geweld zoals begaan door zijn mededader. Nu die dreiging uiteindelijk alleen gericht was tot [slachtoffer 1], zal alleen dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen worden verklaard.

Het voorgaande leidt tot de na te noemen bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 21 juli 2009 in België als Nederlander en te Houten, in ieder geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld heeft gepoogd [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 1 miljoen euro geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader(s), door onder dreiging met het toepassen van geweld tegen die [slachtoffer 1] een afspraak met die [slachtoffer 1] te maken om een geldbedrag over te dragen op een parkeerplaats van een hotel in Houten en/of in een hotel in Houten en vervolgens naar dat hotel toe te gaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straf

9.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende betoogd.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geen willekeurige onschuldige slachtoffers die worden ontvoerd en waarvan geld wordt afgeperst. Niet volledig uit het oog moet worden verloren dat [slachtoffer 1] verantwoordelijk is voor het duperen van diverse slachtoffers voor vele miljoenen euro's. Daarnaast is [slachtoffer 1] verteld dat het geld dat hij moet betalen, geld is dat bestemd is voor gedupeerde Palm Invest beleggers. Vanzelfsprekend is dit geen enkele rechtvaardigingsgrond voor wat [slachtoffer 1] is overkomen, maar het kleurt de zaak wel en dit dient in strafmatigende zin een rol te spelen.

Tevens is de marginale rol die verdachte in deze zaak heeft gespeeld van grote invloed op de strafmaat. Hij was slechts de chauffeur en hoewel hij misschien wist dat het niet helemaal "koosjer" was wat er gebeurde, was het niet meer dan dat.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing.

Verdachte is betrokken geweest bij een groep personen die het plan had opgevat en uitgevoerd om verdachten in de Palm Invest zaak veel geld afhandig te maken in de veronderstelling dat dezen daarover nog beschikten. Daarbij zijn de laatstgenoemden ernstig bedreigd en mishandeld. Bij één van de slachtoffers is een teen afgeknipt.

Het aandeel van verdachte in de uitvoering van dit plan was niet groot, maar verdachte heeft desondanks willens en wetens gekozen daaraan zij medewerking te verlenen. Verdachte heeft immers nadat hij moet hebben gezien dat de slachtoffers ernstig waren mishandeld, geen hulp voor hen ingeroepen, maar is actief gaan meewerken aan de verdere uitvoering van het plan waarbij een van de slachtoffers met nog meer geweld werd bedreigd.

Hij heeft op die wijze geprobeerd geld te incasseren en door de dreiging met geweld een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dit feit is voor het slachtoffer een zeer bedreigende ervaring geweest, zeker gezien de verwijzing naar een eerdere ernstige mishandeling. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daar nog lang de al dan niet psychische gevolgen van ondervinden.

Verder houdt de rechtbank ermee rekening dat uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 maart 2010 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een gewelddadig delict. Hij is op 19 november 2002 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. In 2007 is verdachte vrijgekomen en heeft zich dus niet lang na zijn vrijlating opnieuw schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict.

Nu verdachte alleen wordt veroordeeld voor het onder 3 ten laste gelegde en de gewelddadigheden die in het appartement in Antwerpen hebben plaatsgevonden niet aan hem worden toegerekend, ziet de rechtbank aanleiding om aanzienlijk af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht gelet op al het voorgaande de hierna te noemen straf passend en geboden.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk , voorzitter,

mrs. D.J. Cohen Tervaert en A.W.H. Vink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.D. Coumou, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2010.

i De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in het dossier van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina's in de dossiers.

ii Pagina 2 (verklaring [slachtoffer 1] van 20 juli 2009).

iii Pagina's 2-3 (verklaring [slachtoffer 1] van 20 juli 2009). Pagina's 8-9 (verklaring [slachtoffer 2] van 20 juli 2009 ).

iv Pagina's 2-3 (verklaring [slachtoffer 1] van 20 juli 2009). Pagina's 10-12 (verklaring [slachtoffer 2] van 20 juli 2009). Pagina's 69-71 (verklaring [slachtoffer 1] van 29 juli 2009).

v Een geschrift, te weten een overzicht van het tapjournaal van 20 juli 2009 te 23:32 uur tussen [naam 1] en [slachtoffer 1], pagina's B2 en B3

vi Een geschrift, te weten een proces-verbaal van bevindingen met bijgevoegde tijdslijn van 24 augustus 2009, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [naam 3], inhoudende de verklaring van de verbalisant, pagina's 95-96 en pagina's 111-112 en 116-130 (bijlagen bij een proces-verbaal houdende print-outs van historische gegevens uit een onder verdachte in beslag genomen telefoon) .

vii Een geschrift, te weten een overzicht van het tapjournaal van 21 juli 2009 te 14:47 uur tussen [slachtoffer 1] en [naam 1], pagina B 5

viii Een geschrift, te weten een overzicht van het tapjournaal van 21 juli 2009 te 15:05 uur tussen [slachtoffer 1] en [naam 1], pagina's B 8-9

ix Een geschrift, te weten een overzicht van het tapjournaal van 21 juli 2009 te 15:14 u tussen [naam 1] en [slachtoffer 1], pagina's B. 12

x Een geschrift, te weten een proces-verbaal van observatie met nummer 21072009.01.14SIJS van 21 juli 2009. Een geschrift, te weten een overzicht van het tapjournaal van 21 juli 2009 te 19:12 uur tussen [naam 1] en [slachtoffer 1], pagina B 14

xi Pagina's P102-103 (proces-verbaal van aanhouding J. [medeverdachte ]) en pagina's P202-203 (proces-verbaal van aanhouding [verdachte])

xii Zie noot 4.

xiii Een geschrift, te weten een letselverklaring van [slachtoffer 1] van 29 juli 2009, opgemaakt door de arts [naam 4], inhoudende de verklaring van de arts.

xiv Zie noot 5.

Parketnummer: 13/533012-09

Inzake [verdachte]