Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN0302

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
06-07-2010
Zaaknummer
420640 / HA ZA 06-630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongedaanmakingsverplichting ex artikel 6:271 BW; werking verweren ten gunste van niet verschenen gedaagde.

De ongedaanmakingsverplichting op grond van artikel 6:271 BW rust op degene(n) aan wie in juridische zin betaling heeft plaatsgevonden. Daarvoor is niet van bgelang aan wie feitelijk is betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 420640 / HA ZA 09-630

Vonnis van 10 februari 2010

in de zaak van

[A],

wonende te [--], gemeente [--],

eiser,

advocaat mr. A. van Hees,

tegen

1. [B],

wonende te [--],

gedaagde,

advocaat mr. H.G.A.M. Spoormans,

2. [C],

wonende te [--],

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [A], [B] en [C] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 september 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 27 november 2009

- de akte overlegging beslagstukken.

1.2. Tegen [C] is verstek verleend.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij overeenkomst van 28 augustus 2008 hebben [C] en [B] aan [A] verkocht voor een bedrag van EUR 150.000 vijf hectare teakaanplant, in de overeenkomst omschreven als ‘teakaanplant 1994-1995 Fazenda Buruti, welke zijn geadministreerd bij de stichting Amazone Teak Foundation (…)’, hierna te noemen ‘de teakaanplant’. De overeenkomst bepaalt dat de koopprijs op de girorekening van [B] moet worden betaald.

2.2. [A] heeft genoemd bedrag op 1 september 2008 op de girorekening van [B] betaald. Van dit bedrag heeft [B] ruim de helft doorbetaald aan [C].

2.3. Ondanks herhaald verzoek en sommatie hebben [C] en [B] nagelaten de teakaanplant aan [A] te leveren.

2.4. Bij brief van 8 december 2008 is namens [A] de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- primair [C] en [B] hoofdelijk, subsidiair uitsluitend [B], te veroordelen tot betaling aan [A] van EUR 150.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2008, althans vanaf 8 december 2008;

- [C] en [B] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis;

- [C] en [B] te veroordelen in de nakosten.

3.2. [A] baseert zijn vordering op de ongedaanmakingsverplichting van artikel 6:271 Burgerlijk Wetboek (BW). Primair stelt hij dat [C] en [B] hoofdelijk zijn gehouden het ontvangen bedrag van EUR 150.000 terug te betalen omdat zij zich in de overeenkomst ook hoofdelijk tot levering van de teakaanplant hadden verbonden. Subsidiair stelt [A] dat [B] op grond van artikel 6:271 BW gehouden is het gehele door hem ontvangen bedrag van EUR 150.000 terug te betalen, ook als geen hoofdelijkheid zou kunnen worden aangenomen.

3.3. [B] voert verweer. Primair voert hij aan dat de verbintenis tot levering van de teakaanplant alleen op [C] rustte, omdat alle participatiecertificaten op naam van [C] stonden en [A] dit wist omdat hij bij overeenkomst van 12 september 2007 al tien hectaren van dezelfde teakaanplant van [C] en [B] had gekocht en [C] toen ervoor heeft gezorgd dat de participatiecertificaten ter uitvoering van die overeenkomst op naam van [A] werden gezet. Volgens [B] wist [A] derhalve dat alleen [C] voor levering van de participatiecertificaten kon zorgdragen. Hieruit leidt [B] af dat de verplichting tot levering niet (mede) op [B] rustte en dus, zo begrijpt de rechtbank, [B] ook niet gehouden is tot ongedaanmaking van de ontvangen betaling. Subsidiair betoogt [B] dat op hem en [C] gezamenlijk een verplichting tot ongedaanmaking van de ontvangen betaling rust, waarbij zij op grond van artikel 6:6 BW voor gelijke delen jegens [A] gehouden zijn en dus niet hoofdelijk tot restitutie van de ontvangen betaling kunnen worden aangesproken.

4. De beoordeling van de vordering tegen [B]

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst van 28 augustus 2008 door [A] rechtsgeldig is ontbonden. Ter discussie staat slechts op wie van gedaagden en tot welk bedrag de verbintenis tot terugbetaling rust van het bedrag van EUR 150.000 dat [A] ter uitvoering van de overeenkomst heeft betaald.

4.2. [C] en [B] zijn in de overeenkomst gezamenlijk als verkoper opgetreden. Gezamenlijk hebben zij de vijf hectare teakaanplant aan [A] verkocht. Dit betekent ingevolge artikel 6:6 BW dat zij ieder tot levering van 2,5 hectare waren gehouden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling anders zou voortvloeien. Dat uit de overeenkomst anders voortvloeide, is gesteld noch gebleken. Integendeel, [B] erkent in zijn conclusie van antwoord dat [A] (wist dat hij) 2,5 hectare van de aan [B] toekomende hectaren zou krijgen en 2,5 hectare van de aan [C] toekomende hectaren. De omstandigheid dat [A] mogelijk wist – [A] heeft zulks overigens betwist – dat alle participatiebewijzen in ieder geval aanvankelijk, ten tijde van de uitvoering van de overeenkomst van 12 september 2007, op naam van [C] stonden, verandert niets aan de inhoud van de op ieder van de verkopers rustende leveringsplicht.

4.3. Belangrijker dan de vraag op wie de leveringsplicht rustte ingevolge de overeenkomst, is echter de vraag wie ingevolge de overeenkomst recht had op betaling van de koopprijs. Het gaat in deze zaak immers om de vraag op wie van de verkopers de verbintenis rust tot ongedaanmaking van de ontvangen betaling. Daarvoor moet worden nagegaan aan wie, in juridische zin, betaling heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt de kennelijk door [A] verdedigde opvatting dat de verbintenis tot ongedaanmaking van de ontvangen betaling rust op degene die de betaling feitelijk heeft ontvangen. Feitelijk kan een betaling immers ook aan een derde, die geen partij bij de overeenkomst is doch slechts als betaaladres fungeert, worden verricht. Dit voorbeeld maakt duidelijk dat voor de vraag op wie de ongedaanmakingsverplichting rust beslissend is aan wie de betaling in juridische zin is verricht.

4.4. Met [B] is de rechtbank van oordeel dat als gevolg van de overboeking van het bedrag van EUR 150.000 op de girorekening ten name van [B] betaling heeft plaatsgevonden aan [B] en Van Veen gezamenlijk, en wel aan ieder voor een gelijk deel en dat zij als gevolg van die overboeking dus ieder een betaling van EUR 75.000 hebben ontvangen in de zin van artikel 6:271 BW. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Is een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd, dan heeft ieder van hen een vorderingsrecht voor een gelijk deel, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de prestatie hun voor ongelijke delen toekomt of dat zij gezamenlijk één vorderingsrecht hebben, zo bepaalt artikel 6:15 lid 1 BW. In dit geval is in de overeenkomst bepaald dat [A] van [C] en [B] voor een bedrag van EUR 150.000 vijf hectare teakaanplant koopt. Als betaaladres wordt vervolgens een gironummer opgegeven met de toevoeging dat deze giro op naam van [B] staat. Zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, kan hieruit niet worden afgeleid dat partijen hebben beoogd dat slechts [B], met uitsluiting van [C], enige betaling van [A] kan afdwingen, en wel de gehele koopsom: gesteld dat [A] de overboeking op de girorekening van [B] niet tijdig zou hebben verricht, dan kan niet zonder meer worden aangenomen dat slechts [B], met uitsluiting van [C], met succes in rechte tegen [A] zou hebben kunnen optreden. De tekst van de overeenkomst en de omstandigheid dat [C] en [B] ieder de helft van de verkochte teakaanplant dienden te leveren, wijzen er veeleer op dat niet is beoogd af te wijken van de (uit artikel 6:15 lid 1 BW volgende) hoofdregel dat de koopprijs hun ieder voor gelijke delen toekomt. Omstandigheden die tot een andere uitleg van de overeenkomst kunnen leiden zijn niet gesteld of gebleken.

4.5. De conclusie uit het bovenstaande is dat [B] gehouden is EUR 75.000 aan [A] te restitueren. De rechtbank zal [B] daartoe veroordelen.

4.6. [B] heeft niet (gemotiveerd) betwist dat hij wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 november 2008 aan [A] is verschuldigd, zodat de vordering in zoverre eveneens zal worden toegewezen.

4.7. [A] vordert voorts [B] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten, voor zover gemaakt voor beslagen ten laste van [B], worden begroot op EUR 1.533,17 voor verschotten en EUR 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 894,00).

4.8. [B] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op:

- vast recht (inclusief vast recht voor beslagrekesten) EUR 3.300,00

- dagvaarding [B] 85,98

- salaris advocaat (2 punten, tarief IV) 1.788,00

Totaal 5.173,98

Voor zover [C] in dezelfde kosten zal worden veroordeeld (vast recht en salaris advocaat voor de dagvaarding) worden [B] en [C] hoofdelijk veroordeeld tot betaling daarvan. Voor het overige (salaris advocaat voor de comparitie en explootkosten voor dagvaarding [B]) wordt slechts [B] in de genoemde kosten veroordeeld.

4.9. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld.

5. De beoordeling van de vordering tegen [C]

5.1. De door een verschenen gedaagde gevoerde verweren werken in beginsel niet ten gunste van een niet verschenen gedaagde. Dit beginsel moet echter uitzondering lijden als het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten opzichte van de betrokken gedaagden in dezelfde zin luidt.

5.2. Deze uitzondering doet zich hier voor, voor zover [B] het verweer heeft gevoerd dat de verplichting tot ongedaanmaking als bedoeld in artikel 2:271 BW in dit geval geen hoofdelijke verplichting tot terugbetaling van EUR 150.000 oplevert, maar slechts een veplichting voor ieder van de verkopers om de helft van die koopprijs terug te betalen. Met de gegrondbevinding door de rechtbank van dit verweer is niet verenigbaar dat [C] gehouden zou zijn op grond van hetzelfde artikel EUR 150.000 aan [A] terug te betalen. Nu de vordering tegen [C] niet mede op een andere grondslag is gebaseerd, zal de rechtbank [C] derhalve eveneens veroordelen tot betaling van EUR 75.000 aan [A].

5.3. [A] vordert [C] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. De beslagkosten, voor zover gemaakt voor beslagen ten laste van [C], worden begroot op EUR 2.058,66 voor explootkosten en EUR 1.788,00 voor salaris advocaat (2 rekesten x EUR 894,00 per rekest).

5.4. [C] zal in de proceskosten van [A] worden veroordeeld, voor zover [A] deze kosten (mede) met het oog op de vordering tegen [C] heeft gemaakt, tot op heden begroot als volgt:

- vast recht (inclusief vast recht voor beslagrekesten) EUR 3.300,00

- dagvaarding [C] 85,98

- salaris advocaat (1 punt, tarief IV) 894,00

Totaal 4.279,98

Voor zover [B] in dezelfde kosten wordt veroordeeld (vast recht en salaris advocaat voor de dagvaarding) worden [B] en [C] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van genoemde kosten. Dat betreft een bedrag van EUR 4.194,00. Voor het overige, derhalve tot een bedrag van EUR 85,98 (explootkosten voor dagvaarding [C]) wordt slechts [C] in de genoemde kosten veroordeeld.

5.5. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. veroordeelt [B] en [C] om ieder aan [A] te betalen een bedrag van EUR 75.000,00 (vijfenzeventig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 16 november 2008 tot de dag van volledige betaling;

6.2. veroordeelt [B] in de beslagkosten, gevallen op de te zijnen laste gelegde beslagen, tot op heden begroot op EUR 2.427,17, te vermeerderen met de wettelijke rente daar¬over met ingang van veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis tot aan de voldoening;

6.3. veroordeelt [C] in de beslagkosten, gevallen op de te zijnen laste gelegde beslagen, tot op heden begroot op EUR 3.846,66, te vermeerderen met de wettelijke rente daar¬over met ingang van veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis tot aan de voldoening;

6.4. veroordeelt [B] en [C] hoofdelijk tot betaling van proceskosten aan de zijde van [A] tot een bedrag van EUR 4.194,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daar¬over met ingang van veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis tot aan de voldoening;

6.5. veroordeelt [B] daarenboven tot betaling van proceskosten aan de zijde van [A] tot een bedrag van EUR 979,98, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.6. veroordeelt [C] daarenboven tot betaling van proceskosten aan de zijde van [A] tot een bedrag van EUR 85,98, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis tot aan de voldoening;

6.7. veroordeelt [B] en [C] daarenboven in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van de betekening van de uitspraak;

6.8. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.9. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Schoonbrood - Wessels en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2010.?