Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM9872

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
01-07-2010
Zaaknummer
13/692001-10 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft een motoragent veroordeeld voor het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval op 22 oktober 2009, waarbij een voetgangster op een zebrapad dodelijk werd verwond. De rechtbank heeft hem veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 120 uur en de ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden waarvan 6 onvoorwaardelijk.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/692001-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 1 juli 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Amsterdam op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.H.M. van Leijen en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.S. Pen en

door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat hij op of omstreeks 22 oktober 2009 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een (als zodanig herkenbare politie) motorfiets, zich zodanig, te weten zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], werd gedood, althans waardoor aan haar zwaar lichamelijk letstel werd toegebracht;

immers heeft verdachte, rijdende over de Stadionweg, komende uit de richting van de Van Hillegaertstraat en gaande in de richting van de Beethovenstraat; en gekomen ter hoogte van een - gezien verdachtes (rij)richting - direct voor de kruising van de Stadionweg met de Diepenbrockstraat gelegen voetgangersoversteekplaats, aldaar als volgt gehandeld:

A. niet is gestopt voor een in zijn (rij)richting geldend en ROOD licht uitstralend

verkeerslicht;

B. heeft gereden met een snelheid welke gelet op de bestaande verkeerssituatie te hoog was

voor een veilig verkeer ter plaatse, nu verdachtes zicht op (een deel van) voornoemde

voetgangersoversteekplaats door een op de rijstrook voor linksafslaand verkeer stilstaande

(bestel)auto (zeer) ernstig werd belemmerd;

C. zich er niet, althans niet tijdig en/of onvoldoende, van heeft vergewist en/of van is blijven

vergewissen dat voornoemde voetgangersoversteekplaats vrij was van (een)

voetganger(s), doch voornoemde voetgangersoversteekplaats is opgereden terwijl een

voetganger, zijnde voornoemde [slachtoffer] - gezien verdachtes (rij)richting, komend van

links- doende was bij GROEN licht deze voetgangersoversteekplaats over te steken,

althans zich op voornoemde voetgangersoversteekplaats bevond;

D. (vervolgens) geen voorrang heeft verleend aan voornoemde [slachtoffer], en/of niet, althans

niet tijdig en/of onvoldoende, heeft afgeremd of heeft kunnen afremmen en/of niet,

althans niet tijdig en/of onvoldoende, heeft uitgeweken of heeft kunnen uitwijken voor

voornoemde [slachtoffer];

tengevolge waarvan verdachte tegen voornoemde [slachtoffer] is aangereden en/of aangebotst, waardoor voornoemde [slachtoffer] werd gedood, althans waardoor aan haar zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair:

hij op of omstreeks 22 oktober 2009 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een (als zodanig herkenbare politie) motorfiets, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt;

immers heeft verdachte, rijdende over de Stadionweg, komende uit de richting van de Van Hillegaertstraat en gaande in de richting van de Beethovenstraat; en gekomen ter hoogte van een - gezien verdachtes (rij)richting - direct voor de kruising van de Stadionweg met de Diepenbrockstraat gelegen voetgangersoversteekplaats, aldaar als volgt gehandeld:

A. niet is gestopt voor een in zijn (rij)richting geldend en ROOD licht uitstralend

verkeerslicht;

B. heeft gereden met een snelheid welke gelet op de bestaande verkeerssituatie te hoog was

voor een veilig verkeer ter plaatse, nu verdachtes zicht op (een deel van) voornoemde

voetgangersoversteekplaats door een op de rijstrook voor linksafslaand verkeer stilstaande

(bestel)auto (zeer) ernstig werd belemmerd;

C. zich er niet, althans niet tijdig en/of onvoldoende, van heeft vergewist en/of van is blijven

vergewissen dat voornoemde voetgangersoversteekplaats vrij was van (een)

voetganger(s), doch voornoemde voetgangersoversteekplaats is opgereden terwijl een

voetganger, zijnde voornoemde [slachtoffer] -gezien verdachtes (rij)richting, komend van

links- doende was bij GROEN licht deze voetgangersoversteekplaats over te steken,

althans zich op voornoemde voetgangersoversteekplaats bevond;

D. (vervolgens) geen voorrang heeft verleend aan voornoemde [slachtoffer], en/of niet, althans

niet tijdig en/of onvoldoende, heeft afgeremd of heeft kunnen afremmen en/of niet, althans

niet tijdig en/of onvoldoende, heeft uitgeweken of heeft kunnen uitwijken voor

voornoemde [slachtoffer];

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst;

Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

primair

op 22 oktober 2009 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer], werd gedood;

immers heeft verdachte, rijdend over de Stadionweg, komende uit de richting van de Van Hillegaertstraat en gaande in de richting van de Beethovenstraat en gekomen ter hoogte van een – gezien verdachtes rijrichting – direct voor de kruising van de Stadionweg met de Diepenbrockstraat gelegen voetgangersoversteekplaats, aldaar als volgt gehandeld:

A. hij is niet gestopt voor een in zijn rijrichting geldend en ROOD licht uitstralend

verkeerslicht;

B. hij heeft gereden met een snelheid welke gelet op de bestaande verkeerssituatie te hoog

was voor een veilig verkeer ter plaatse, nu verdachtes zicht op een deel van voornoemde

voetgangersoversteekplaats door een op de rijstrook voor linksafslaand verkeer stilstaande

bestelauto werd belemmerd;

C. hij heeft zich er onvoldoende van vergewist dat voornoemde voetgangersoversteekplaats

vrij was van voetgangers, doch is voornoemde voetgangersoversteekplaats opgereden

terwijl een voetganger, zijnde voornoemde [slachtoffer] – gezien verdachtes rijrichting,

komend van links – doende was bij GROEN licht deze voetgangersoversteekplaats over te

steken;

D. hij heeft vervolgens geen voorrang verleend aan voornoemde [slachtoffer];

ten gevolge waarvan verdachte tegen voornoemde [slachtoffer] is aangereden, waardoor voornoemde [slachtoffer] werd gedood.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen het onder primair telastelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie heeft hiertoe – kort gezegd – opgemerkt dat, los van de vraag of verdachte zich, gelet op de vereiste voorschriften, op vrijstelling van de bepalingen van het RVV 1990 kan beroepen nu verdachte ten tijde van het ongeval geen optische en/of geluidssignalen voerde, de artikelen 5 en 6 van de WVW 1994 ook dan onverkort van toepassing zijn op de bestuurders van voertuigen die gebruik maken van deze vrijstelling. Verdachte reed ten tijde van het ongeval sneller dan stapvoets en heeft volgens de officier van justitie zich in onvoldoende mate rekenschap gegeven van het gevaar van de situatie ter plaatse. Verdachte had zijn aandacht vooruit gericht, had geen aandacht voor de fietser die zich rechts van hem bevond en die hij kort voor het ongeval had gepasseerd en is door een reeds geruime tijd in zijn richting uitstralend rood licht gereden, waarbij verdachte welbewust een rijpositie op de rijstrook heeft gekozen waardoor verdachte nagenoeg ieder blikveld op eventueel voor hem van links overstekende voetgangers werd ontnomen. Er was sprake van een onoverzichtelijke situatie. Verdachte was ter plaatse goed bekend. Verdachte voerde geen optische en/of geluidssignalen, waardoor het overige verkeer niet voor zijn komst werd gewaarschuwd. Verdachte had, volgens de officier van justitie, een verhoogde zorgplicht zich te realiseren dat andere weggebruikers niet werden gewaarschuwd en niet konden anticiperen zijn aanwezigheid c.q. rijgedrag. Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel mocht een weggebruiker, i.c. [slachtoffer], er dan ook van uitgaan dat andere weggebruikers (i.c. verdachte) zich zouden houden aan het voor hen geldende rode verkeerslicht. De officier van justitie heeft voorts opgemerkt dat de verwijtbaarheid van verdachte niet wordt opgeheven door zijn taakstelling op dat moment en de intentie van zijn rijgedrag. Het ontbreken van voorzorgen ter voorkoming van het maken van fatale verkeersfouten, maakt dat het verkeersgedrag van verdachte op de kruising als aanmerkelijk onvoorzichtig dient te worden gekwalificeerd. Volgens de officier van justitie heeft verdachte zich, gelet op het bovenstaande, zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam gedragen. Ook de strafrechtelijk vereist causaliteit tussen het aan verdachte te wijten verkeersongeval en de dood van [slachtoffer] is volgens de officier van justitie evident. Het letsel veroorzaakt door het verkeersongeval was, volgens de deskundigen, op zichzelf (zonder medisch ingrijpen) dodelijk.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring. De raadsman heeft onder meer opgemerkt – kort gezegd – dat verdachte meent dat zijn snelheid ten tijde van het ongeval waarschijnlijk 30 tot 35 kilometer per uur was, maar dat hij dit niet zeker weet. Volgens de verdediging kan worden vastgesteld dat verdachte hoogstwaarschijnlijk door het rode stoplicht is gereden en dat hij niet de linkerweghelft had moeten kiezen. Verdachte heeft door samenloop van omstandigheden het slachtoffer niet gezien, waarschijnlijk omdat zij, toen verdachte kwam aanrijden, aan zijn zicht werd onttrokken door een wit busje. Verdachte ging er vanuit dat er zich niemand achter het busje bevond, maar deze inschatting bleek onjuist te zijn, hetgeen heeft geleid tot

de afschuwelijke gevolgen.

De verdediging heeft voorts met betrekking tot de vereiste schuld opgemerkt dat de schuld een duidelijk psychische component heeft, die tot uiting komt in de noodzakelijke voorzienbaarheid. Dat betekent dat verdachte had moeten kunnen voorzien dat zijn handelen onvoorzichtig zou zijn en dat dit tot bepaalde gevolgen zou kunnen leiden. De verdediging heeft gesteld dat verdachte in casu een afweging heeft gemaakt, waarbij hij er vanuit ging dat, gelet op de aard van de melding, er waarschijnlijk geen aanleiding was om toestemming te geven voor het voeren van signalen. Verdachte achtte het proportioneel om in de onderhavige situatie door rood te rijden, waarbij hij ervan uit ging zorgvuldig te handelen. Deze afweging is niet juist geweest, maar volgens de verdediging wel begrijpelijk als het gaat om een aanhouding waarbij een collega mogelijk risico loopt. De verdediging heeft erop gewezen dat het wel vaker voorkomt dat een verbalisant een afweging maakt die op gespannen voet staat met of in strijd is met de vrijstellingsregeling van de bepalingen van het RVV 1990.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank baseert de beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven, en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

Op 22 oktober 2009 omstreeks 15.50 uur is [slachtoffer] door verdachte, rijdend op een politiemotorfiets, aangereden op een voetgangersoversteekplaats, te weten een zebrapad, op de Stadionweg te Amsterdam nabij de kruising met de Diepenbrockstraat te Amsterdam. Het slachtoffer is met haar hoofd op de grond gevallen en naar het ziekenhuis het AMC te Amsterdam vervoerd. Daar is het slachtoffer op 24 oktober 2009 omstreeks 01.15 uur overleden ten gevolge van schedelhersenletsel ontstaan door voornoemde aanrijding, te weten een veneuze bloeding uit een sinus in de nabijheid van de schedelbasisfractuur dan wel een contusionele bloeding in de kleine hersenen of een combinatie hiervan .

Verdachte reed op ten tijde van het ongeval op een als zodanig duidelijk herkenbare politiemotorfiets over de Stadionweg, komende uit de richting van de Van Hillegaertstraat, gaande in de richting van de Beethovenstraat en was op weg om een collega te assisteren bij een eventuele aanhouding van een gesignaleerd staande verdachte. Verdachte maakte geen gebruik van optische en/of geluidssignalen, omdat, zoals hij zelf heeft verklaard, de melding zich er niet voor leende .

Bij het zebrapad waar het ongeval heeft plaatsgevonden heeft verdachte het voor hem uitstralende rode verkeerslicht genegeerd . Verdachte heeft zelf verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij naar het voor hem geldende en/of het voor de voetgangersoversteekplaats geldende verkeerslicht heeft gekeken .

Verdachte reed in zijn beleving 30 à 35 kilometer per uur, maar weet dit niet zeker . Diverse getuigen hebben verklaard dat verdachte naar hun mening veel te hard afreed op het zebrapad waar het slachtoffer is aangereden . Blijkens het proces-verbaal VerkeersOngevals Analyse en

de aanvulling daarop reed verdachte ten tijde van het ongeval met een snelheid gelegen tussen de 40 en 50 kilometer per uur .

Het zicht van verdachte op het zebrapad werd belemmerd door een voor linksafslaan voorgesorteerd stilstaand bestelbusje. Verdachte heeft dit zelf verklaard en ook de getuigen [naam 1] en [naam 2] hebben hier een verklaring over afgelegd .

Getuigen [naam 3] en [naam 4] hebben verklaard dat verdachte links van het midden reed op de rechterrijbaan voor rechtdoorgaand verkeer . Verdachte heeft dit bevestigd .

Verdachte heeft verklaard het slachtoffer niet op de oversteekplaats te hebben gezien, noch op het eerste gedeelte, te weten de rijbaan links van het voor linksafslaan voorgesorteerde stilstaande busje, noch op het tweede gedeelte, te weten de rijbaan van voornoemd busje. De verkeerssituatie ter plaatse was verdachte bekend en hij wist dat hij iemand achter het busje zou kunnen verwachten. Verdachte heeft verklaard dat als hij meer op het rechtergedeelte van zijn rijstrook en de witte strepen van het zebrapad had gereden, zijn gezichtshoek wellicht groter zou zijn geweest .

Getuige [naam 6], die met haar fiets rechts op de rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer reed, heeft het slachtoffer voor het busje zien oversteken. Getuige [naam 2], die als passagier bij [naam 7] in de auto zat, heeft het slachtoffer het eerste gedeelte van het zebrapad zien oversteken en heeft verklaard dat het slachtoffer, toen zij voor het busje liep, kort uit haar gezichtsveld verdween. Volgens [naam 2] remde [naam 7] op dat moment af voor het voor hen voor rechtdoorgaand verkeer rood uitstralende verkeerslicht. Verdachte reed voor hen. [naam 2] keek naar verdachte of deze voor het slachtoffer ging afremmen en zou gaan stoppen .

Blijkens diverse getuigenverklaringen had het slachtoffer toen zij overstak groen licht .

Overweging

De rechtbank is, bovenstaande bewijsmiddelen in aanmerking genomen, van oordeel dat het verkeersgedrag van verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam is geweest, en dat het ongeval aan verdachtes schuld te wijten is. Er was geen sprake van een vrijstelling van de bepalingen van het RVV 1990, aangezien verdachte geen gebruik heeft gemaakt van optische en/of geluidssignalen. Hoe dan ook, is verdachte naar het oordeel van de rechtbank met hogere snelheid dan de verkeerssituatie ter plaatse toeliet het bewuste zebrapad genaderd en overgereden. Verdachte had een beperkt zicht op het linkergedeelte van het zebrapad en reed bovendien op het linkergedeelte van zijn rijstrook, waardoor zijn gezichtsveld nog meer werd beperkt. Daarnaast heeft verdachte, zoals hij zelf ter terechtzitting heeft verklaard, niet gezien of het verkeerslicht voor zijn rijstrook op rood stond en heeft hij getuige [naam 6], die

eveneens op zijn rijstrook fietste en die hij kort daarvoor had gepasseerd, niet opgemerkt. Verdachte was met de verkeerssituatie ter plaatse bekend en heeft, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid dat er zich een voetganger bevond op het linkergedeelte van het zebrapad, het gedeelte dat aan het zicht van verdachte was onttrokken, en bezig zou kunnen zijn met over te steken. Verdachte had hier bedacht op moeten zijn. Doordat verdachte geen gebruik maakte van optische en/of geluidssignalen was het slachtoffer, dat groen licht had om over te steken, niet op de komst van verdachte voorbereid.

Al het bovenstaande in ogenschouw nemend, heeft verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, niet de nodige zorgvuldigheid betracht en niet het zebrapad met een zodanige snelheid benaderd en overgereden, dat hij tijdig voor een eventuele overstekende voetganger, het slachtoffer in dit geval, had kunnen stoppen.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en dat voorts aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de inbeslaggenomen motorfiets zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en heeft zich ten aanzien van de op te leggen straf, zo begrijpt de rechtbank, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft aanleiding gezien om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en de rechtbanken. Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en worden regelmatig geactualiseerd. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit. Eventuele bijzonderheden in de daad- of dadercomponent dienen alsnog door de rechter te worden meegewogen.

Ter zake van delicten als in dit geval is een dergelijke afspraak gemaakt en de rechtbank zal deze dan ook als uitgangspunt voor de strafoplegging nemen. In een zaak als deze gelden de volgende oriëntatiepunten: 2 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en de maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Het is aan verdachte te wijten dat een ernstig verkeersongeval heeft plaatsgevonden tengevolge waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Dit buitengewoon trieste ongeval en de plotselinge dood van het slachtoffer, moeder van twee kinderen, hebben blijkens de verklaring ter terechtzitting van de echtgenoot van het slachtoffer diepe sporen nagelaten in het leven van de nabestaanden.

Het onvoorzichtige rijgedrag van verdachte met fatale afloop rechtvaardigt het opleggen van een forse straf.

De rechtbank acht, in tegenstelling tot de officier van justitie, mede gelet op voornoemde oriëntatiepunten, een onvoorwaardelijke straf passend en geboden. Gelet op de persoon van verdachte, in aanmerking genomen dat het voorval ook op verdachte diepe indruk heeft gemaakt en gelet op het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals voornoemde oriëntatiepunten vermelden, niet passend en ziet zij aanleiding om in plaats daarvan een werkstraf op te leggen.

Gezien de aard en de ernst van het feit, acht de rechtbank als bijkomende straf een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. De rechtbank heeft ook hier rekening gehouden met het gegeven dat verdachte, hoewel hij mede uit hoofde van zijn functie veelvuldig als verkeersdeelnemer aan het verkeer heeft deelgenomen, niet eerder is veroordeeld. De rechtbank zal de officier van justitie in deze in zijn vordering volgen. De rechtbank beoogt met de gedeeltelijk voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid verdachte ervan te doordringen voortaan in het verkeer de grootst mogelijke voorzichtigheid te betrachten.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder primair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

120 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Beveelt dat verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van

12 maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden van deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de teruggave aan de Politie Amsterdam Amstelland van een voertuig, motor, [kenmerken].

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J. Bade, voorzitter,

mrs. H.J. Bunjes en I.M. Bilderbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.N. van Rappard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juli 2010.