Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM8774

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
25-06-2010
Zaaknummer
13/525620-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 16 Wetboek van Strafvordering. Rechtbank schorst de vervolging op grond van artikel 16 Sv, nu verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. De voorlopige hechtenis wordt in stand gehouden, op grond van artikel 17 lid 2 Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 16
Wetboek van Strafvordering 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/525620-09

Datum uitspraak: 21 juni 2010

op tegenspraak

BESCHIKKING

van de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te Amsterdam op [geboortedatum].

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens als zijnde zonder vaste woon- of verblijfplaats,

gedetineerd in “Psychiatrisch Centrum [naam] - Forensisch Psychiatrische Afdeling” te [plaatsnaam].

Deze beschikking is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 april 2010 en 4 juni 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoek van de raadsvrouw van verdachte mr. B. Roodveldt en de raadsman van verdachte mr. J.H.S. Vogel en hetgeen door de officier van justitie naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

Primair:

hij op of omstreeks 3 augustus 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging

met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten

rade [sla[sla[slachtoffer]] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat

opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [sla[slachtoffer]] een of meermalen, met

een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn keel, althans zijn lichaam, gestoken

en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 3 augustus 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging

met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk [[slachtoffer]] van het

leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer], een

of meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn keel, althans zijn

lichaam, gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden;

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 3 augustus 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging

met een of meer ander(en), althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel (gat/wond keel en/of ander(e) lichaamsde(e)l(en)), heeft

toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] een of meermalen met een scherp

en/of puntig voorwerp in zijn keel, althans lichaam, te steken en/of te

snijden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2. Voorvragen

2.1. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, zoals bedoeld is in artikel 16 Wetboek van Strafvordering (Sv). Hierbij heeft de verdediging verwezen naar de beantwoording van de vraag of betrokkene in staat kan worden geacht terecht te staan, in de Pro Justitia rapportage van 1 april 2010. Uit de rapportage blijkt dat naar het oordeel van de psychiater en psycholoog verdachte niet in staat is terecht te staan.

Tevens heeft de raadsman ter terechtzitting van 4 juni 2010 naar voren gebracht dat het niet mogelijk is met verdachte een contact op te bouwen. De deskundigen zeggen dat verdachte geen belangenafweging kan maken. Als advocaat is het ook niet mogelijk een verdediging met verdachte op te stellen. Onder de strekking van de vervolging valt volgens de raadsman ook de verdediging. Derhalve moet de vraag of verdachte in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen ontkennend beantwoord worden.

De verdediging verzoekt derhalve om schorsing van de vervolging.

Nu deskundigen hebben geoordeeld dat de stoornis van verdachte van blijvende aard is laat het zich niet aanzien dat er in nabije toekomst sprake is van zodanig herstel dat er een moment komt waarop de zaak weer zou kunnen worden hervat en de schorsing van de vervolging wordt opgeheven. Dit brengt volgens de verdediging mee dat de voorlopige hechtenis van verdachte niet moet voortduren.

Indien het wenselijk wordt geacht dat verdachte niet in vrijheid wordt gesteld, zijn er andere mogelijkheden, zoals gedwongen opname in het kader van de Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen.

2.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Uitgaande van de vaststelling door de deskundigen dat de bij verdachte geconstateerde stoornis al bestond voor de datum van het feit waarvan hij wordt verdacht, acht de officier van justitie desalniettemin de mogelijkheid van het toepassen van art. 16 Sv op zichzelf aanwezig, nu de in 1988 gewijzigde wetstekst hier zich niet (meer) tegen verzet.

De officier van justitie constateert dat over de vraag of artikel 16 Sv slechts van toepassing is indien de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de tijdelijke aard is, recent wisselende uitspraken zijn gedaan. De officier van justitie acht artikel 16 Sv in deze zaak in beginsel van toepassing, ondanks dat niet aannemelijk lijkt dat de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van verdachte op korte termijn zal verdwijnen.

In haar schriftelijke aantekeningen heeft de officier van justitie verwezen naar de annotatie van advocaat-generaal Remmelink bij een arrest van de Hoge Raad , waarin Remmelink betoogt dat het niet te makkelijk moet zijn om de vervolging in een zaak door schorsing te beëindigen. De officier van justitie wijst op het maatschappelijk belang dat de rechtbank een uitspraak doet over de beschuldiging.

Naar de mening van de officier van justitie is communicatie met verdachte niet gemakkelijk, maar toont hij zich in de zittingszaal er wel degelijk van bewust dat er met hem wordt gesproken. Hij is ook in staat daarop te reageren, zo is gebleken ter terechtzitting van 13 april 2010.

Door de officier van justitie is voorts aangevoerd dat de deskundigen in hun rapportage niet zijn uitgegaan van het juiste criterium bij het formuleren van de beantwoording van vraag 8 in de rapportage. De deskundigen motiveren de beantwoording van de vraag of verdachte in staat kan worden geacht om terecht te staan met de overweging dat hij moeite zal hebben om de complexiteit van de rechtsgang op dusdanige wijze te overzien dat hij zijn gedragskeuzes en zijn rechtspositie goed kan bepalen. Dit is niet het juiste criterium. Het gaat immers om de vraag of de verdachte de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging voldoende kan begrijpen. Daarvan is volgend de officier van justitie sprake en moet dientengevolge worden overgegaan tot de behandeling van de feiten.

Subsidiair is door de officier van justitie aangevoerd dat de rechtbank op grond van de Pro Justitia rapportage van 1 april 2010, onvoldoende geïnformeerd is om een beslissing te kunnen nemen aangaande de schorsing van de vervolging in de zin van artikel 16 Sv.

De algehele conclusie van de deskundigen is naar de mening van de officier van justitie onvoldoende consistent gebaseerd op geïntegreerde waarnemingen vanuit de observatie en de bevindingen van de verschillende deskundigen, gezien de getrapte wijze waarop de waarnemingen tot stand zijn gekomen. Om deze reden verzoekt de officier van justitie de rechtbank verdachte opnieuw ter observatie op te laten nemen, ditmaal in het Pieter Baan Centrum.

Nu de officier van justitie stelt dat de vervolging van verdachte niet geschorst zou moeten worden, dient de voorlopige hechtenis voort te duren, aldus de officier van justitie. Ook indien de rechtbank nader onderzoek zou gelasten dan wel reeds nu tot schorsing van de vervolging zou beslissen, dient de voorlopige hechtenis niet te worden opgeheven zoals verzocht door de raadsman van verdachte.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

Aanhouding behandeling van de zaak in verband met nader onderzoek

Door de officier van justitie is gesteld dat de rechtbank op basis van de Pro Justitia rapportage onvoldoende in staat is een beslissing te nemen over het gevoerde verweer dat verdachte niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. De rechtbank stelt vast dat zij zich voldoende geïnformeerd acht om een beslissing te kunnen nemen omtrent de verzochte schorsing van de vervolging.

De rechtbank grondt haar beslissing daarbij niet enkel op de Pro Justitia rapportage van 1 april 2010, opgemaakt door psychiater dr. [naam], psycholoog drs. [naam], forensisch milieuonderzoeker [naam], (gedrags)neuroloog prof. dr. [naam], psychiatrisch verpleegkundige [naam], psychiatrisch verpleegkundige [naam] en GGZ verpleegkundig specialist [naam].

De rechtbank baseert zich tevens op de verklaringen van de deskundigen [naam], [naam], [naam], [naam]t en [naam] ter terechtzitting van 13 april 2010 en 4 juni 2010, in aanvulling op de rapportage. De deskundigen hebben ter zitting niet alleen verklaard over de observatieperiode, zoals omschreven in het rapport, maar tevens over het verblijf van verdachte in de Forensisch Psychiatrische Afdeling te [plaatsnaam] na afronding van de rapportage.

Ook de eigen waarneming van de rechtbank op de terechtzittingen is van zwaarwegend belang bij het beantwoorden van de vraag of verdachte in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.

De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie om verdachte ter observatie op te nemen in het Pieter Baan Centrum, ter beoordeling van de vraag van artikel 16 Sv, dan ook af.

Schorsing van de vervolging

Artikel 16 lid 1 Wetboek van Strafvordering:

Indien de verdachte aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, schorst de rechter de vervolging, in welke stand zij zich ook bevindt.

Uit de rechtspraak komt naar voren dat schorsing van de vervolging slechts in zeer uitzonderlijke situaties aan de orde gesteld wordt. Dientengevolge is er weinig en op onderdelen zeer wisselende jurisprudentie over het toepassingsbereik van artikel 16 Sv. De rechtbank zal in het navolgende haar interpretatie van artikel 16 Sv en de toepassing daarvan op de onderhavige zaak uiteenzetten.

2.3.1 Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens

Uit de Pro Justitia rapportage en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de nadere toelichting die de deskundigen hebben gegeven, blijkt dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een hersenorganisch beeld, te weten een frontaal syndroom door blijvende hersenbeschadigingen, bestaand uit een laesie in het gebied van de nucleus caudatus.

2.3.2. Tijdstip van ontstaan van de stoornis

Ten aanzien van de vraag of het tijdstip waarop de gebrekkige ontwikkeling of de ziekelijke stoornis van de geestvermogens is ontstaan, van belang is voor de toepasbaarheid van art. 16 Sv, volgt de rechtbank de officier van justitie. Voor de wetswijziging in 1988 zag artikel 16 Sv op de situatie dat de ‘krankzinnigheid’, zoals het toen werd omschreven, ontstaan was ná het plegen van het feit waarvan de verdachte wordt verdacht. Bij de wetswijziging in 1988 is de term krankzinnigheid vervangen door gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De eis dat de omstandigheid zich na het begaan van het feit moet hebben voorgedaan, is komen te vervallen. Dit correspondeert met de toevoeging van de term ‘gebrekkige ontwikkeling’, nu situaties waarin gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens pas is ontstaan na het plegen van het feit, niet goed denkbaar zijn.

De rechtbank is van oordeel dat voor de toepasbaarheid van artikel 16 Sv niet van belang is op welk moment de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van verdachte ontstaan is.

2.3.3. Tijdelijke aard van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens

Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat voor de toepasbaarheid van art. 16 Sv uit de wet noch uit de jurisprudentie valt af te leiden dat de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van tijdelijke aard moet zijn. De rechtbank zoekt ook hier aanknoping bij de term ‘gebrekkige ontwikkeling’. Een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens zal immers veelal niet tijdelijk van aard zijn.

In de situatie waarin de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens naar alle waarschijnlijkheid niet zal verbeteren, houdt dit naar het oordeel van de rechtbank echter niet in dat de vervolging niet kan worden geschorst.

Uit de Pro Justitia rapportage blijkt dat verdachte lijdt aan een blijvende stoornis, waardoor niet veel heil is te verwachten van behandelingen met als doel genezing. Betrokkene zal naar het lijkt langdurig verpleegd en begeleid moeten worden.

Ter terechtzitting van 4 juni 2010 heeft deskundige prof. dr. [naam], neuroloog, verklaard dat in het kerngebied van de hersenen van verdachte restverschijnselen zitten mogelijk veroorzaakt door een herseninfarct. De schakels met het voorste deel van de hersenen zijn beschadigd. Deze verbindingen zullen zich niet herstellen.

Deskundige dr. [naam], psychiater, heeft ter terechtzitting van 4 juni 2010 verklaard dat hij in de mate van begrip van verdachte geen verbetering mogelijk acht.

2.3.4. Strekking van de vervolging

Het begrip strekking van de vervolging wordt in de wet niet nader uitgelegd. Ook uit de jurisprudentie komt niet eenduidig naar voren welke mate van begrip er bij een verdachte moet zijn om vast te kunnen stellen dat hij in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.

De rechtbank is van oordeel dat het niet mogelijk is een enkel criterium of voorwaarde te noemen waaraan zou moeten zijn voldaan om voornoemd begrip nader te duiden. Per geval zal rekening dienen te worden gehouden met de specifieke factoren die veelal niet ieder op zich maar wel in onderlinge samenhang er toe kunnen leiden dat art. 16 Sv van toepassing is.

De rechtbank oordeelt dat in de onderhavige zaak in ieder geval de navolgende factoren van belang zijn om vast te kunnen stellen of verdachte in staat is om de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.

? Is verdachte in staat de beschuldiging te begrijpen?

? Is verdachte in staat te begrijpen dat de voorlopige hechtenis het gevolg is van de beschuldiging?

? Is verdachte in staat te begrijpen dat de rechtbank een beslissing moet nemen over deze beschuldiging?

? Is verdachte in staat te begrijpen welke invloed deze beslissing op zijn verdere leven zou kunnen hebben?

? Is verdachte in staat te begrijpen dat de verklaringen die hij bij de politie en ter terechtzitting aflegt, invloed kan hebben op de beslissing van de rechtbank?

? Is verdachte in staat de rol van zijn advocaat in het strafproces te begrijpen?

Verklaringen van de deskundigen

Gedragsneuroloog [naam] heeft verklaard dat hij veel twijfels heeft over of verdachte kan volgen wat er ter terechtzitting wordt besproken.

Psychiater [naam] heeft ter terechtzitting van 4 juni 2010 verklaard dat naar mate de complexiteit van de situatie toeneemt een groter beroep moet worden gedaan op de hersenen om de informatie op een zodanige manier te kunnen verzamelen dat je kunt beoordelen wat een verstandige gedragskeuze is. Het vermogen om te bepalen welk gedrag nadelig is in een bepaalde situatie, mist verdachte door het hersenorganisch beeld waaraan hij lijdt. Verdachte is in staat om ter terechtzitting aanwezig te zijn, maar kan niet overzien wat zijn belangen zijn.

Psycholoog drs. [naam] heeft ter terechtzitting van 4 juni 2010 verklaard dat zij verdachte niet in staat acht de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Verdachte heeft een heel trage informatieverwerking, daardoor slaat hij heel veel informatie niet goed op in zijn geheugen. Op het moment dat verdachte luistert naar een gesprek loopt hij voortdurend een paar stappen achter. Hij slaat het niet goed op en raakt daardoor de logica kwijt. Om overzicht te krijgen in een situatie moet je voortdurend uit je geheugen putten, dat vermogen ontbreekt bij verdachte. Informatie komt bij hem niet goed binnen. Wanneer je verdachte zou vragen wat de rechtbank doet en wat dat voor hem betekent, zou hij daar geen antwoord op kunnen geven.

Misschien zou verdachte meer kunnen begrijpen als de zaak op een heel laag tempo behandeld zou worden, maar dan nog is de complexiteit van de informatie te groot. Het soort informatie zou ook van heel eenvoudige aard moeten zijn, wil verdachte het kunnen begrijpen.

[naam] heeft voorts verklaard dat zij op alle vragen die zij gesteld heeft tijdens haar onderzoek, een antwoord kreeg wat heel ver van de vraag af stond. Vaak begreep zij het antwoord niet, omdat het zo bizar was. Als zij daar op doorvroeg dan kwam er een heel ander antwoord, nog verder van de oorspronkelijke vraag verwijderd.

GGZ verpleegkundig specialist [naam] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij verdachte wekelijks ziet en dat het niet gelukt is om met verdachte een zinnig gesprek te voeren tijdens zijn verblijf in [plaatsnaam].

Tot slot heeft psychiatrisch verpleegkundige en persoonlijk begeleidster van verdachte, [naam], ter terechtzitting verklaard dat de antwoorden van verdachte vaak niet overeen komen met de vragen. Voorts heeft zij naar voren gebracht dat verdachte eenvoudige en duidelijke opdrachten nog wel kan volgen, maar dat hij bij een reeks van opdrachten blijft steken in het eerste gedeelte.

Ter terechtzitting hebben alle deskundigen verklaard dat er bij verdachte geen sprake is van simulatie van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. [naam] heeft verklaard dat hij simulatie uitgesloten acht, omdat het gedragspatroon van verdachte zo consistent afwijkend is. [naam] heeft verklaard dat simulatie moet worden verworpen nu verdachte zo langdurig en intens hetzelfde gedrag heeft vertoond. Ook [naam] heeft verklaard dat verdachte consistent is in zijn incoherente gedrag. [naam]t heeft verklaard dat zij zich niet kan voorstellen dat verdachte simulatie van dit gedrag drie maanden lang vierentwintig uur per dag vol zou kunnen houden.

Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 13 april 2010 en 4 juni 2010 verschillende situaties waargenomen, die zij meegenomen heeft in de beslissing omtrent de schorsing van de vervolging.

De rechtbank heeft onder meer het volgende waargenomen ter terechtzitting van 13 april 2010.

De voorzitter houdt verdachte voor dat de politie/de officier van justitie denkt dat [slachtoffer] is doodgemaakt en vraagt verdachte of hij weet waarom hij hier is.

Verdacht verklaart het volgende:

Om dat te bespreken.

De voorzitter vraagt verdachte waarom de rechtbank dat nu juist met hem wil bespreken en of verdachte weet waarom hij nu al een hele tijd vast zit.

Verdachte verklaart het volgende:

Dat moet je niet aan mij vragen. Het gaat met mij goed.

De voorzitter vraagt of verdachte weet hoe het komt dat hij niet weg mag uit [plaatsnaam].

Verdachte verklaart het volgende:

Ik weet niet. Ik dacht dat ik wel weg mag, maar dat het nog niet geregeld is.

De voorzitter vraagt wat de officier van justitie heeft opgelezen.

Verdachte verklaart het volgende:

Het proces.

De voorzitter vraagt verdachte of hij weet wat dat met hem te maken heeft.

Verdachte verklaart het volgende:

Om vragen…

De voorzitter houdt verdachte voor dat de officier van justitie hem beschuldigt en vraagt of verdachte weet waarvan zij hem beschuldigt.

Verdachte verklaart het volgende:

Dat weet ik wel. Dat is gezegd. Van slaan of zoiets.

De rechtbank heeft onder meer het volgende waargenomen ter terechtzitting van 4 juni 2010.

[naam] verklaart het volgende, zakelijk weergegeven:

De stoornis waar verdachte aan lijdt heeft invloed op zoveel gebieden.

Verdachte verklaart spontaan het volgende:

Zij zit daar vanwege dat ze zelf stoornissen heeft.

[naam] verklaart het volgende, zakelijk weergegeven:

In het verslag van de observatie zijn een aantal gedragingen gerapporteerd. Volgens mij zijn dat automatische gedragingen die zijn ingesleten of reflexmatige gedragingen. Op het moment dat verdachte een bepaalde prikkel krijgt, reageert hij gewoon, zonder dat daar veel meer achter zit.

Ik heb dergelijk gedrag niet eerder in een onderzoek gezien. Vooral de uitingsvorm is bijzonder.

Verdachte verklaart spontaan het volgende:

Ik heb bij haar op school gezeten of zo, geen diploma of niks. Ook geen levensbehoeften.

De voorzitter vraagt verdachte ter herhalen wat hij zojuist zei, nu de voorzitter het niet verstaan heeft.

Verdachte verklaart het volgende:

Ik heb haar eens een keer geholpen met ziekenhuiskosten of zo.

Voorts heeft de rechtbank het volgende waargenomen ter terechtzitting van 4 juni 2010.

De voorzitter houdt deskundige [naam] voor dat verdachte soms moeizaam lijkt te bewegen, bijna als in ‘slow motion’.

Verdachte verklaart het volgende:

Dat kan helemaal niet. Ik ben de snelste van allemaal. Het kan niet dat ze sneller zijn. Ik heet [naam]. Mijn naam is van de koning. Het kan nooit sneller zijn. Ik begrijp dat niet.

De rechtbank heeft tevens waargenomen dat verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2010 het volgende verklaarde.

[plaatsnaam] heeft al mijn spullen, al mijn eten. De rest is allemaal weg. Hoe kan dat dan? Iedereen mag werken en ik mag helemaal niets. Ik kan dat niet begrijpen.

Deze man, ik geloof niet dat hij dood is. Die heeft uw (verdachte richt zich tot de voorzitter) huis een keer afgenomen vroeger, dat weet u misschien nog wel.

Overwegingen:

Door de rechtbank is op de terechtzittingen van 13 april 2010 en 4 juni 2010 een groot aantal vragen gesteld, waaronder vragen die betrekking hadden op de strekking van de tegen verdachte ingestelde vervolging. Op een groot aantal vragen van eenvoudige feitelijke aard heeft verdachte een antwoord gegeven, waardoor het in eerste instantie lijkt alsof verdachte in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.

Uit de Pro Justitia rapportage en uit de verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting blijkt echter dat de deskundigen van mening zijn dat hier de nodige voorzichtigheid dient te worden betracht. De rechtbank moet zich realiseren dat hier sprake is van “schijnantwoorden” die verdachte geeft. Wanneer in een rustige, aan verdachte aangepaste setting, hem een simpele vraag wordt gesteld en hem voldoende tijd wordt gegund te reageren, kan in eerste instantie een antwoord volgen dat passend lijkt. Zodra de druk echter iets zou worden opgevoerd of er zou worden doorgevraagd op een gegeven antwoord, zal verdachte vrijwel onmiddellijk afhaken of een reactie geven die geen betrekking meer heeft op de gestelde vraag, aldus de deskundigen.

Uit de waarneming van de rechtbank ter terechtzitting blijkt dat verdachte enerzijds soms lijkt ‘aan te slaan’ op een woord dat hij hoort en anderzijds vaak onsamenhangende opmerkingen maakt. Als gevraagd wordt om verduidelijking van zijn opmerking, is verdachte niet in staat die te geven. Wanneer hem gevraagd wordt om zijn opmerking te herhalen zegt verdachte iets compleet anders. Verder valt op dat verdachte soms spontaan iets naar voren brengt dat niet wezenlijk aansluit bij het gespreksonderwerp. Dit is in overeenstemming met de verklaring van de deskundigen over de zeer beperkte mate waarin verdachte in staat is om te communiceren.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte niet voldoende begrijpt waarvan hij beschuldigd wordt, dat hij niet begrijpt dat hij zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarom en wat het verband is tussen de voorlopige hechtenis en de zittingen. Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting van 4 juni 2010 naar voren gebracht dat hij niet in staat is om met verdachte een gesprek te voeren, laat staan een verdediging op te bouwen.

Op grond van het vorenstaande kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet in staat worden geacht de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen. Verdachte is niet in staat zich op welke manier dan ook voor te bereiden op de vragen die hem gesteld worden ter terechtzitting of om te bepalen hoe hij deze vragen al dan niet zal beantwoorden. Hij begrijpt niet wat de invloed van zijn antwoorden kan zijn op de beslissing van de rechtbank en kan niet overzien wat voor gevolgen de beslissing van de rechtbank op zijn leven kunnen hebben.

Naar het oordeel van de rechtbank, gebaseerd op de Pro Justitia rapportage en de verklaringen van de deskundigen daarover ter terechtzitting, is bij verdachte geen sprake van simulatie van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

De rechtbank komt, alle voornoemde factoren in ogenschouw nemend, tot het oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en de Pro Justitia rapportage is gebleken dat verdachte aan een zodanige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen.

Op grond van het vorenstaande dient de vervolging te worden geschorst.

Voorlopige hechtenis

Nu de vervolging zal worden geschorst, dient de rechtbank een beslissing te nemen met betrekking tot de voorlopige hechtenis van verdachte, dit te meer nu de raadsman van verdachte ter terechtzitting van 4 juni 2010 een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis heeft gedaan.

Op grond van artikel 17 lid 2 Wetboek van Strafvordering kan de rechtbank gelasten dat de schorsing van de vervolging zich niet zal uitstrekken tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft.

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af, aangezien de verdenking, bezwaren en gronden, die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, ook nu nog aanwezig zijn. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank gelast dat de schorsing van de vervolging zich niet uitstrekt tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting blijkt dat voor het welzijn van verdachte verblijf in een gestructureerde setting met deskundige begeleiding en verpleging, zoals de Forensisch Psychiatrische Afdeling van Psychiatrisch Centrum [naam] te [plaatsnaam], waar verdachte inmiddels al een geruime periode verblijft, van groot belang is.

De rechtbank gelast derhalve dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in het Psychiatrisch Centrum [naam] of in enige andere soortgelijke psychiatrische instelling.

Voorts blijkt uit de Pro Justitia rapportage en de door de deskundigen afgelegde verklaringen op de terechtzittingen dat verbeteringen in de ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte niet te verwachten zijn. Het is dan ook niet aannemelijk dat de schorsing van de vervolging op korte termijn zal worden opgeheven. Bij een gelijkblijvende situatie van verdachte acht de rechtbank het niet passend dat de voorlopige hechtenis van verdachte tot in lengte van dagen zal voortduren.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke termijn van maximaal negentig dagen voor de voorlopige hechtenis ook geldt met betrekking tot de verdachte wiens vervolging geschorst is. Ten behoeve van het opnieuw beoordelen van de voorlopige hechtenis wordt het onderzoek geschorst in beginsel tot de terechtzitting van 15 september 2010, behoudens het geval dat eerder dan genoemde datum de situatie van art. 16 lid 2 Sv zich zou voordoen dan wel door de verdediging of de officier van justitie een gemotiveerd verzoek tot opheffing/schorsing van de voorlopige hechtenis wordt gedaan. De rechtbank refereert hier aan hetgeen ter terechtzitting van 4 juni 2010 door de raadsman van verdachte als mogelijk alternatief naar voren is gebracht namelijk dat verdachte wellicht zou kunnen worden opgenomen met een rechterlijke machtiging in de zin van Wet Bijzondere Opneming in Psychiatrische Ziekenhuizen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

Schorst de vervolging van de verdachte, [verdachte].

Gelast dat de schorsing van de vervolging zich niet uitstrekt tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft.

Beveelt schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tot de zitting van 15 september 2010 om 09.00 uur ten behoeve van de nieuwe beoordeling van de voorlopige hechtenis.

Deze beschikking is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en S.E. Sijsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Bernsen, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juni 2010.