Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM8410

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
AWB 09-2885 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag ambtenaar DWI in verband met betrokkenheid bij bijstandsuitkering moeder. Slechts een deel van de eiseres verweten gedragingen is aan te merken als plichtsverzuim. De rechtbank is gelet daarop en gelet op het feit dat eiseres in haar functie op geen enkele wijze betrokken was bij de verstrekking van bijstandsuitkeringen van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/2885 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. K. de Bie,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. R.C.D. van der Linde.

Procesverloop

Bij brief van 9 oktober 2008 heeft verweerder bevestigd dat aan eiseres met ingang van 30 september 2008 buitengewoon verlof was verleend (primair besluit I).

Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft verweerder eiseres per 17 oktober 2008 geschorst met behoud van bezoldiging (primair besluit II).

Bij besluit van 27 januari 2009 heeft verweerder eiseres de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd (primaire besluit III).

Bij besluit van 16 juni 2009 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2010.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en standpunten

1.1. Eiseres was laatstelijk werkzaam als medewerker salarisadministratie, van 1 juli 1998 tot 1 januari 2006 bij Maatwerk Amsterdam en sinds de fusie van de Sociale Dienst Amsterdam, de NV Werk en Maatwerk Amsterdam bij de per 1 januari 2006 opgerichte Dienst Werk en Inkomen (DWI).

1.2. In het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van het buitengewoon verlof – in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie DWI – overwogen dat wanneer de bevoegdheid bestaat een ambtenaar te schorsen impliciet tevens de bevoegdheid bestaat om een minder zware maatregel, zoals het verlenen van buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging, te treffen.

Met betrekking tot de schorsing heeft verweerder – conform het advies van de bezwaaradviescommissie DWI – overwogen dat er gelet op de toen bekende feiten en omstandigheden en het strikte en consequent gevoerde integriteitbeleid dat strafontslag als passende straf beschouwt bij belangenverstrengeling en betrokkenheid bij de uitkering van familie of vrienden, tot schorsing met behoud van bezoldiging kon worden overgegaan.

Ten slotte heeft verweerder met betrekking tot het strafontslag – kort samengevat – overwogen dat de betrokkenheid van eiseres bij de bijstandsuitkering en bijstandsfraude van haar moeder en het niet bespreken hiervan met haar werkgever c.q. leidinggevende aan te merken is als ernstig plichtsverzuim waarvoor de straf van ontslag als passend is aan te merken.

1.3. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat noch op basis van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), noch op basis van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) de bevoegdheid bestaat om in een geval als het onderhavige buitengewoon verlof te verlenen.

Met betrekking tot de schorsing heeft eiseres aangevoerd dat het integriteitsonderzoek op het moment van de schorsing al was afgerond, zodat zij onmogelijk het onderzoek nog kon frustreren en er geen belang was bij de schorsing.

Ten aanzien van de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen voert eiseres aan dat, los van het feit zij er nooit een geheim van heeft gemaakt dat zij bij haar moeder woonde, er geen meldingsplicht ten aanzien hiervan bestaat. Eiseres is van mening dat haar niet verweten kan worden dat zij niet bekend was met het integriteitbeleid. Eiseres stelt verder dat haar betrokkenheid bij de uitkering van haar moeder niet meer inhield dat het openen en sorteren van brieven voor de afhandeling daarvan door haar schoonzus. Ook is eiseres naar eigen zeggen niet als belangenbehartiger opgetreden en is zij van mening dat zij het vergezellen van haar moeder naar de gesprekken bij de afdeling Handhaving niet bij haar leidinggevende hoefde te melden. Ten aanzien van de bankrekeningen voert eiseres aan dat het aan haar ouders en niet aan haar was om deze op te geven en dat zij haar ouders niet heeft ondersteund bij het verzwijgen van de rekeningen. Eiseres noch haar ouders wisten dat zij de rekeningen moesten melden, nu het tegoed daarop aan eiseres toebehoorde. Eiseres had uit hoofde van haar functie geen kennis over de regels omtrent bijstandverlening. Ook bij de aanvraag om bijzondere bijstand in 2000 was eiseres naar eigen zeggen niet betrokken. Bovendien was zij toen nog niet werkzaam bij de DWI. Ten slotte stelt eiseres dat de straf van ontslag, mede gezien haar functie en de slechte begeleiding en informatieverschaffing omtrent het integriteitbeleid, niet als proportioneel kan worden aangemerkt.

2. Ten aanzien van de schorsing

2.1. Verweerder heeft eiseres geschorst op grond van artikel 13.2, tweede lid, van de NRGA waarin is bepaald dat de ambtenaar kan worden geschorst met behoud van bezoldiging als het redelijkerwijs niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, tenzij artikel 7.10, eerste lid (verplicht medisch onderzoek bij functievervulling) van toepassing is.

2.2. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er op 22 oktober 2008 op grond van de toen voorhanden zijnde gegevens voldoende aanleiding om eiseres te verdenken van plichtsverzuim. Gelet hierop en op het feit dat deze verdenking zeer waarschijnlijk zijn weerslag zou hebben op het functioneren van eiseres en de samenwerking met collega's, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het redelijkerwijs niet aanvaardbaar was dat eiseres haar werkzaamheden op dat moment zou blijven vervullen. Verweerder kon naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid tot schorsing met behoud van bezoldiging. Het beroep van eiseres is in zoverre ongegrond.

3. Ten aanzien van het buitengewoon verlof

3.1. De rechtbank stelt vast dat noch het ARA noch de NRGA een bepaling bevat waarin aan verweerder de bevoegdheid wordt gegeven om buitengewoon verlof te verlenen anders dan op verzoek van de betrokken ambtenaar.

3.2. De rechtbank is echter van oordeel dat in een geval als het onderhavige waarin verweerder bevoegd was om eiseres te schorsen en zij bovendien akkoord ging met het verlenen van buitengewoon verlof, niet kan worden geoordeeld dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen overgaan tot het verlenen van buitengewoon verlof. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een schorsing verder gaat en meer diffamerend is dan het verlenen van buitengewoon verlof. Ook voor zover slaagt het beroep van eiseres dus niet.

4. Ten aanzien van het ontslag

4.1. Artikel 11.1 van de NRGA bepaalt dat de ambtenaar de hem gegeven voorschriften opvolgt en in het algemeen alles behoort te doen of na te laten wat van een goed ambtenaar wordt verwacht.

Artikel 13.4 van de NRGA bepaalt dat de ambtenaar kan worden gestraft als hij zich niet gedraagt overeenkomstig artikel 11.1 en zich daarmee schuldig maakt aan plichtsverzuim.

Ingevolge artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de NRGA kan de ambtenaar de straf van ontslag worden opgelegd.

4.2. Ten aanzien van de door verweerder aan het strafontslag ten grondslag gelegde feiten overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.1. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat zij niet verplicht was om uit eigen beweging aan de DWI te melden dat zij samenwoonde met haar ouders en dat haar ouders een bijstandsuitkering ontvingen. Daarbij acht de rechtbank evenals de bezwaaradviescommissie DWI van belang dat eiseres geen enkele functionele betrokkenheid had bij het proces van uitkeringsverstrekking en onweersproken heeft gesteld dat zij hiervan melding heeft gemaakt bij Maatwerk. Zij mocht er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gaan dat haar personeeldossier werd overgenomen door de DWI.

4.2.2. Met betrekking tot de bankrekeningen die eiseres met haar moeder deelde, dan wel waarvoor haar moeder gemachtigd was, overweegt de rechtbank dat eiseres zich had behoren te realiseren dat zij als medewerker van de DWI haar financiën zoveel mogelijk gescheiden diende te houden van die van haar bijstand ontvangende moeder. Het had op de weg van eiseres gelegen om ofwel de bankrekeningen op haar eigen naam te zetten, ofwel met haar leidinggevende te bespreken hoe zij hiermee diende om te gaan. Hoewel eiseres niet verantwoordelijk is voor de door haar moeder in het kader van de bijstandsuitkering na te leven inlichtingenplicht had eiseres, nu zij er voor heeft gekozen haar financiën niet strikt te scheiden van die van haar moeder, actief na moeten gaan wat de gevolgen hiervan waren voor de bijstandsuitkering van haar moeder en de nodige maatregelen moeten treffen. Door dit na te laten heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 11.1 van de NRGA.

4.2.3. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres op het moment dat zij bekend werd met het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van haar moeder contact had moeten zoeken met haar leidinggevende om de mogelijke schijn van belangenverstrengeling te bespreken. Eiseres had dan ook aan haar leidinggevende kunnen voorleggen wat haar opstelling bij het fraudeonderzoek diende te zijn. In ieder geval had zij, alvorens met haar moeder mee te gaan naar een gesprek bij de afdeling Handhaving, moeten onderzoeken of het voor haar als ambtenaar van de DWI was toegestaan om haar moeder bij dergelijke gesprekken bij te staan. Ook voor zover heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.1 van de NRGA gehandeld, zodat sprake is van plichtsverzuim als bedoeld in artikel 13.4 van de NRGA.

4.2.4. Dat eiseres administratie deed voor haar moeder kan, wat hier verder ook van zij, naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen plichtsverzuim opleveren. De eventuele hulp die eiseres haar ouders geboden heeft bij het aanvragen van bijzondere bijstand levert naar het oordeel van de rechtbank alleen al omdat eiseres destijds niet bij een uitkeringsverstrekkende instantie werkzaam was geen plichtsverzuim op.

4.3. Met betrekking tot de kenbaarheid van het integriteitbeleid van de DWI overweegt de rechtbank dat gebleken is dat dit beleid is neergelegd in het HRM-handboek dat toegankelijk is voor alle medewerkers van de DWI en dat dit beleid op 29 september 2006 door middel van een e-mail met verwijzing naar een op 7 september 2006 geplaatst bericht op intranet onder de aandacht van de medewerkers van de DWI is gebracht. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat eiseres de inhoud van het beleid had behoren te kennen. Dat zij het HRM-handboek, de e-mail en het bericht op intranet niet heeft gelezen komt voor haar risico. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het plichtsverzuim eiseres niet verweten kan worden.

4.4. Uit het vorenstaande volgt evenwel dat slechts een deel van de eiseres verweten gedragingen is aan te merken als plichtsverzuim. De rechtbank is gelet daarop en gelet op het feit dat eiseres in haar functie op geen enkele wijze betrokken was bij de verstrekking van bijstandsuitkeringen van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank zal het beroep voor zover het betrekking heeft op het strafontslag dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit voor zover vernietigen.

4.5. Verder ziet de rechtbank, omdat een nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts tot herroeping van het ontslagbesluit kan leiden, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf te voorzien en het primaire besluit van 27 januari 2009 te herroepen.

Nu eiseres in de bezwaarprocedure om vergoeding van haar proceskosten heeft gevraagd zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15 van deze wet verweerder veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden forfaitair begroot op

€ 644.

4.6. Eiseres heeft verzocht om verweerder te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de aan eiseres alsnog toekomende bezoldigingstermijnen. Dit verzoek is toewijsbaar. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de renteschade wordt berekend op voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek over de bruto bedragen en dat rente is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de betalingen zouden hebben moeten plaatsvinden, in dit geval vanaf maart 2009.

4.7. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard zal de rechtbank voorts bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht dient te vergoeden. Tenslotte zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep, die forfaitair worden begroot op € 644.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het primaire besluit van 27 januari 2009 in stand is gelaten;

- herroept het besluit van 27 januari 2009 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de vertragingsschade zoals hiervoor aangegeven onder 4.6.;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 150 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 1288, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W. Speksnijder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2010.

de griffier, de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De uitspraak is ondertekend door mr. L.C. Bachrach, rechter.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB