Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM8238

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
458540 / KG RK 10-1848
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 33. Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken (WTBZ). Verzoek tot herbegroting van door de Raad van Toezicht begrote declaraties en afgifte van een bevelschrift tot betaling. Advocaat had cliënten dienen in te lichten over de oplopende kosten vanwege het ongeordend aanleveren van het dossier. Volgt herbegroting met matiging. Geen afgifte van een bevelschrift, nu advocaat nog geen einddeclaratie heeft gezonden aan cliënten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

Nummers 458540 / KG RK 10-1848 Pee/CN

(Kenmerk [verzoeker]: PS 2006-105 e.v. Afwikkeling Nalatenschap)

Beschikking van 10 juni 2010

op het op 26 januari 2010 ter griffie ingekomen verzoek van:

1. [verzoeker sub 1]

2. [verzoeker sub 2],

kantoorhoudende te [woonplaats],

welk verzoek strekt tot begroting en verlof tenuitvoerlegging van meerdere door de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Amsterdam, hierna ook de RvT, begrote declaraties ten laste van:

1. [verweerder sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats];

2. [verweerder sub 2],

volgens het verzoekschrift wonende te [woonplaats],

3. [verweerder sub 3]

volgens het verzoekschrift wonende te [woonplaats],

verweerders,

niet verschenen.

Verzoekers zullen hierna - gezamenlijk in enkelvoud - [verzoeker] worden genoemd. Verweerders zullen hierna - gezamenlijk in enkelvoud - [verweerder c.s.] worden genoemd of afzonderlijk de [verweerder sub 1], [verweerder sub 2] en [verweerder sub 3].

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1. [verzoeker] heeft op 26 januari 2010 een verzoekschrift ex artikel 33 Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) ingediend tot herbegroting van de door de RvT bij beslissing van 22 december 2009 (aangehecht aan deze beschikking) begrote declaraties over de periode van juni 2006 tot en met juni 2008.

1.2. De mondelinge behandeling van de zaak was aanvankelijk bepaald op 4 maart 2010. [verzoeker] heeft op voorhand een pleitnota toegezonden. Hoewel mr. S.D. Kurz voorafgaande aan deze zitting namens [verweerder c.s.] verhinderdata heeft doorgegeven, waarmee bij de vaststelling van de datum voor de mondelinge behandeling rekening is gehouden, is ter zitting noch mr. Kurz noch [verweerder c.s.] verschenen. Ter zitting is door de secretaris naar mr. Kurz gebeld, die desgevraagd heeft verklaard niet meer voor [verweerder c.s.] op te treden. Tevens heeft mr. Kurz verklaard dat [verweerder sub 2] geen bekende woon- of verblijfplaats meer heeft en dat [verweerder sub 3] te [woonplaats] verblijft. Omdat onduidelijk was of [verweerder c.s.] de oproep voor de zitting had ontvangen, is de behandeling van de zaak aangehouden.

1.3. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor de verplaatste mondelinge behandeling van 31 maart 2010. Voor deze behandeling is tevens de deken van de Orde van Advocaten opgeroepen.

1.4. Bij brief van 30 maart 2010 heeft mr. M.N. de Groot, advocaat te Amsterdam, bericht dat bij vonnis van 26 maart 2010 de ‘commanditaire vennootschap [c.v.] te [woonplaats]’(verder te noemen de c.v.) in staat van faillissement is verklaard en dat zij tot curator van de c.v. is benoemd. Volgens mr. De Groot is blijkens het handelsregister de [verweerder sub 1] per 13 mei 2008 omgezet in de c.v., zodat de behandeling van het verzoekschrift van rechtswege zou zijn geschorst. Tevens heeft zij in deze brief verklaard dat [verzoeker] zijn vorderingen ter verificatie in het faillissement zal moeten indienen, waarna deze op de lijst van voorlopig betwiste vorderingen zullen worden geplaatst.

Hierop is telefonisch contact opgenomen met mr. De Groot, waarbij haar is medegedeeld dat de bepaalde zitting wel doorgang zou vinden, nu (nog) niet geheel duidelijk was welke te begroten facturen ten laste van de (voormalige) [verweerder sub 1] (moeten) komen en of mr. De Groot in het kader van het faillissement aanspraak zou maken op het (na te melden) door [verweerder c.s.] bij de RvT in depot gestorte bedrag. Bovendien staat een en ander (her)begroting van de dossiers niet in de weg. Met mr. De Groot is wel afgesproken dat zij op de hoogte zal worden gehouden van het verloop van de onderhavige procedure.

1.5. Ter zitting van 31 maart 2010 zijn [verzoeker] en zijn secretaresse verschenen, alsmede de deken van de Orde van Advocaten van Amsterdam, mr. G.J. Kemper, met mr. E.C.M. van Huet. Namens [verweerder c.s.] is wederom niemand verschenen. Ter zitting is met mr. Kemper en mr. Van Huet afgesproken dat nog een nadere toelichting op de door de RvT begrote dossiers zou worden verstrekt, waarop [verzoeker] zou mogen reageren. De verdere behandeling van de zaak is aangehouden tot 28 april 2010, waarbij namens de RvT wat de rechtbank betreft en met instemming van [verzoeker] dan niemand meer aanwezig hoefde te zijn.

1.6. Bij ongedateerde brief, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 2 april 2010, heeft [verweerder sub 3] bericht dat zij op de zitting van 31 maart 2010 ‘door onmacht’ niet aanwezig heeft kunnen zijn, met het verzoek de zitting op een latere datum te plannen.

1.7. Bij brief van 7 april 2010 is aan [verweerder sub 3] bericht dat de zitting reeds heeft plaatsgevonden, zodat deze niet meer op een later tijdstip kan worden vastgesteld, maar dat de behandeling van de zaak op 28 april 2010 zou worden voortgezet, bij welke behandeling zij uiteraard alsnog aanwezig zou kunnen zijn.

1.8. Bij brieven van 14 en 15 april 2010 heeft de RvT de onder 1.5 hiervoor bedoelde toelichting gegeven door overlegging van aanvullende stukken. Een afschrift hiervan is ten behoeve van de mondelinge behandeling van 28 april 2010 naar alle partijen en curator mr. De Groot gestuurd. [verzoeker] heeft hier voorafgaande aan de behandeling van 28 april 2010 niet meer op gereageerd.

1.9. Ter zitting van 28 april 2010 is slechts [verzoeker] verschenen met zijn secretaresse. Alle door [verzoeker] aan de RvT ter begroting voorgelegde dossiers zijn afzonderlijk besproken. Op die zitting is met [verzoeker] afgesproken dat hij nog per door de RvT begroot dossier zou uitsplitsen - kort gezegd - of er in dat dossier:

- (voorschot)declaraties zijn gezonden,

- zo ja, op welke datum en

- aan welke partij deze zijn gezonden,

- of er nog verschotten zijn doorberekend en

- of de facturen (gedeeltelijk) zijn betaald.

1.10. [verzoeker] heeft op 30 april 2010 en 3 mei 2010 aanvullende stukken ingediend.

2. DE DOOR DE RvT BEGROTE DOSSIERS

2.1. [verzoeker] heeft zich bij brieven van 12 en 15 september 2008 tot de RvT gewend met het verzoek over te gaan tot begroting van meerdere dossiers waarin werkzaamheden zijn verricht voor [verweerder c.s.] Volgens de beslissing van de RvT van 22 december 2009 heeft [verzoeker] 31 declaraties ter begroting door de RvT ingezonden, waarbij 30 (voorschot)declaraties, c.q. voorstellen tot declaraties zijn bijgevoegd.

Aan de beslissing van de RvT is een overzicht gehecht met namen van deze 31 dossiers (zijnde 5 in 2006 ingeboekte zaken, 14 in 2007 ingeboekte zaken en 12 in 2008 ingeboekte zaken). Bij het dossier 2007-056 [verweerder sub 2]/OM Utrecht II is op die lijst slechts vermeld dat een declaratie en specificatie ontbreekt. Nu deze zaak ook ontbreekt in de later door de RvT overgelegde aantekeningen per begroot dossier, wordt ervan uitgegaan dat dit dossier feitelijk niet is begroot door de RvT. [verzoeker] heeft hier in zijn verzoekschrift ex artikel 33 WTBZ overigens ook geen bezwaar tegen gemaakt. De rechtbank zal dit dossier dan verder ook onbesproken laten.

In het overzicht van de RvT ontbreekt het dossier [A] (2007-085), dat volgens [verzoeker] in zijn verzoekschrift ex artikel 33 WTBZ wel ter begroting is voorgelegd, maar dat door de RvT niet is begroot. De RvT maakt in zijn beslissing wel melding van het feit dat hij dit dossier niet in de begroting betrekt, omdat in dit dossier de (eind)declaratie zou zijn voldaan. Verder maakt de RvT er in de beslissing melding van dat het dossier ‘2006-137 [verweerder sub 2]/OM Utrecht’ om diezelfde reden buiten de begroting wordt gehouden. [verzoeker] is er overigens kennelijk mee akkoord dat dit laatste dossier niet diende te worden begroot (2.1 pleitnota)

Het totaal van de (grotendeels nog op te stellen) declaraties bedraagt volgens het overzicht van de RvT € 117.854,81 inclusief kantoorkosten, BTW, belaste en onbelaste verschotten (totaal honorarium € 89.291,17).

2.2. De RvT heeft na een gezamenlijke beoordeling van de volgens de lijst van de RvT ter begroting voorgelegde dossiers, een matiging toegepast van (in totaal) 139 uur van de (in totaal) 443 in rekening gebrachte uren, zodat 304 resteerden, die volgens de Raad tegen een (gemiddeld) uurtarief van € 205,- aan [verweerder c.s.] in rekening konden worden gebracht. De Raad heeft de declaraties aldus als volgt begroot:

Honorarium 304 uur van € 205,00: € 62.320,00

Kantoorkosten 5% € 3.116,00

Belaste verschotten € 1.667,05

Uittreksels € 84,70

€ 67.187,75

BTW 19% € 12.765,67

€ 79.953,42

Onbelaste verschotten € 4.730,00

Totaal € 84.683,42

In de op 14 en 15 april 2010 door de RvT nader verstrekte toelichtingen is per dossier een uitsplitsing van de posten waarop de begroting is gebaseerd gemaakt.

2.3. De RvT maakt er in zijn beslissing melding van dat volgens het overzicht van [verzoeker] een bedrag van in totaal € 33.601,17 is betaald in verband met de in het overzicht van de RvT genoemde dossiers. De RvT laat daarbij de dossiers [A] en [verweerder sub 2]/OM Utrecht I en de in deze dossiers verrichte betalingen buiten beschouwing.

Op 4 september 2008 is door [verweerder c.s.] een bedrag van € 75.661,02 in depot op de derdenrekening van de RvT gezet. Naar aanleiding van een kort geding vonnis van 28 mei 2009 in een door [verzoeker] tegen [verweerder c.s.] aangespannen procedure is van dit depot een voorschotbedrag van € 40.000,- naar de rekening van [verzoeker] overgeboekt, zodat een bedrag van € 35.661,02 in het depot resteert.

Overigens is van dit kort geding vonnis hoger beroep ingesteld.

3. BEZWAREN [verzoeker] TEGEN BEGROTING RVT

3.1. [verzoeker] heeft in deze procedure - samengevat - verzocht de begroting van de RvT naar boven bij te stellen met in totaal het verschil tussen de uren als in de door verzoekers aan verweerders toegezonden specificaties c.q. declaraties vermeld en het aantal uren zoals door de RvT bepaald, met uitvoerbaarverklaring van deze beschikking op de minuut en alle dagen en uren alsmede [verweerder c.s.] te veroordelen in de proceskosten.

3.2. [verzoeker] heeft in dat kader in zijn verzoekschrift ex artikel 33 WTBZ (samengevat) de volgende bezwaren aangevoerd tegen de wijze waarop de begroting heeft plaatsgevonden: Ten onrechte heeft de RvT:

- één in plaats van dertig begrotingsbeslissingen gegeven en heeft de RvT niet per dossier aangegeven welke werkzaamheden als bovenmatig zijn aangemerkt;

- overwogen dat [verzoeker] [verweerder c.s.] niet heeft gewaarschuwd voor de oplopende kosten;

- overwogen dat [verzoeker] vrij ver is gegaan in het verstrekken van bijstand en vraagtekens geplaatst bij de doelmatigheid van de verrichtingen;

- overwogen dat door [verzoeker] niet telkens specifieke advocatenwerkzaamheden werden verricht terwijl die uren wel op basis van een hoog uurtarief in rekening werden gebracht;

- overwogen dat de voor correspondentie in rekening gebrachte tijd bovenmatig is geweest, omdat ook voor de kleinste briefjes (waaronder ontvangen correspondentie) 10 of 12 minuten in rekening zijn gebracht;

- geoordeeld dat [verzoeker] tijd in rekening heeft gebracht voor het inboeken van dossiers en het opstellen van specificaties, terwijl deze werkzaamheden vallen onder de kantooropslag van 5%.

3.3. Ter zitting heeft [verzoeker] hieraan toegevoegd dat ten onrechte het dossier [A] niet is begroot, terwijl andere dossiers ten onrechte wel zijn begroot, nu in die laatste dossiers zonder voorbehoud betalingen zijn verricht.

[verzoeker] spreekt in het verzoek ex artikel 33 WTBZ (onder 4.1) over 28 ter begroting ingediende dossiers (5 in 2006 ingeboekte zaken, 13 in 2007 ingeboekte zaken en 10 in 2008 ingeboekte zaken).

Hij heeft in zijn pleitnota onder 2.3 een overzicht overgelegd van 34 dossiers (6 in 2006 ingeboekte dossiers, 16 in 2007 ingeboekte dossiers in 12 in 2008 ingeboekte dossiers). Dit overzicht is inclusief de (volgens [verzoeker] kennelijk terecht) buiten de begroting gelaten dossiers ‘2006-137 [verweerder sub 2]/OM Utrecht I’ en ‘2007-032 [verweerder sub 2]/[L]’ alsmede het dossier ‘2007-056 [verweerder sub 2]/OM Utrecht II’, dat kennelijk met instemming van [verzoeker] niet is begroot. Verder staat in deze lijst het volgens [verzoeker] ten onrechte niet begrote dossier ‘2007-085 [verweerder sub 2]/WSV [A]’.

Ten slotte heeft [verzoeker] in voormelde lijst dossiers aangekruist die volgens hem ten onrechte zijn begroot.

4. VERWEER [verweerder c.s.]

4.1. Hoewel [verweerder c.s.] in deze procedure meerdere malen is opgeroepen en gebleken is dat de bij de rechtbank bekende raadsman en [verweerder sub 3] op de hoogte waren van tenminste één zittingsdag, is namens [verweerder c.s.] niemand verschenen.

In het kader van het herbegrotingsverzoek van [verzoeker] kan derhalve slechts rekening worden gehouden met de verweren van [verweerder c.s.] zoals deze bekend zijn uit de bij de RvT gevoerde procedure, met dien verstande dat voor zover de aanvankelijk bij de RvT door [verweerder c.s.] aangevoerde bezwaren door de RvT in zijn beslissing zijn verworpen hier, tenzij hieronder anders is overwogen, thans niet meer op in kan worden gegaan, nu [verweerder c.s.] zich kennelijk kan vinden in de begroting door de RvT. Door de RvT zijn de bezwaren van [verweerder c.s.] als volgt samengevat:

“In 10 zaken heeft [verzoeker] verzuimd de familie [verweerder sub 2] einddeclaraties te verzenden. (Nalatenschap 2006-05,0 e.v., [grondbedrijf] 2006 106-0 e.v., [grondbedrijf] 2006106-6, bewindvoering [verweerder sub 2] 2006-107-0, [O], 2007 080, [F] 2008 009, [B] 2008 019, [K] 2008 023, [S] 2008 040 en [D] 2008 045). Deze declaraties bedragen in totaal € 63.103,78. [verzoeker] is derhalve niet ontvankelijk in zijn begrotingsverzoek in voornoemde dossiers.

[verzoeker] heeft verzuimd bij aanvang van de zaak een duidelijke kostenraming te maken alsmede een analyse van de haalbaarheid van de zaak.

De familie [verweerder sub 2] vindt het dubieus dat in het merendeel van de zaken de specificaties/declaraties pas eerst medio september 2008 door [verzoeker] zijn vervaardigd. Bovendien beklaagt zij zich over het gebrek aan inzichtelijkheid hiervan. Mr. Kurz is van mening dat de door zijn cliënten betaalde voorschotten niet op de juiste declaraties zijn afgeboekt.

Volgens de familie [verweerder sub 2] is een uurtarief van € 175,- afgesproken.

De familie [verweerder sub 2] betwist opdracht te hebben gegeven om voor haar werkzaamheden te verrichten in de zaken: 2006-075 (belastingdienst Hoofddorp) 2006-105 (afwikkeling nalatenschap) en 2006-106.0 ([grondbedrijf]); 2007-029 ([V]), 2007-032 ([L]) en 2007-089 (diverse adviezen); 2008-021 ([I]), 2008-037 ([G]), 2008-038 ([H]), 2008-040 ([S]), 2008-045 ([D]) en 2008-050

In de overige dossiers erkent de familie [verweerder sub 2] wel opdracht te hebben gegeven maar betwist zij de hoogte van de declaraties. Het komt er uiteindelijk op neer dat zij het volgens [verzoeker] openstaande bedrag van € 87.878,39 betwist en een bedrag van € 15.321,34 ten volle erkent. Dit laatste bedrag is volgens de familie [verweerder sub 2] een redelijk honorarium. Omdat zij reeds een bedrag van ruim € 38.000,00 aan [verzoeker] heeft voldaan, betekent dit dat zij nog een bedrag van 25.000,00 van hem heeft te vorderen.”

5. BEOORDELING

Algemene overwegingen met betrekking tot alle dossiers

A. Omvang van het verzoek

5.1. Vaststaat dat het dossier [A] wel ter begroting aan de RvT is aangeboden. Omdat de RvT dit dossier kennelijk over het hoofd heeft gezien en de rechtbank onder voorafgaande begroting van de RvT geen beslissing kan nemen zal aan de RvT worden verzocht een begroting van het passend honorarium voor [verzoeker] voor zijn werkzaamheden in dat dossier te maken.

5.2. [verzoeker] heeft verder in een aantal zaken aangevoerd dat deze ten onrechte door de RvT zijn begroot, omdat in deze dossiers zonder voorbehoud betalingen zijn verricht door [verweerder c.s.]

De rechtbank gaat voorbij aan deze bezwaren van [verzoeker] tegen het afgeven van een begroting door de RvT in door hem genoemde dossiers nu hij zelf in die dossiers om een begroting heeft gevraagd, althans zijn stukken op zodanige wijze aan de RvT heeft gepresenteerd dat deze moest aannemen dat in de overgelegde dossiers om een begroting door [verzoeker] is gevraagd. Verder is, tenzij hierna anders wordt overwogen, in die zaken geen sprake van ‘betalingen zonder voorbehoud’ nu mr. Kurz in de procedure bij de RvT heeft aangevoerd dat door [verzoeker] (zonder voorafgaande goedkeuring door [verweerder c.s.]) voorschotbetalingen niet op de juiste declaraties zijn afgeboekt.

B. Samenvoeging dossiers

5.3. Het bezwaar van [verzoeker] dat de door hem ter begroting ingezonden declaraties afzonderlijk hadden moeten worden beoordeeld is terecht. Uit de door de RvT later in deze procedure ter hand gestelde aantekeningen blijkt dat de RvT de dossiers ook wel per stuk heeft begroot, maar deze in de beslissing gemakshalve heeft samengevoegd. Dit laatste is op zichzelf begrijpelijk, gezien de samenhang tussen de dossiers en het feit dat voor alle dossiers door [verweerder c.s.] één depotbedrag is gestort bij de RvT en betalingen zijn verricht die - zoals hierna nog zal worden overwogen - anders dan [verzoeker] stelt niet aan specifieke dossiers kunnen worden toegerekend.

Nu [verzoeker] echter bezwaren tegen de begroting door de RvT heeft aangevoerd, zal per dossier dienen te worden bezien of de begroting correct is. Met inachtneming van wat in 5.13 is overwogen in verband met de reeds verrichte betalingen door [verweerder c.s.] worden de begrote dossiers derhalve hierbij alsnog in afzonderlijke beschikkingen beoordeeld en vastgesteld.

C. Ontbreken van einddeclaraties

5.4. In een aantal zaken heeft [verzoeker] nog geen (eind)declaratie aan [verweerder c.s.] gezonden of betwist [verweerder c.s.] dat [verzoeker] (eind)declaraties heeft gestuurd.

In een beschikking als deze kunnen daarom aanspraken van [verzoeker] en de betalingsverplichtingen van [verweerder c.s.] niet worden vastgesteld en kan daarvoor geen titel in de vorm van een bevelschrift worden afgegeven. Uit overwegingen van doelmatigheid - zowel de RvT als de rechtbank heeft door de wijze waarop de stukken aan hen zijn voorgelegd een groot aantal uren besteed aan bestudering en beoordeling van de overgelegde dossiers - en ter vermijding van herhaling van deze werkzaamheden nadat [verzoeker] wel zijn declaraties aan [verweerder c.s.] zal hebben gezonden, zal de rechtbank met gebruik van de door [verzoeker] in deze zaak (nader) verstrekte inlichtingen en de begroting door de RvT in de overwegingen van deze beslissing wel een oordeel geven over het aan [verzoeker] in een bepaald dossier toekomend honorarium, zonder echter op dat oordeel in de beslissing thans ook een titel te geven. In de betreffende zaken zal [verzoeker] thans niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek. Desgewenst kan [verzoeker] zodra hij de einddeclaratie in een zaak gereed heeft, deze alsnog laten voorzien van een bevelschrift met gebruikmaking van de uitspraak in deze zaak.

5.4.1. Daarbij is wel van belang dat - zoals hierna onder 5.15 nog nader zal worden toegelicht - een bevelschrift ook niet kan worden afgegeven, indien het een zaak betreft waarin (tevens) de opdracht door [verweerder c.s.] is betwist en in de door [verzoeker] overgelegde stukken of de houding van [verweerder c.s.] onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor het verstrekken van een opdracht in die zaak. In dergelijke zaken zal de burgerlijke rechter zich immers moeten buigen over de vraag of er een opdracht is verstrekt door [verweerder c.s.]

In zaken waarin [verweerder c.s.] echter heeft volstaan met een blote ontkenning van de opdracht, terwijl uit de stukken blijkt dat [verweerder c.s.] betalingen in die zaak heeft gedaan of anderszins gedragingen heeft vertoond waaruit instemming met de werkzaamheden van [verzoeker] blijkt, zal de rechtbank aan de ontkenning van [verweerder c.s.] - nu [verweerder c.s.] in deze procedure ook niet is verschenen - voorbij gaan en aan de hand van de begroting en de einddeclaratie een bevelschrift afgeven.

D. Beoordelingskader

5.5. De Raad heeft in zijn beslissing toegelicht dat in een begrotingsprocedure wordt beoordeeld of een declaratie in de gegeven omstandigheden, mede gelet op het belang van de zaak, de omvang van de verrichte werkzaamheden, de doelmatigheid waarmee deze zijn verricht en het gehanteerde uurtarief redelijk is. Bij de beoordeling van een declaratie op zijn redelijkheid kunnen daarnaast andere factoren een rol spelen zoals de verwachting van de cliënt van de kosten, de informatie van de advocaat hierover voorafgaande aan de werkzaamheden en het resultaat.

Opgemerkt wordt daarbij dat naar het oordeel van de rechtbank van de RvT in het kader van deze toets niet kan worden verwacht dat ieder in mindering gebracht uur apart wordt gemotiveerd (al dan niet gekoppeld aan een specifieke verrichting), nu de dossiers in hun geheel aan de redelijkheidstoets worden onderworpen. Wel had de RvT per dossier een overzicht moeten geven van de (per categorie werkzaamheden) redelijk geachte uren. De RvT heeft in deze procedure desgevraagd alsnog een dergelijk overzicht overgelegd.

5.6. Voorop wordt verder gesteld dat de regeling van artikel 32-40 WTBZ stoelt op de gedachte dat de Raden van Toezicht bij uitstek deskundig zijn in het begroten van declaraties. Uit de beslissing van de RvT, de ter zitting door de Deken en mr. Van Huet gegeven toelichting en de schriftelijke nadere toelichting en uitsplitsing per dossier blijkt dat hij de volledige overgelegde dossiers nauwgezet heeft bestudeerd. In het kader van de onderhavige procedure is in het licht van de deskundigheid van de RvT slechts plaats voor een nadere vaststelling van de declaraties, indien in de begroting van de Raad klaarblijkelijk omissies en/of onjuistheden voorkomen. Het is aan [verzoeker] en [verweerder c.s.] de rechtbank te wijzen op dergelijke tekortkomingen in de begroting door de RvT. [verzoeker] heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en de rechtbank zal in de afzonderlijke dossiers op de bezwaren van [verzoeker] ingaan.

E. Doelmatigheid

5.7. De RvT heeft in zijn begroting onder 4.4 enkele opmerkingen gemaakt over de doelmatigheid van de werkwijze van [verzoeker] in de dossiers, die door de rechtbank grotendeels worden gedeeld. Deze opmerkingen komen er samengevat op neer dat uit de dossiers het beeld naar voren komt dat [verzoeker] de doelmatigheid van zijn werkzaamheden niet altijd voldoende in het oog heeft gehouden. [verzoeker] heeft veel verzoeken van [verweerder c.s.] om iets uit te zoeken gehonoreerd en hiervoor aparte dossiers aangelegd. Daarbij zijn ook werkzaamheden verricht die niet door een advocaat hoeven te worden uitgevoerd, maar waarvoor wel het uurtarief van een advocaat is berekend. Ook is er veel tijd besteed aan besprekingen.

[verzoeker] had in zijn algemeenheid richting [verweerder c.s.] eerder ‘op de rem’ moeten gaan staan en werkzaamheden moeten weigeren. Dit klemt te meer nu in veel zaken geen voorschotdeclaraties zijn verzonden, althans kostenramingen zijn gemaakt, zodat onduidelijk is of [verweerder c.s.] wel op de hoogte was van de oplopende kosten en achteraf een conflict is ontstaan over de meeste door [verzoeker] in de diverse dossiers voorgestelde declaraties. Indien eerder was ingegrepen door [verzoeker] had het zover niet hoeven komen.

De rechtbank is ambtshalve met de werkwijze van [verzoeker] in andere zaken bekend en het is de ervaring van de rechtbank dat [verzoeker] een bewerkelijke manier van procederen heeft. Daarmee is niets gezegd over de juridische juistheid van de aanpak van [verzoeker] in een bepaalde zaak - en al zeker niet in de zaken waarin thans het honorarium moet worden vastgesteld - maar de rechtbank geeft daarmee slechts aan dat zij ermee bekend is dat [verzoeker] in zijn zaken een werkwijze volgt die wat bewerkelijkheid betreft aanzienlijk afwijkt van de werkwijze van een groot aantal van zijn collega’s.

Voor zover [verzoeker] in deze procedure stelt dat hij [verweerder c.s.] wel heeft gewezen op het aanzienlijk oplopen van de kosten ten gevolge van de wijze waarop in het bijzonder [verweerder sub 3] de ene opdracht na de andere aan hem verstrekte en op een in de ogen van [verzoeker] op een buitengewoon bewerkelijke wijze met hem over de zaak communiceerde en onvoldoende geordend stukken ter bestudering aan hem overlegde blijkt van die waarschuwingen van [verzoeker] niet, althans niet voldoende uit de overgelegde en door [verzoeker] ter zitting besproken stukken, een en ander op twee door [verzoeker] overgelegde brieven uit 2006 inzake dossier ‘2006-105 Afwikkeling nalatenschap’ na. Mogelijk bevinden zich (meer van) dergelijke stukken in de ter zitting aanwezige dozen van [verzoeker], maar het had op de weg van [verzoeker] gelegen om dergelijke stukken, ook ongevraagd, zichtbaar te maken. Zou [verzoeker] menen in besprekingen met [verweerder sub 3] voldoende te hebben gewezen op het oplopen van de kosten, dan is de rechtbank van oordeel dat gelet op de wijze waarop de kosten zich hebben ontwikkeld niet kon worden volstaan met een mondelinge mededeling van die aard, nu die niet zonder meer hetzelfde gewicht heeft als een schriftelijke waarschuwing en [verzoeker], ook in het licht van de hierna te bespreken taalproblemen die tussen [verzoeker] en [verweerder sub 3] volgens [verzoeker] zelf bestonden, er op bedacht diende te zijn dat [verweerder sub 3] een dergelijke mondelinge mededeling niet op zijn ware betekenis zou waarderen.

5.8. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat de besprekingen met [verweerder sub 3] en [verweerder sub 2] langer duurden dan gemiddeld omdat er veel moest worden uitgelegd: [verweerder sub 3] beheerst het Nederlands onvoldoende (zij is van Zuid-Afrikaanse afkomst) en [verweerder sub 2] is analfabeet, aldus [verzoeker]. Nu niet is gebleken dat de RvT hier rekening mee heeft gehouden, wordt het redelijk geacht dit in enkele dossiers in enige mate alsnog te doen. In de betreffende dossiers zal de rechtbank daaraan een overweging wijden.

5.9. De RvT heeft terecht overwogen dat werkzaamheden zoals het inboeken van dossiers en het opstellen van specificaties onder de kantooropslag van 5% vallen. Deze werkzaamheden kunnen in beginsel door het secretariaat worden uitgevoerd en het wordt niet redelijk geacht indien hier het uurtarief van een advocaat voor wordt berekend. Dat [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij het inboeken van dossiers zeer systematisch en deugdelijk doet, hetgeen volgens hem later tijd zou besparen, doet hier niet aan af. Tenzij over een bewerkelijke wijze van administreren en organiseren van de dossiers door de advocaat met zijn cliënt bijzondere afspraken worden gemaakt, waarbij ook duidelijk wordt gemaakt dat daaraan extra kosten zijn verbonden, behoeft de cliënt bij het sluiten van de overeenkomst tot dienstverlening met de advocaat niet te verwachten dat hij voor dergelijke werkzaamheden meer verschuldigd is dan de in de advocatuur gebruikelijke kantooropslag van 5%. Van een dergelijke bijzondere afspraak tussen [verzoeker] en [verweerder c.s.] is niet gebleken.Verwacht mag worden dat het secretariaat deze werkzaamheden net zo deugdelijk kan verrichten.

[verzoeker] heeft ter zitting verder aangevoerd dat op verzoek van mr. Kurz in een aantal dossiers (achteraf) een uitvoerige specificatie is opgesteld. Een cliënt heeft evenwel recht op een duidelijke kostenspecificatie, zonder dat hiervoor extra kosten worden berekend. Indien de werkzaamheden van het begin af aan goed worden geadministreerd, hoeft dit ook geen extra tijd te kosten, ook niet indien de advocaat ervoor kiest de uren niet middels een tijdschrijfprogramma op de computer bij te houden. Voor zover is gebleken dat mr. Kurz namens [verweerder c.s.] in een bepaald dossier - in aanvulling op een eerder verstrekte specificatie - om een meer uitgebreide specificatie dan gebruikelijk heeft verzocht, kan hiervoor eventueel wel tijd voor worden gerekend.

5.10. De RvT heeft de tijd in rekening gebracht voor correspondentie bovenmatig geacht, overwegende dat zelfs voor de kleinste briefjes 10 of 12 minuten in rekening zijn gebracht. Ter zitting is gebleken dat het daarbij onder meer gaat om rolberichten en correspondentie met procureurs. [verzoeker] heeft hiertegen aangevoerd dat in andere zaken die hij ter beoordeling aan de RvT heeft voorgelegd de thans opgevoerde tijd voor correspondentie wel redelijk werd bevonden. De rechtbank kan echter niet beoordelen of de toen beoordeelde correspondentie in aard en omvang vergelijkbaar was met de in de onderhavige dossiers gevoerde en in rekening gebrachte correspondentie en gaat daarom voorbij aan de bezwaren van [verzoeker] tegen de uitgangspunten van de RvT op dit punt en maakt die uitgangspunten tot de hare.

D. Uurtarief

5.11. [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift aangegeven dat hij zich kan verenigen met het door de RvT bij de begroting gehanteerde uurtarief van € 205,-. De RvT heeft dit uurtarief evenwel gehanteerd als gemiddelde voor alle dossiers, waarin door [verzoeker] verschillende uurtarieven (soms hoger en soms lager dan € 205,-) zijn berekend. Nu de dossiers apart worden begroot, kan in de zaken waarin vast staat dat [verzoeker] met [verweerder c.s.] een lager tarief heeft afgesproken niet ten nadele van [verweerder c.s.] van een hoger uurtarief worden uitgegaan.

Nu de RvT is uitgegaan van een gemiddeld uurtarief, zal ter compensatie van de nadelige gevolgen die dit in het kader van de herbegroting per dossier voor [verzoeker] zal hebben, in de dossiers waarin een hoger uurtarief met [verweerder c.s.] is overeengekomen bij de herbegroting van dit hogere uurtarief worden uitgegaan, een en ander uiteraard voor zover dit redelijk is gelet op de aard van de zaak en de uitgevoerde werkzaamheden.

E. Betalingen door [verweerder c.s.]

5.12. Reeds betaalde declaraties vallen buiten begrotingsprocedures, nu deze als erkend kunnen worden aangemerkt, tenzij het gaat om voorschotdeclaraties. In dat geval kunnen de einddeclaraties worden begroot door de RvT en worden herbegroot door de rechtbank.

5.13. Bij het afgeven van een executoriale titel door de rechtbank voor de (her)begrote declaraties dient in beginsel rekening te worden gehouden met de reeds betaalde bedragen, welke van de af te geven titel dienen te worden afgetrokken.

Nu [verzoeker] in dit geval zelf (voorschot)betalingen door [verweerder c.s.] heeft toegerekend aan diverse dossiers en door [verweerder c.s.] is betwist dat dit correct is gebeurd, kan hiermee in deze beschikking geen rekening worden gehouden. In het kader van deze procedure is niet te beoordelen in hoeverre de toerekening door [verzoeker] op correcte wijze is geschied. [verzoeker] zal bij het executeren van de in het kader van de herbegroting af te geven beschikkingen uiteraard rekening dienen te houden met de reeds betaalde bedragen. Voor zover [verweerder c.s.] menen dat betaling van reeds betaalde facturen wordt gevorderd, kunnen [verweerder c.s.] dit zo nodig aan de orde stellen in een executiegeschil.

F. Verschotten

5.14. Verschotten komen niet voor begroting in aanmerking, maar zullen - indien deze onweersproken en duidelijk zijn - in het kader van de doelmatigheid wel bij de in deze af te geven executoriale titel in aanmerking worden genomen.

G. Betwisting opdracht

5.15. De RvT heeft terecht geoordeeld dat in het kader van de begrotingsprocedure niet kan worden ingegaan op het verwijt van [verweerder c.s.] dat [verzoeker] in bepaalde dossiers werkzaamheden heeft verricht, waarvoor geen opdracht is gegeven, nu dit is voorbehouden aan de burgerlijke rechter.

Een dergelijk verwijt staat het begroten van een dossier niet in de weg.

Zoals hiervoor onder 5.4.1 ook al aan de orde is geweest, kan echter - indien onduidelijk is gebleven of voor een bepaald dossier wel opdracht tot het verrichten van werkzaamheden is gegeven door [verweerder c.s.] - in de begrotingsprocedure geen executoriale titel worden afgegeven voor die zaak. De burgerlijke rechter zal dan eerst dienen te oordelen over de vraag of sprake was van een opdracht en vervolgens een executoriale titel kunnen afgeven ter hoogte van de begrote bedragen, tenzij het gaat om een zaak waarin de betwisting van de opdracht door [verweerder c.s.] niet nader is gemotiveerd en er aanknopingspunten in de stukken te vinden zijn, waaruit blijkt van de instemming van [verweerder c.s.] met de werkzaamheden van [verzoeker].

Dat in de door [verzoeker] aangespannen kort gedingprocedure [verweerder c.s.] wel al is veroordeeld tot betaling van voorschotten op de declaraties doet aan het voorgaande niet af, nu het daarbij gaat om betaling van een voorschot bij wijze van een voorlopige voorziening, waarbij geen uitspraak is gedaan over de verschuldigdheid op grond van de ter begroting ingediende (eind)declaratie in een individuele zaak.

Overwegingen met betrekking tot dossier ‘2006-105 e.v. Afwikkeling Nalatenschap’

5.16. In het dossier ‘PS 2006-105 e.v. Afwikkeling Nalatenschap’ stelt [verzoeker] werkzaamheden te hebben verricht in de periode van augustus 2006 tot en met 31 januari 2008. Volgens de toelichting van [verzoeker] op dit dossier moest een eerder tot stand gekomen boedelscheiding in verband met de nalatenschap van de vader van [verweerder sub 2] vernietigd worden. [verweerder sub 2] zou door zijn moeder, tevens bewindvoerster, voor enkele honderdduizenden euro’s benadeeld zijn. De moeder van [verweerder sub 2] diende tevens aansprakelijk te worden gesteld. [verzoeker] zegt bij aanvang van de zaak vier of vijf dikke ordners te hebben ontvangen met ongeordende originele stukken. [verweerder sub 3] bracht in de maanden daarna nog meer enveloppen met ongeordende stukken. Omdat de stukken incompleet waren heeft [verzoeker] aanvullende stukken moeten opvragen. Met betrekking tot het belang in deze zaak heeft [verzoeker] in zijn pleitnota toegelicht dat hem bij brief van 2 november 2007 is verzocht om beslag te leggen ten laste van de moeder van [verweerder sub 2] voor een bedrag van € 181.500,-. De vordering op de moeder van [verweerder sub 2] is door [verweerder sub 3] in een latere brief becijferd op NLG 971.000,-.

5.17. [verzoeker] stelt in deze zaak een uurtarief te hebben gerekend van € 205,-. Op 15 december 2006 is een voorschotdeclaratie gezonden (nr. 2006.268) voor een bedrag van € 6.098,75 (€ 5.000,- salaris, € 125,- kantoorkosten en € 973,75 BTW) die volgens [verzoeker] in twee fasen is betaald: Volgens de brief van [verzoeker] van 30 april 2010 is deze declaratie deels voldaan door verrekening op 26 april 2007 met een ontvangen ‘betaling’ van € 13.000,- die door [verzoeker] op verschillende zaken is afgeboekt (overigens is volgens de door [verzoeker] later overgelegde grootboekmutatie-uitdraai uit 2008 sprake van een verrekening met een derdengeldensaldo) en is het hierna resterende bedrag (€ 2.806,17) in dit dossier vervolgens separaat voldaan op 28 maart 2008. Bij fax van 26 mei 2010 heeft [verzoeker] hiervan een betalingsbewijs overgelegd.

In zijn brief met bijlagen van 30 april 2010 noemt [verzoeker] nog een tweede in deze zaak verzonden voorschotdeclaratie (nr. [nr]) van 17 september 2009 ten bedrage van € 7.500,- (€ 6.000,- salaris, € 280,- kantoorkosten, € 20,- uittreksel KvK, € 2,52 uittreksel GBA en € 11.197,48 BTW). Op de bijgevoegde declaratie staat dat deze grotendeels door [verzoeker] is verrekend met derdengelden uit een ander dossier.

Het valt op dat deze voorschotdeclaratie verzonden is, nadat de werkzaamheden in dit dossier al geruime tijd eerder waren geëindigd. Nu noch deze tweede voorschotdeclaratie, noch voornoemde verrekening door [verzoeker] zijn genoemd in (de bijlage bij) het begrotingsverzoek, zal hieraan worden voorbijgegaan.

5.18. Op 8 februari 2008 heeft [verzoeker] een zes pagina’s tellende specificatie van zijn werkzaamheden opgesteld. Uit deze specificatie blijkt dat in dit dossier tevens werkzaamheden in een drietal ‘subdossiers’ zijn geboekt. Er is in deze zaak nog geen einddeclaratie gezonden.

[verzoeker] stelt in deze zaak 62,33 uur te hebben gewerkt voor € 205,- per uur. Deze uren zijn als volgt samengesteld:

A. (aanvangswerkzaamheden) 142 minuten

B0. (correspondentie basisdossier) 743

B1. (correspondentie subdossier 1) 27

B2. (correspondentie subdossier 2) 27

B5. (correspondentie subdossier 5) 112

C. (kantoor- en verdere besprekingen) 690

D. (telefonische besprekingen) 144

E. (processuele werkzaamheden) 385

F0. (verdere werkzaamheden, o.a. opvragen en

bestuderen stukken, kopiëren van stukken,

‘verder opruimwerk’, adviseren) 805

F1. (verdere werkzaamheden in subdossier 1) 315

F2. (verdere werkzaamheden in subdossier 2) 180

F5. (verdere werkzaamheden in subdossier 5) 170

Totaal 3740 minuten

(62,33 uur)

De (niet verzonden) einddeclaratie zou volgens het begrotingsverzoek van [verzoeker] als volgt moeten luiden:

Salaris 62,33 uur x € 205,- € 12.777,65

Kantoorkosten 5% € 638,88

Belaste verschotten

(uittreksels directie Noord-West) € 20,00

BTW € 2.552,94

Totaal € 15.989,47

Het volgens [verzoeker] betaalde voorschot van € 6.098,75 zou hierop volgens hem in mindering moeten worden gebracht.

5.19. Mr. Kurz heeft in deze zaak in zijn brief van 15 december 2008 aan de RvT betwist dat in deze zaak door [verweerder c.s.] opdracht is verstrekt aan [verzoeker] alsmede dat in deze zaak een voorschot van € 6.098,75 zou zijn voldaan. Er zouden in deze zaak verder werkzaamheden worden opgevoerd die ook in andere dossiers zouden zijn opgevoerd (dossier [verweerder sub 2]/Bewindvoering [verweerder sub 2], 2006.107), zodat de specificatie dubbeltellingen bevat. Bovendien heeft [verzoeker] verzuimd een einddeclaratie te zenden.

5.20. De RvT heeft in haar aantekeningen de door [verzoeker] berekende uren en de hierop toe te passen matiging als volgt genoteerd:

‘Salaris 62,33 uur à 205 (…)

Ongeveer 62,5 uur, waarvan:

22,5 uur aan studie en ordenen

6,5 uur aan dagvaarding in concept (scheiding en deling)

11,5 uur aan besprekingen

15 uur aan correspondentie)

2,5 uur aan telefoon

Opst specificatie 2 uur

Matiging: 20 uur (o.m. corresp: 5 uur, ordenen studie: 7,5 uur specificatie schrappen 2,5 uur en 5,5 uur aan besprekingen)’

De rechtbank constateert dat de RvT deels een andere indeling van de werkzaamheden hanteert dan [verzoeker]. Kennelijk heeft de RvT de werkzaamheden voor het opstellen van de specificatie van 2 uur, die bij [verzoeker] onder F5 staan opgenomen, gesplitst van de post ‘studie en ordenen’.

De RvT komt in totaal overigens op 60 uur uit in plaats van de door [verzoeker] berekende 62,33 uur. Het lijkt erop dat dit komt doordat de RvT de 142 minuten (2,3 uur) ‘aanvangswerkzaamheden’ niet in zijn schema heeft opgenomen. Deze werkzaamheden staan overigens ook niet genoemd bij de door de RvT gematigde werkzaamheden. De rechtbank zal deze werkzaamheden wel in de beoordeling betrekken. Ook het totaal te matigen uren komt op 20,5 in plaats op de in totaal door de RvT genoteerde 20 uur. Vermoedelijk omdat er 2,5 uur staat bij ‘schrappen specificatie’ terwijl voor deze post in het overzicht van de RvT feitelijk 2 uur staat genoteerd.

5.21. Hoewel door de wijze van beoordelen door de RvT van de specificaties van [verzoeker] en afrondingen in dit dossier verschillen blijken te ontstaan in de totalen is dat in het kader van de herbegroting door de rechtbank niet van belang, nu de rechtbank bij de beoordeling uitgaat van het totaal aantal door [verzoeker] opgegeven uren en de door de RvT daarop toegepaste matigingen. Aldus zal het aantal te honoreren uren opnieuw worden opgeteld.

5.22. Met betrekking tot de post ‘correspondentie’ heeft [verzoeker] ter zitting gesteld dat hij geen zinloze correspondentie heeft gevoerd. Aan deze stelling zal voorbij worden gegaan en de matiging door de RvT van 5 uur voor deze post zal door de rechtbank worden overgenomen. Zoals hiervoor is overwogen heeft de RvT het volledige dossier onder ogen gehad en kennelijk is volgens de RvT in zijn algemeenheid te veel tijd voor deze post in rekening gebracht, omdat veelal sprake is van korte (standaard) brieven (zoals bijvoorbeeld het doorzenden van stukken aan cliënt, waarvoor niet zoveel tijd in rekening kan worden gebracht. Voor deze post kan dan 10 uur in rekening worden gebracht.

5.23. Er is door de RvT 7,5 uur geschrapt voor de post ‘ordenen en studie’. [verzoeker] heeft betoogd dat alle stukken zeer ongeordend werden aangeleverd. Desalniettemin wijkt de werkwijze van [verzoeker] (het in vergaande mate zelf ordenen van de stukken) af van wat meer gebruikelijk is (dwz. cliënten vragen stukken zoveel mogelijk geordend aan te leveren, althans hen te waarschuwen voor de kosten indien dit niet gebeurt). Eventueel hadden de stukken ook geordend kunnen worden door het secretariaat van [verzoeker]. Een cliënt hoeft er niet op te rekenen dat hiermee zoveel uur gemoeid zou zijn tegen een volledig uurtarief. De rechtbank acht het evenwel redelijk om in plaats van 7,5 uur voor deze post, 5 uur voor deze post te schrappen. Voor deze post kan dan 17,5 uur in rekening worden gebracht.

5.24. De RvT heeft de posten ‘opstellen specificaties’ in beginsel terecht geschrapt, maar gelet op de bewerkelijkheid van de specificatie in deze zaak zal hiervoor in dit geval rekening worden gehouden met één uur.

5.25. Door de RvT is verder van de 11,5 uur aan besprekingen 5,5 uur geschrapt, zodat 6 uur resteerde. De rechtbank acht het redelijk om, gelet op wat hiervoor is overwogen, voor deze post rekening te houden met 7,25 uur.

5.26. De posten ‘opstellen dagvaarding’ van 6,5 uur en ‘telefoon’ van 2,5 uur zijn door de RvT niet gematigd en de rechtbank zal deze derhalve overnemen.

5.27. Nu met betrekking tot de post ‘aanvangswerkzaamheden’ door de RvT niets staat genoteerd bij de ‘te matigen werkzaamheden’, zal deze post geheel worden meegenomen. De rechtbank acht het redelijk hiervoor rekening te houden met 2 uur.

Conclusie van het voorgaande is dat in totaal 46,75 in rekening kan worden gebracht (10 + 17,5 + 1 + 7,25 + 6,5 + 2,5 + 2) tegen een honorarium van € 205,00.

5.28. De herbegroting luidt dan als volgt:

Honorarium 46,75 uur

van € 205,00: € 9.583,75

Kantoorkosten 5% € 479,19

€ 10.062,94

Belast verschot € 20,00

€ 10.082,94

BTW 19% € 1.915,76

Totaal € 11.998,70

5.29. Aan het verweer van [verweerder c.s.] dat in deze zaak geen opdracht is verstrekt aan [verzoeker] kan worden voorbijgegaan, nu uit de door [verzoeker] overgelegde specificatie is gebleken dat door de [verweerder sub 1] op 28 maart 2008 het restant van € 2.806,17 van de in deze zaak verzonden voorschotdeclaratie is voldaan onder vermelding van het dossiernummer en de dossiernaam van deze zaak. Verder zijn door [verzoeker] ter zake van dit dossier 2 brieven uit 2006 overgelegd, waarin de opdracht in dit dossier aan [verweerder c.s.] wordt bevestigd.

Daarmee mag worden aangenomen dat [verweerder c.s.], ondanks dat hij nu een andere mening is toegedaan, voor deze zaak wel opdracht heeft gegeven.

5.30. Nu [verzoeker] in deze zaak geen einddeclaratie heeft gezonden, is - zoals hiervoor is overwogen - [verzoeker] desalniettemin niet ontvankelijk in zijn verzoek om een bevelschrift voor dit bedrag af te geven.

6. BESLISSING

Verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoek.

Gegeven te Amsterdam op 10 juni 2010 door de vicepresident in voormelde rechtbank mr. J.A.J. Peeters, tot het geven van deze beschikking ingevolge artikel 33 van de Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken benoemd.

Coll.