Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM8233

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
451304 / FA 10-1230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen besluit tot verlenging huisverbod, opgelegd aan jongmeerderjarige zoon. Gelet op de voorgeschiedenis blijkens politie mutaties, het letsel bij de moeder en de angst bij de minderjarige kinderen in het gezin heeft verweerder zich - naar niet is betwist - op goede gronden bevoegd geacht het huisverbod op te leggen. Gelet voorts op het feit dat in de situatie niets is veranderd doordat de uithuisgeplaatste niet heeft meegewerkt aan een hulpverleningstraject heeft verweerder op goede gronden kunnen menen dat het gevaar voor de huisgenoten op het moment van het verlengingsbesluit niet was geweken. Geen effect voorlopige hechtenis. Geen onevenredige belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

zaaknummer / rekestnummer: 451304 / FA 10-1230

Uitspraak van 12 mei 2010 betreffende tijdelijk huisverbod

(artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht)

in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.S. Pot te Amsterdam,

hierna: de man,

en

De burgemeester van de gemeente Amsterdam,

zetelende te Amsterdam,

hierna: verweerder,

in welke zaak belanghebbende is:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: de moeder.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2010 heeft verweerder aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

De burgemeester heeft het huisverbod bij besluit van 29 januari 2010 verlengd tot 18 februari 2010.

Tegen dit laatste besluit (hierna ook: het bestreden besluit) heeft de man op 15 februari 2010 beroep ingesteld

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2010. Verweerder heeft zich

daar doen vertegenwoordigen door mevrouw [vertegenwoordiger verweerder]. De man was daar aanwezig, bijgestaan door zijn advocaat. Verder zijn verschenen de moeder van de man, mevrouw [belanghebbende].

2. De overwegingen

2.1 De feiten

Bij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De man en zijn moeder wonen gezamenlijk op het adres [adres] (hierna: de woning) en zijn daar beiden ingeschreven. Tevens zijn de twee minderjarige kinderen van de moeder in de woning woonachtig, te weten [kind 1] (13 jaar) en [kind 2] (9 jaar). De man is de oudere broer van voornoemde minderjarige kinderen. De vader van de man is enige jaren geleden overleden.

Op 21 januari 2010 heeft zich in de woning tussen de man en zijn moeder een geweldsincident voorgedaan in de huiselijke sfeer. De moeder heeft hierop de politie gealarmeerd met de mededeling dat de man haar had geslagen en geschopt. De verbalisanten die ter plaatse zijn geweest, troffen twee kinderen aan. De kinderen hebben aan de verbalisanten aangegeven bang te zijn voor hun broer. De verbalisanten hebben voorts letsel bij de moeder geconstateerd. Zij hebben een proces-verbaal van bevindingen opgesteld, welk stuk zich onder de processtukken bevindt. De moeder heeft vervolgens aangifte gedaan op het politiebureau en de man is aangehouden ter zake van mishandeling.

De hulpofficier van justitie heeft de situatie getoetst in het kader van een eventueel op te leggen huisverbod aan de hand van het daartoe ingevulde Risicotaxatie-instrument (hierna: RiGH), dat bij bestreden besluit is overgelegd. Hij is op basis van de feiten en omstandigheden tot de conclusie gekomen dat er een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van de vrouw en de kinderen was, dan wel dat het vermoeden daartoe bestond. Hij is daartoe blijkens het door hem opgemaakte procesverbaal van bevindingen gekomen op basis van -kort gezegd- de volgende feiten en omstandigheden. In het afgelopen jaar zijn er vier mutaties opgemaakt waaruit blijkt dat de man aanstichter was van huiselijk geweld. De moeder van de man verklaarde dat zij vaker door haar zoon werd geslagen en uitgescholden, maar dat dit de eerste keer was dat zij aangifte deed. De politie heeft op 21 januari 2010 letsel op de linkerarm van de moeder. De in de woning aanwezige minderjarige kinderen hebben eveneens verklaard bang te zijn voor de man. Het geweld is in de loop der tijd toegenomen en ontstaat steeds zonder enige aanleiding. In de woning zijn meerdere vernielingen aangetroffen. Er waren signalen dat de man (excessief) softdrugs gebruikt. De Raad voor de Kinderbescherming is betrokken bij het gezin.

Bij besluit van 21 januari 2010 heeft verweerder de man gelast de woning onmiddellijk te verlaten en deze niet te betreden of zich in de omgeving daarvan op te houden, gedurende de periode van 21 januari 2010 te 21.35 uur tot 31 januari 2010 te 21.35 uur, alsmede hem verboden om met zijn moeder en voornoemde kinderen contact op te nemen gedurende die periode.

Op 21 januari 2010 is de man op last van de hulpofficier van justitie in verzekering gesteld voor een periode van drie dagen. De voorlopige hechtenis is verlengd en op 16 februari 2010 opgeheven.

Op 28 januari 2010 is door het Steunpunt Huiselijk Geweld Amsterdam een advies uitgebracht tot verlenging van het huisverbod.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verlenging van het huisverbod van 21 januari 2010 gelast, namelijk over de periode van 31 januari 2010 te 21.35 uur tot 18 februari 2010 te 21.35 uur. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op artikel 9 van de Wet van 9 oktober 2008, houdende regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod, Stb 2008, 421, hierna: Wth).

Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit is de man niet gehoord over het voornemen het huisverbod te verlengen, nu hij, ondanks verzoek daartoe, geen contact (met verweerder) heeft opgenomen. Ook de moeder is over dit voornemen niet gehoord.

Het bestreden besluit heeft verweerder gegrond op de stelling dat de dreiging van het gevaar, dan wel het ernstig vermoeden daarvan, als uiteengezet in het besluit van 21 januari 2010, zich thans voortzet en dat het belang bij verlenging van het huisverbod, namelijk het bieden van veiligheid aan belanghebbenden en het op gang komen van hulpverlening, zwaarder weegt dan het belang van de man om zich vrijelijk in en rondom de woning te kunnen begeven. Ter onderbouwing van de stelling dat de dreiging van gevaar of het ernstig vermoeden daarvan niet is geweken heeft verweerder aangevoerd dat er een historie is van huiselijk geweld, dat de hulpverlening nog niet op gang is gekomen door in eerste instantie de weigering van de man om mee te werken aan het hulpverleningstraject terwijl hij in detentie was en dat er onzekerheid bestond over de duur van de voorlopige hechtenis. Daarnaast heeft verweerder zijn besluit mede gegrond op het advies van 28 januari 2010 van het Steunpunt Huiselijk Geweld Amsterdam.

De man heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat er geen gronden zijn die de noodzaak van de verlenging van het huisverbod rechtvaardigen, nu de man ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in detentie zat. De man heeft voorts gesteld dat hij zijn moeder tijdens genoemd incident slechts een duw heeft gegeven en dat verlenging van het huisverbod slechts gebaseerd is geweest op de verklaring van zijn moeder op 21 januari 2010. De man acht deze verklaring onvoldoende om het bestreden besluit te dragen. De man heeft voorts ter zitting gesteld dat hij zich het besluit tot het opleggen van het huisverbod kon voorstellen in het kader van het te verrichten onderzoek, maar dat de verlenging van het huisverbod ongegrond is geweest. Volgens de man mag aan de mutaties geen betekenis worden toegekend. De verlenging is slechts uit voorzorg geschied en volgens de man wordt dit niet als criterium in de Wth genoemd om een huisverbod te verlengen.

2.2 De beoordeling

Op grond van artikel 2 Wth kan de burgemeester een huisverbod als het onderhavige opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Op grond van artikel 9 Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

De rechter heeft dan ook allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder op grond van feiten of omstandigheden ten minste een ernstig vermoeden heeft kunnen hebben dat de aanwezigheid van de man in de woning op 31 januari 2010 nog steeds een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van één of meer van zijn huisgenoten.

Deze vraag beantwoordt de rechter bevestigend op grond van de volgende overwegingen.

De man heeft niet betwist dat het huisverbod op goede gronden is opgelegd. Blijkens de opmerking ter zitting van de man dat hij zich het besluit tot huisverbod op 21 januari 2010 kon voorstellen erkent de man dat er op die datum feiten en omstandigheden waren die een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de huisgenoten door de aanwezigheid van de man in de woning rechtvaardigden.

In hetgeen zich vervolgens heeft voorgedaan ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat in de situatie nadien verandering is opgetreden.

De rechtbank baseert zich hierbij in de eerste plaats op de ernst van het incident op 21 januari 2010, bezien in samenhang met het aantal meldingen van huiselijk geweld binnen het gezin en de reactie van jongere kinderen in het gezin op het gedrag van de man. Hoewel de politiemutaties geen bewijs van de eerdere geweldsincidenten opleveren vormt dit voor de rechtbank – anders dan voor de man – voldoende aanleiding om aan te nemen dat zich in het verleden eerder geweldsincidenten hebben voorgedaan. Voorts acht de rechtbank in dit verband van belang dat het niet mogelijk is gebleken om met de man in gesprek te komen over eventuele hulpverlening. Verweerder heeft hierover onweersproken gesteld dat de start van enige hulpverlening door de houding van de man is mislukt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder gezien de ernst van het incident, de voorgeschiedenis daarvan en het uitblijven van hulpverlening op goede gronden heeft kunnen menen dat de dreiging van het gevaar dan wel het ernstig vermoeden daarvan op 31 januari 2010 niet was geweken. De opmerking van verweerder ter zitting dat het huisverbod uit voorzorg is verlengd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

De omstandigheid dat de man tot 16 februari 2010 in voorlopige hechtenis verbleef doet aan het voorgaande niet af. Bij het nemen van het bestreden besluit kon verweerder immers niet weten wanneer de voorlopige hechtenis zou worden opgeheven. Daarbij komt dat het huisverbod mede een contactverbod met de huisgenoten inhield, terwijl de voorlopige hechtenis aan contact niet in de weg stond.

Verweerder was naar het oordeel van de rechter dan ook bevoegd tot het verlengen van het huisverbod.

De rechter staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het verlengen van het huisverbod heeft kunnen komen. Deze vraag beantwoordt de rechter bevestigend op grond van de volgende overwegingen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het belang van de moeder en de in het gezin aanwezige kinderen, in het bijzonder hun psychische en fysieke welzijn, zwaar heeft laten wegen. Daartegenover heeft verweerder het belang van de man bij een ongestoord gebruik van de woning bij het bestreden besluit in aanmerking genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de voor de man nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel, te weten het creëren van veiligheid voor de huisgenoten en een afkoelingsperiode en ruimte voor hulpverlening voor alle betrokkenen.

De omstandigheid dat de man – naar hij heeft gesteld – langer in voorlopige hechtenis is gehouden om reden dat hij ten gevolge van het verlengde huisverbod geen woonruimte had doet aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft met het gestelde feit – wat daarvan ook zij – bij het nemen van het besluit in redelijkheid geen rekening kunnen houden.

De rechtbank oordeelt dat de door verweerder gemaakte belangenafweging niet in strijd is met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel.

Het beroep is dan ook ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Hoogendijk, rechter, en op 12 mei 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L.R. Dávila Talavera, griffier..

De griffier: De rechter:

1 Afschrift verzonden op: