Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM8167

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
454383 / FA RK 10-2232 en 454409 / KG ZA 10-603
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het besluit wordt vernietigd wegens strijd met het in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beginsel dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 2 Wth vereist een bredere afweging dan de enkele constatering dat zich een geweldsincident heeft voorgedaan, en dat het slachtoffer herhaling vreest. Alhoewel het RiHG geen instrument is dat ingevolge de Wth verplicht dient te worden toegepast, geeft dit door de regelgever ontworpen hulpmiddel wel aan in welke context de in artikel 2, eerste lid, Wth genoemde feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 454383 / FA RK 10-2232 en 454409 / KG ZA 10-603 (TG KO)

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 22 maart 2010 betreffende tijdelijk huisverbod

(artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht)

Zitting hebben:

mr. T.P.J. de Graaf, als voorzieningenrechter,

mr. K. van Oirschot, als griffier.

in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker (hierna: de man)

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te [woonplaats],

gemachtigde mr. J.H.D. Luteijn,

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder.

zetelende te Amsterdam,

hierna: verweerder

in welke zaak belanghebbenden zijn:

[belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats]

(hierna: de vrouw)

en

[belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats],

(hierna: de stiefzoon)

1. Het procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft verweerder aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de man bij brief van 18 maart 2010 beroep ingesteld. Tevens heeft de man bij brief van 18 maart 2010 de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het verzoek en het beroep zijn ter zitting gevoegd behandeld.

De man is daar verschenen, bijgestaan door mr. Luteijn. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J. Pot.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 22 maart 2010 heeft de rechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechter gewezen op de rechtsmiddelen, zoals onder aan dit proces-verbaal vermeld.

De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

2. De beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Awb (hierna: Awb) af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311

3. De overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De rechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Dit betekent dat verzoeker geen belang meer heeft bij een beslissing op zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom is dit verzoek afgewezen.

3.1 De feiten

Bij de beoordeling van het verzoek gaat de rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De man, de vrouw en meerderjarige zoon van de vrouw wonen gezamenlijk op het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) en zijn daar allen ingeschreven.

In het dossier bevinden zich het bestreden besluit, het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG), een proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie, een proces-verbaal van aangifte door de vrouw, een proces-verbaal van aangifte van de stiefzoon, een proces-verbaal van de aanhouding van de man, een proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant 1], een proces-verbaal van 16 maart 2010 te 17.10 uur van het verhoor van de man , een proces-verbaal van 16 maart 2010 te 18.10 uur van het verhoor van de man bij inverzekeringstelling en een bevel tot inverzekeringstelling waarin het volgende wordt vermeld.

Verbalisant [verbalisant 1] ontving op 16 maart 2010 te 13.05 uur een melding van huiselijk geweld en is met een collega ter plaatse gegaan. In de woning troffen zij aan de man, de vrouw en de stiefzoon. De vrouw verklaarde onder andere aan de verbalisant dat zij al meerdere keren door de man is geslagen. Bij haar is geconstateerd dat haar rechteroog blauw was. Hierop is de man aangehouden wegens eenvoudige mishandeling. De stiefzoon verklaarde daarna dat hij zijn moeder zoveel mogelijk tegen haar man beschermt en dat hij hierdoor bedreigd is met de dood door de man en klappen van de man heeft opgelopen.

Zowel de vrouw als de stiefzoon hebben vervolgens op het politiebureau aangifte gedaan van eenvoudige mishandeling. Ten aanzien van het incident dat tot de aanhouding heeft geleid heeft de vrouw blijkens het proces-verbaal van aangifte verklaard dat de man, nadat hij de computer van de stiefzoon zonder overleg had uitgezet de radio keihard aanzette. Hij heeft de vrouw, nadat zij tot tweemaal toe de muziek zachter zette een vuistslag gegeven op haar rechteroog. Vervolgens heeft de man volgens de vrouw een poging gedaan de stiefzoon een vuistslag te geven, maar deze wist zich af te weren met zijn handen. De man heeft daarop de duim van de stiefzoon vastgepakt den daar met kracht aan getrokken. Ten slotte begaf de man zich naar de messenset. De vrouw kon het messenset wegduwen. Volgens de vrouw heeft de man haar en haar zoon in het verleden meerdere malen mishandeld, en heeft hij haar in juli 2007 verkracht. Zij heeft echter nooit aangifte gedaan omdat zij vreselijk bang was voor de man. Ook heeft zij verklaard dat zij bang is dat de man haar gaat vermoorden, omdat ze naar de politie is geweest.

De stiefzoon heeft ten aanzien van het incident verklaard dat de man tegen hem schreeuwde dat hij zijn huis uit moest gaan en dat hij met kracht de laptop dichtklapte terwijl zijn hand ter nog tussen zat, als gevolg waarvan de duim van de stiefzoon nog gevoelig is. Volgens de stiefzoon had de man op dat moment niet gedronken. Voorts heeft hij verklaard dat de man de vrouw een vuistslag gaf tegen haar rechteroog, waarna de vrouw meteen naar boven rende en begon te huilen.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van de man heeft hij verklaard dat de stiefzoon weigerde zijn headset op te zetten bij het luisteren van muziek op de computer en dat dit bij hem in het verkeerde keelgat schoot. Hij erkent dat hij zelf harde muziek heeft opgezet en de laptop per ongeluk heeft dichtgeklapt terwijl de vinger van de stiefzoon er tussenzat. Hij heeft verder verklaard dat als hij de vrouw zou hebben geslagen er sprake is geweest van schoppende en slaande bewegingen in zijn richting en dat een vuistslag van zijn zijde in een paar ogenblikken gebeurd zou moeten zijn. De man erkent dat het in de relatie met de vrouw niet goed gaat. Ten aanzien van mishandelingen in het verleden heeft hij verklaard dat de vrouw ook wel eens naar hem uitgehaald had en hij dat ook naar haar toe deed. Hij ontkent dat hij de stiefzoon zou hebben mishandeld. Ook ontkent hij bedreiging van de stiefzoon en de vrouw.

Bij de beoordeling van de zaak heeft de hulpofficier van Justitie gebruik gemaak van het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG). Vervolgens heeft hij namens verweerder het bestreden besluit genomen en aan de man bekendgemaakt.

In het bestreden besluit is onder meer vermeld dat verzoeker zijn echtgenote in het gezicht heeft gestompt en zijn stiefzoon heeft mishandeld.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de man gelast de woning onmiddellijk te verlaten en deze niet te betreden of zich in de omgeving daarvan op te houden, gedurende de periode van 16 maart 2010, 22.30 uur tot 26 maart 2010, 22.30 uur, alsmede hem verboden om met de vrouw en de stiefzoon contact op te nemen gedurende die periode. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 9 oktober 2008, houdende regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod, Stb 2008, 421, hierna: Wth).

De man heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat er allereerst geen sprake is van dreiging van huiselijk geweld dat een huisverbod rechtvaardigt. De man erkent dat er problemen zijn tussen de vrouw en hem en dat deze dienen te worden opgelost. De man accepteert dan ook de aangeboden hulp en werkt daaraan mee. Ook zal hij zijn medewerking verlenen aan de echtscheiding. De man is daarnaast ’s nachts alleen in de woning, omdat de vrouw van 16.30 tot 20.30 werkt en sinds vier maanden na haar werk bij een vriendin overnacht. De meerderjarige stiefzoon heeft een relatie waar hij ’s nachts overnacht. De vrouw en de stiefzoon eten overdag in de woning en kijken samen naar een televisieprogramma en de man is bereid om hen die ruimte tussen 12.00 en 17.00 te geven en dan ook niet aanwezig te zijn in de woning. Ten aanzien van het geweldsincident merkt de man op dat dit te zwaar is aangezet. Volgens de betrokkene is er wel sprake geweest van onenigheid, waarbij een worsteling is ontstaan. Daarbij is de vrouw in het gezicht geraakt. De man betwist dat hij daarbij dreigende taal heeft geuit of heeft gedreigd de vrouw te doden. De man bestrijdt tevens dat er sprake zou zijn geweest van verkrachting of aanranding. Er is nooit aangifte gedaan tegen de man, noch zijn er mutaties. Hij heeft belang bij gebruik van de echtelijke woning, omdat hij momenteel geen passende huisvesting heeft en onvoldoende inkomsten om passende woonruimte of een hotel te betalen. In verband met de beëindiging van zijn arbeidscontract is de man sinds 9 maart 2010 aangewezen op een WW-uitkering waarvan de aanvraag nog loopt. De man heeft dan ook belang bij toegang tot zijn papieren en computerbestanden.

Ter zitting heeft de man gepersisteerd in zijn standpunt dat het besluit ongegrond is. Er had volgens de man meer onderzoek moeten worden gedaan naar de werkelijke situatie van partijen. De besluitvorming is vooral gebaseerd op de aangifte van de vrouw en het bij haar waargenomen letsel, waarvan niet is komen vast te staan dat dit door de man is aangericht. Ten aanzien van het tweede beoordelingsmoment heeft de man verklaard dat de verklaringen van de vrouw en de stiefzoon in hun aangiftes op sommige punten tegenstrijdig zijn, zoals het vastpakken van de duim van de stiefzoon door de man, en het wegduwen van de man bij de messenset in de keuken. De man bestrijdt dat hij de vrouw zou hebben bedreigd of dat hij seksueel geweld jegens haar heeft gebruikt. Aan deze aantijgingen dient aan ook voorbij te worden gegaan. Op dit moment is er in ieder geval geen aanleiding meer voor het huisverbod, aangezien de man heeft afgesproken met de hulpverlening dat hij de relatie met de vrouw wenst te beëindigen.

Namens verweerder is verklaard ter zitting dat hoe dan ook is komen vast te staan dat de hulpofficier geconstateerd heeft dat de vrouw een vuistslag heeft gehad en daarbij letsel heeft opgelopen en de vrouw heeft aangegeven toekomstig geweld te vrezen, hetgeen voldoende grond oplevert voor het opleggen van een huisverbod. Ten aanzien van het RiHG wordt verklaard dat het een hulpmiddel betreft, dat in samenhang met de processen-verbaal dient te worden bekeken. Verweerder ziet geen aanleiding om de werking van het besluit op te schorten, nu zij nog geen advies heeft ontvangen van de hulpverlening na het tweede gesprek dat met de man heeft plaatsgevonden.

3.2 De beoordeling

Op grond van artikel 2 Wth kan de burgemeester een huisverbod als het onderhavige opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Hieruit volgt dat de burgemeester alleen dan een huisverbod kan opleggen als zich een gevaar of ernstig vermoeden van een gevaar voordoet als hier bedoeld. Als dat het geval is, heeft de burgemeester echter geen verplichting een huisverbod op te leggen. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid. Dit heeft gevolgen voor de rechterlijke toetsing van het besluit. Of het gevaar of het ernstig vermoeden daarvan bestaat, toetst de rechter vol. Hij beoordeelt zelf of de relevante feiten en omstandigheden het door de burgemeester aangenomen gevaar of ernstig vermoeden van gevaar opleveren. Het gebruik van de discretionaire bevoegdheid toetst de rechter marginaal. Dat betekent dat het al dan niet gebruik maken van die bevoegdheid door de rechter slechts kan worden aangetast, als zou moeten worden geoordeeld dat de burgemeester bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

De vraag of verweerder terecht heeft aangenomen dat in het onderhavige geval gevaar of een ernstig vermoeden daarvan bestaat beantwoordt de rechter ontkennend op grond van de volgende overwegingen.

Ten eerste heeft verweerder het bestreden besluit geheel gebaseerd op de aangiften van de vrouw en de stiefzoon. De man heeft de juistheid betwist van een aantal in de aangiften van de vrouw gestelde feiten, en gewezen op verschillen in de aangiften van de vrouw en de stiefzoon. De juistheid van die feiten is in het licht van de betwisting van de man, en bij gebreke van enige andere informatie, zoals eerdere aangiften, politiemutaties, of verklaringen van derden, niet aannemelijk geworden. Die feiten had verweerder dan ook bij de beoordeling van de vraag of een huisverbod diende te worden opgelegd buiten beschouwing moeten laten. De rechter komt hierop terug bij de navolgende bespreking van de toepassing van het RiHG.

Daarnaast ligt aan het bestreden besluit het door de hulpofficier van Justitie ingevulde RiHG ten grondslag. Bij de invulling van dit formulier zijn enkele fouten begaan, waardoor de inschatting van de ernst van het vermoeden van gevaar op voor verzoeker negatieve wijze is beïnvloed. Verweerder heeft zich gelet op de recente jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (17 maart 2010, LJN: BL7780) terecht op het standpunt gesteld dat de Wth het invullen van het RiHG niet vereist, en dat het RiHG slechts een hulpmiddel is bij de toepassing van de Wth.

Dit neemt evenwel niet weg dat in een geval als het onderhavige, waarin gebruik is gemaakt van het RiHG, en het bestreden besluit gebaseerd op de toepassing van dit hulpmiddel, de correcte toepassing ervan van belang is. Indien bij die toepassing onjuistheden zijn begaan, en verweerder niet op andere wijze aannemelijk maakt dat de aanwezigheid in de woning van de persoon die het besluit betreft ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert in de zin van artikel 2 Wth, kan de conclusie geen andere zijn dan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

De rechter is van oordeel dat bij de tweede screening in het RiHG het geweld dat tegen de huisgenoot is gebruikt, namelijk het incident met de laptop, onvoldoende om te concluderen dat er ten aanzien van rubriek 5. RiHG, ‘Psychisch geweld’, sprake is van een sterk signaal. In de inleiding van het formulier RiHG is het volgende als vuistregel vermeld:

“Bij sommige signalen zijn de daaronder genoemde punten ongeveer van gelijke orde. Hoe meer punten u in het incident terugziet, hoe duidelijker het signaal (sterker)”.

Bij rubriek 5 is slechts een van de vier signalen aangekruist. Nog afgezien van de vraag of het dichtklappen van een laptop als een vorm van substantieel geweld kan worden aangemerkt, zou daarom de invulling van het vierkantje, dat aangeeft dat er sprake was van een matig signaal of het rondje dat aangeeft: “zwak of geen signaal” eerder op zijn plaats zijn.

Ook ten aanzien van rubriek 6. ‘lichamelijk geweld’ overweegt de rechter dat het aankruisen van het vakje duwen, schoppen, stompen, haren trekken zonder nadere motiveríng op zich niet tot de conclusie kan leiden dat er sprake is van een sterk signaal van lichamelijk geweld. In deze rubriek zijn drie gedragingen genoemd, waarvan de hiervoor genoemde er één is

Het voorgaande geldt eveneens voor rubriek 7.’seksueel geweld’.Bovendien heeft verweerder dit standpunt uitsluitend gebaseerd een mededeling van de vrouw bij de aangifte, die de man heeft weersproken bij zijn verhoor, en ter zitting van de rechtbank. Daarbij dient tevens in aanmerking genomen dat hetgeen de vrouw op dit punt heeft verklaard betrekking had op een incident in 2007 en dus weinig zegt over de actuele situatie. .

Ten aanzien van punt 8. ‘zwaarte van de intimidatie’zijn twee van de vier aspecten aangekruist, hetgeen niet zonder nadere toelichting kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van een sterk signaal.

Ten aanzien van rubriek 9. ‘geweldsontwikkeling’ overweegt de rechter dat uit de processen-verbaal niet kan worden opgemaakt dat de zwaarte en of frequentie van het geweld de laatste jaren is toegenomen. Weliswaar heeft de vrouw gesteld dat zij de laatste weken diverse malen door elkaar gerammeld is, maar deze stelling vindt geen bevestiging in de verklaringen van de zoon en de man.

Ten aanzien van punt 13.’geweldsverwachting’ heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechter te zeer laten leiden door de subjectieve beleving van de vrouw. Er zijn naar het oordeel van de rechter onvoldoende feiten en omstandigheden die erop wijzen dat –na het ingrijpen van de politie op 16 maart jl.-. een sterk signaal voor het gevaar van herhaling gerechtvaardigd is. De man heeft in dat verband ter zitting aangegeven dat hij wil scheiden van de vrouw en dat hij zijn leven anders wil inrichten en dat hiermee de angel uit het conflict is. Naar het oordeel van de rechter is hier ten onrechte een driehoekje in plaats van een vierkantje aangevinkt.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechter van oordeel dat op het RiHG-formulier bij het tweede beoordelingsmoment ten onrechte de conclusie is getrokken dat er sprake was van een hoog risico.

Ten aanzien van het derde beoordelingsmoment van het RiHG heeft verweerder ter zitting erkend dat er een fout is gemaakt. Gelet op het aantal aangevinkte driehoekjes, vierkantjes en rondjes had de categorie ‘laag/geen risico’ moeten worden gekozen, en niet de categorie ‘risico’.

Gezien het voorgaande leveren het eerste en derde beoordelingsmoment een laag risico op en het tweede beoordelingsmoment een “risico”. Onder deze omstandigheden dient volgen het RiHG te worden afgezien van het opleggen van een huisverbod. Gelet op het voorgaande kan de toepassing van het RiHG niet als deugdelijke onderbouwing van het bestreden besluit worden aangemerkt.

Ter zitting heeft verweerder hierover aangevoerd dat in ieder geval vaststaat dat de man de vrouw een vuistslag heeft gegeven en dat de vrouw meer geweld vreesde indien de man weer naar de echtelijke woning zou terugkeren. Naar de mening van verweerder is hiermee gegeven dat het huisverbod terecht is opgelegd.

De rechter kan zich met dit standpunt niet verenigen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod (hierna: het Bth) betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dat besluit opgenomen feiten en omstandigheden. Deze feiten en omstandigheden hebben betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Onder de feiten en omstandigheden, bedoeld onder a, worden mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van zijn afweging.

Artikel 2 Wth vereist een bredere afweging dan de enkele constatering dat zich een geweldsincident heeft voorgedaan, en dat het slachtoffer herhaling vreest.

Alhoewel het RiHG geen instrument is dat ingevolge de Wth verplicht dient te worden toegepast, geeft dit door de regelgever ontworpen hulpmiddel wel aan in welke context de in artikel 2, eerste lid, Wth genoemde feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechter tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden wegens strijd met het in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginsel dat een besluit moet berusten op een deugdelijke motivering.

In het licht hiervan behoeft hetgeen de man en verweerder met betrekking tot het vertrek van de vrouw en de huidige situatie hebben aangevoerd geen bespreking. Aan een beoordeling van de door verweerder gehanteerde belangenafweging komt de rechter evenmin toe.

Het beroep is dan ook gegrond. Het bestreden besluit is daarom vernietigd.

De rechter heeft aanleiding gezien verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die de man in verband met de behandeling van het verzoek tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechter bepaalt de proceskosten, begroot op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, x factor 1 x € 437,-) op € 1.311,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Waarvan proces-verbaal

De griffier. De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: