Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM8096

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
AWB 09-2114 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering heropening Wajong-uitkering op grond van artikel 19 Wajong. Onjuiste medische grondslag. Onzekerheid over de vraag of eiser gedurende de periode dat hij een Wajong-uitkering genoot, niet beperkt was ten gevolge van een psychiatrische stoornis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/2114 WAJONG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. Y. Reichardt,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om hem met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) een uitkering toe te kennen, afgewezen.

Bij besluit van 26 maart 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2010.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Bij besluit van 5 december 2003 heeft verweerder eiser met ingang van 1 september 2002 een Wajong-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%.

1.2. Bij besluit van 15 mei 2007 heeft verweerder de Wajong-uitkering van eiser ingetrokken, omdat verweerder eiser met ingang van 1 juni 2007 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt acht.

1.3. Op 16 januari 2008 heeft eiser zich weer ziek gemeld. Op 14 mei 2008 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend tot hervatting van de Wajong-uitkering vanwege toename van zijn arbeidsongeschiktheid (de aanvraag).

1.4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Volgens verweerder is eiser per einde wachttijd, te weten 15 februari 2008, niet toegenomen arbeidsongeschikt op grond van dezelfde oorzaak als die waarvoor hij eerder een uitkering heeft ontvangen.

1.5. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een toename van klachten, maar dat er geen sprake is van een objectiveerbare toename van de beperkingen van eiser. Eiser heeft geen ziekte en die had hij ook niet ten tijde van de toekenning van de Wajong-uitkering. Pericarditis en de ziekte van Lyme zijn nooit aangetoond. Verweerder verwijst hiertoe naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 maart 2009.

2. Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wajong is geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid en onder a, van de Wajong, voor zover relevant, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheid steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, indien de jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.

3. Beoordeling van het geschil

3.1.1. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er bij eiser geen sprake is of is geweest van de ziekte van Lyme. Ter onderbouwing van zijn stelling, heeft hij informatie van de behandelend arts, Hoffman, van de Oosteinde Walborg Kliniek in Amsterdam, overgelegd.

3.1.2. De verzekeringsarts heeft ten tijde van de toekenning van de Wajong-uitkering in de rapportage van 9 oktober 2003 de diagnose gesteld dat er bij eiser sprake was van een laat gevolg van een infectieziekte, de ziekte van Lyme. In de rapportage van 25 november 2003 heeft de verzekeringsarts, op grond van informatie van de huisarts die de diagnose ziekte van Lyme niet bevestigt, de diagnose gewijzigd in die zin dat er sprake is van pericarditis, hiatus hernia, malaise en vermoeidheid. Op 13 juni 2005 heeft de verzekeringsarts de diagnose van de verzekeringsarts in de rapportage van 25 november 2003 bevestigd en merkt bij de omschrijving malaise en vermoeidheid op dat er mogelijk sprake is van de ziekte van Lyme.

3.1.3. In deze procedure komt de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 3 maart 2009 tot de conclusie dat eiser geen ziekte heeft en dat hij evenmin een ziekte had ten tijde van de toekenning of looptijd van de Wajong-uitkering. De ziekte van Lyme is nooit objectief vastgesteld en er kan dan ook geen sprake zijn van toegenomen beperkingen ten gevolge daarvan, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

3.1.4. In de, door eiser in beroep overgelegde, verklaring van de arts, Hoffman, van de Oosteinde Walborg kliniek, van 28 april 2009 stelt deze arts de diagnose chronische borreliose met podoposturale complicaties en een complicatie parasitaire co-infectie met Bartonella henselae. De arts merkt daarbij op dat er in Nederland geen officiële leidraad bestaat ten aanzien van de diagnostiek en behandeling van de late fase van de ziekte van Lyme, zodat hij de internationaal geaccepteerde richtlijn van de International Lyme and Associated Diseases Society (ILADS) volgt. De arts verklaart dat het normale serologisch onderzoek voor Borrelia negatief was, maar gevonden werd met een urine PCR-bepaling.

3.1.5. Naar aanleiding van de verklaring van Hoffman van 28 april 2009 en de door eiser in dat verband overgelegde medische gegevens blijft de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 13 april 2010 bij zijn standpunt dat niet is vastgesteld dat eiser de ziekte van Lyme heeft.

3.1.6. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 13 april 2010 ten onrechte binnen tien dagen voor de zitting aan de rechtbank en eiser heeft doen toekomen, terwijl de verklaring van Hoffman al op 28 april 2009 door eiser is ingebracht. Nu eiser, desgevraagd, in verband met de overschrijding van deze termijn niet heeft verzocht om schorsing of het buiten beschouwing laten van deze rapportage, zal de rechtbank de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 13 april 2010 bij de beoordeling betrekken.

3.1.7. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 13 april 2010 de verklaring van Hoffman en de door eiser overgelegde testuitslagen verwerkt en in zijn oordeelsvorming laten meewegen. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens onderbouwd dat de diagnose van Hoffman niet kan worden gevolgd. Anders dan Hoffman stelt, is de richtlijn van de ILADS niet in overeenstemming is met de internationale medische inzichten en is de bepaling van PCR tegen Borrelia in de urine niet betrouwbaar, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Daarnaast is er in Nederland wel degelijk een officiële richtlijn, namelijk de richtlijn van het Centraal Begeleidingsorgaan, kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg (CBO). De bezwaarverzekeringsarts verwijst hiertoe tevens naar de verklaring van de internist Verhagen van 9 juni 2009.

3.1.8. In het kader van de Ziektewetprocedure heeft verweerder de internist Verhagen geraadpleegd. De internist concludeert in de verklaring van 9 juni 2009 op basis van eigen onderzoek dat eiser geen symptomen vertoont van een chronische Lyme infectie of neuroborreliose. Hij voegt daaraan toe dat de diagnostiek en de behandeling die in de Walborg kliniek wordt uitgevoerd controversieel is en buiten de CBO-richtlijnen wordt opgesteld. Een PCR in de urine is een niet gevalideerde en door de reguliere wetenschap verworpen methode, aldus Verhagen.

3.1.9. Gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 13 april 2010 en de verklaring van de internist van 9 juni 2009, ziet de rechtbank in de verklaring van Hoffman en de door eiser in dat verband overgelegde medische gegevens, geen aanleiding om aan de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 maart 2009 te twijfelen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is vastgesteld dat eiser ten tijde van de toekenning en looptijd van de Wajong-uitkering of ten tijde van de datum in geding, 15 februari 2008, de ziekte van Lyme had.

3.2.1. In beroep heeft eiser aangevoerd dat de klachten die eiser in de periode dat hij een Wajong-uitkering ontving, zoals hartklachten en vermoeidheid, voortkwamen uit psychiatrische stoornissen en dat de beperkingen ten gevolge daarvan zijn toegenomen. Eiser verwijst hiertoe naar de psychiatrische expertise die verweerder in het kader van de Ziektewetbeoordeling heeft laten uitvoeren. Deze psychiatrische expertise had verweerder aanleiding moeten geven om in deze procedure een nieuwe functionele mogelijkhedenlijst op te stellen en een nieuwe arbeidskundige beoordeling te verrichten, aldus eiser.

3.2.2. Op grond van de door verweerder in het kader van de Ziektewetbeoordeling uitgevoerde psychiatrische expertise van psychiater, Strieder, van 10 juli 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 17 juli 2009 de diagnose paniekstoornis met agorafobie, aanpassingsstoornis met depressieve stemming gesteld. De bezwaarverzekeringsarts acht eiser ten gevolge daarvan ongeschikt voor de laatst verrichte functie in het kader van de Ziektewet.

3.2.3. In reactie op deze psychiatrische expertise stelt de bezwaarverzekeringsarts zich in de rapportage van 13 april 2010 op het standpunt dat er geen aanleiding is eiser op grond daarvan toegenomen arbeidsongeschikt te achten in de zin van artikel 19, eerste lid, onder a, van de Wajong. De bezwaarverzekeringsarts overweegt daartoe dat bij de verzekeringsgeneeskundige toetsing een psychiatrische aandoening nimmer aan de orde is geweest en nooit een rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de belastbaarheid.

3.2.4. In de rapportages die ten grondslag liggen aan de toekenning van de Wajong-uitkering van 9 oktober 2003 en 25 november 2003, vermeldt de verzekeringsarts dat er bij eiser sprake is van vermoeidheid en malaise. In de rapportage van 25 november 2003 stelt de verzekeringsarts tevens de diagnose pericarditis en vermeldt in de voorgeschiedenis dat eiser in 1985 bekend was met depressie. De ziekte van Lyme wordt uiteindelijk niet gediagnosticeerd, maar de verzekeringsarts trekt wel de conclusie dat eiser lichamelijk en psychisch niet al te zwaar mag worden belast. Ook bij de herbeoordeling van eiser in het kader van de Wajong stelt de verzekeringsarts in de rapportage van 13 juni 2005 de diagnose pericarditis, malaise en vermoeidheid en vermeldt daarbij dat er mogelijk sprake is van de ziekte van Lyme. De verzekeringsarts acht eiser geschikt voor halve dagen licht energetisch werk.

3.2.5. De rechtbank overweegt dat uit de rapportages, zoals weergegeven onder overweging 3.2.4, blijkt dat eiser gedurende de periode dat hij een Wajong-uitkering ontving hartklachten en vermoeidheidsklachten had. De oorzaak van eisers klachten en beperkingen gedurende die periode was niet duidelijk. Gelet op de inhoud van die rapportages en de conclusies van de psychiatrische expertise van psychiater Strieder van 10 juli 2009, is de rechtbank van oordeel dat niet buiten twijfel is dat eiser destijds geen psychiatrische aandoening had ten gevolge waarvan hij beperkt was. Dat de psychiatrische aandoeningen toen niet zijn onderkend, doet daaraan niet af. Zonder nader onderzoek heeft de bezwaarverzekeringsarts zich dan ook niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser gedurende de periode dat hij een Wajong-uitkering genoot, niet beperkt was ten gevolge van een psychiatrische stoornis. Dit geldt temeer nu de (bezwaar)verzekeringsarts in deze procedure terugkomt op het medisch oordeel dat ten grondslag ligt aan het onherroepelijke besluit tot toekenning van de Wajong-uitkering, namelijk dat er sprake was van een ziekte of gebrek. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet op een juiste medische grondslag berust.

3.3.1. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel.

3.3.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, omdat voor een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser een nader onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts nodig is.

3.3.3. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Nu de verklaring van Hoffman niet heeft geleid tot vernietiging van het bestreden besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze medische kosten te vergoeden. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 (zegge: eenenveertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Riem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB