Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM7317

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
10-06-2010
Zaaknummer
AWB 09-891 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken (loonsanctie). Onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever. Werkgever te lang gewacht met re-integratieactiviteiten in het tweede spoor. Werkgever is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde diensten van door hem ingeschakelde deskundigen, zoals de arbodienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/891 WIA

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

stichting Stichting Fonds voor de Letteren,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde: drs. J.C. van Beek.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

[persoon 1],

wonende te [woonplaats],

werknemer van eiseres.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 23 juli 2008 inzake toepassing van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in verband met de door verweerder aan eiseres opgelegde verplichting tot het doorbetalen van het loon aan haar werknemer [persoon 1], ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2010.

Eiseres is - met bericht van verhindering - niet ter zitting vertegenwoordigd.

Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Werknemer is - met bericht van verhindering - niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. [persoon 1] (hierna: de werknemer) is op 26 september 2006 arbeidsongeschikt geworden voor zijn werkzaamheden als afdelingscoördinator.

1.2. Op 16 juni 2008 heeft de werknemer een uitkering ingevolge de WIA aangevraagd.

1.3. Bij besluit van 23 juli 2008 heeft verweerder het tijdvak waarin de werknemer jegens eiseres als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de WIA, in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de WIA. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder de aanvraag van de werknemer op grond van de WIA opgeschort.

1.4. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het loonsanctiebesluit van 23 juli 2008. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit richt zich het beroep.

2. Juridisch kader

2.1. In artikel 25 van de WIA zijn bepalingen gegeven omtrent de re-integratieverplichtingen en de verplichte loondoorbetaling door de werkgever.

In het negende lid is bepaald – voor zover hier van belang – dat indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, het UWV het tijdvak verlengt gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

2.2. Ingevolge artikel 65 van de WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

2.3. In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224; hierna: de Beleidsregels) heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

2.4. Ingevolge artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover hier van belang, bevordert de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. In het tweede lid is bepaald dat de werkgever verplicht is zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Niet in geschil is dat de werknemer na 15 augustus 2004 - te weten, op

26 september 2006 - arbeidsongeschikt is geworden. Gelet op artikel 123b, eerste lid, van de WIA is artikel 25, negende lid, van de WIA in dit geval van toepassing.

3.2. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder al dan niet terecht de op eiseres rustende loondoorbetalingsverplichting heeft verlengd. Daarbij is van belang of eiseres tekort is geschoten in haar re-integratie-inspanningen.

3.3. De rechtbank wijst allereerst op de uitspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB) van 28 oktober 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BK1570, waarin de CRvB heeft overwogen dat volgens de Beleidsregels bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop staat. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het UWV het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is ook het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. De CRvB merkt de Beleidsregels aan als beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), over de uitleg van de artikelen 65 en 25, negende lid, van de WIA.

3.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels, aangezien het in de periode die hier ter beoordeling staat niet is gekomen tot een werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. De werknemer was immers voor slechts 12 uur per week werkzaam in aangepast werk, terwijl hij volgens de bedrijfsarts belastbaar was voor 24 uur per week. Dat brengt mee dat verweerder gelet op de Beleidsregels kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen.

3.5. De conclusie van verweerder met betrekking tot de re-integratie-inspanningen van eiseres is neergelegd in de rapportages van de arbeidsdeskundige van 14/22 juli 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 december 2008. Samengevat heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres ten onrechte heeft berust in het feit dat de werknemer bij

12 uur werken per week de afspraken met de bedrijfsarts niet is nagekomen. Er is niet tijdcontingent, maar klachtcontingent gewerkt. Daarbij is niet duidelijk verwoord wat er aan de hand is met de werknemer. Voorts ontbreekt een medische argumentatie voor de urenbeperking van 24 uur per week. Op het eerstejaarsmoment had bovendien het tweede spoor ingezet moeten worden, omdat er geen sprake was van een structurele werkhervatting van 65%.

3.6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

3.6.1. Eiseres heeft een te weinig actieve en initiërende rol gespeeld in de periode van aanvang verzuim tot datum actueel oordeel. Er is in overwegende mate aangehaakt bij de subjectieve klachtbeleving van de werknemer en de eigen inschatting van de werknemer met betrekking tot het verder kunnen uitbreiden in uren, waardoor de werknemer minder werkte dan de 24 uur per week waartoe de bedrijfsarts hem in staat achtte.

3.6.2. Bovendien is de rechtbank met verweerder van oordeel dat een medische argumentatie voor een urenbeperking tot 24 uur per week ontbreekt. De in beroep overgelegde medische onderbouwing van de urenbeperking is niet gedateerd, noch is bekend door wie deze is opgesteld. Verder staat hierin dat de werknemer 20 uur per week kan werken, terwijl de bedrijfsarts op 8 mei 2008 – zonder nadere onderbouwing – heeft aangegeven dat de werknemer inzetbaar is voor 24 uur per week. Aan dit in beroep overgelegde stuk gaat de rechtbank dan ook voorbij. Reeds vanwege het ontbreken van een medische onderbouwing van de urenbeperking behoeft de beroepsgrond van eiseres dat verweerder de werknemer lichamelijk had moeten laten onderzoeken, geen bespreking. Van een verschillend medisch inzicht is immers geen sprake.

3.6.3. Met betrekking tot de door eiseres aangevoerde grond dat zij steeds de adviezen van de bedrijfsarts heeft gevolgd over het aantal uren dat de werknemer kon werken en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 18 november 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BK3713. Hierin heeft de CRvB geoordeeld dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij de werkgever is gelegen en dat deze verantwoordelijkheid impliceert dat de werkgever verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geleverde diensten van door hem ingeschakelde deskundigen, zoals de arbodienst. De oudere rechtbankuitspraken waarnaar eiseres verwijst zijn achterhaald door de uitspraak van de CRvB en leiden dan ook niet tot een ander oordeel.

3.6.4 De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij niet gehouden was tot re-integratie-inspanningen ten aanzien van het tweede spoor, omdat re-integratie in het eerste spoor nog mogelijk was. In de Beleidsregels is tot uitgangspunt genomen dat indien aan het eind van het eerste ziektejaar blijkt dat de re-integratie in het eigen bedrijf nog geen resultaten heeft opgeleverd, mag worden verwacht dat werkgever en werknemer - naast de wellicht nog lopende activiteiten voor re-integratie in het eigen bedrijf - tevens voorbereidingen starten met het oog op re-integratie bij een andere werkgever. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 18 november 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BK3717, geoordeeld dat de Beleidsregels in beginsel niet in strijd komen met de artikelen 65 en 25, negende lid, van de WIA en dat zij aansluiten bij artikel 7:658a van het BW. Daarbij heeft de CRvB in aanmerking genomen dat blijkens de wetsgeschiedenis ook aan artikel 7:658a, eerste lid, van het BW ten grondslag ligt dat de re-integratie bij een andere werkgever moet worden bevorderd als niet te verwachten is dat de werknemer binnen een redelijke termijn het werk bij de eigen werkgever kan hervatten (TK 2000-2001, 27 678, nr. 13, pag. 3). De CRvB heeft voorts overwogen dat de werkgever naast het verrichten van re-integratie-inspanningen ten aanzien van het eerste spoor gehouden kan zijn de mogelijkheden bij een andere werkgever te bezien.

3.7. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat een deugdelijke grond voor het onvoldoende verrichten van re-integratie-inspanningen ontbreekt. Voor zover door eiseres is aangevoerd dat in de praktijk is aangetoond dat de werknemer de aangepaste werkzaamheden niet volhield, levert dit geen deugdelijke grond op. In de eerste plaats wijkt dit zelfs af van de belastbaarheid zoals door de bedrijfsarts is aangegeven en verder is niet nader gemotiveerd waarom de werknemer, gelet op zijn medische situatie niet volledig zou kunnen re-integreren, hetzij bij eiseres hetzij bij een andere werkgever.

3.8. Van strijd met het (Europees) recht is de rechtbank tot slot niet gebleken.

3.9. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mrs.

M. de Rooij en A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van J.J.M. Tol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2010.

De griffier, De voorzitter,

rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na de datum van toezending van deze uitspraak beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB