Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6986

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
AWB 09-3186 WWB en AWB 09-4990 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering in verband met verzwegen vermogen/ onroerend goed buitenland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/3186 WWB en AWB 09/4990 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser], eiser en [eiser], eiseres

samen aan te duiden als eisers,

beide wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. F.P.M. van Gerven,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigden mr. I. van Kesteren en H. van Golberdinge.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2007 heeft verweerder de bijstand van eisers met ingang van 27 augustus 2004 ingetrokken.

Bij besluit van 7 december 2007 heeft verweerder het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 november 2008, geregistreerd onder het procedurenummer AWB 08/245 WWB, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 december 2007 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerder het bezwaar van eisers bij besluit van 10 februari 2009 wederom ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 24 juni 2009, geregistreerd onder het procedurenummer AWB 09/1192 WWB, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 februari 2009 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerder het bezwaar van eisers bij besluit van 18 september 2009 ongegrond verklaard (het bestreden besluit I). Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 09/4990 WWB.

Bij besluit van 29 december 2008 heeft verweerder de bijstand van eisers herzien (lees: ingetrokken) over de perioden van 21 mei 1999 tot en met 31 juli 2002 en van 30 augustus 2002 tot en met 12 augustus 2004. Ook heeft verweerder de gemaakte kosten van bijstand over deze perioden en de periode van 27 augustus 2004 tot en met 30 april 2007 tot een bedrag van in totaal € 126.627,42 van eisers teruggevorderd.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 3 juni 2009 ongegrond verklaard (bestreden besluit II). Hiertegen hebben eisers eveneens beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 09/3186 WWB.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 15 april 2010.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1. Eisers ontvingen in de perioden van 21 mei 1999 tot en met 31 juli 2002, van 30 augustus 2002 tot en met 12 augustus 2004 en van 27 augustus 2004 tot en met 30 april 2007 bijstand naar de norm voor een gezin, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een anonieme tip waarin onder meer stond dat eisers een hotel bezitten in [land], heeft de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eisers verleende bijstand. In dat kader is ook het Internationaal Bureau Fraude verzocht om onderzoek in [land] te doen. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in het Rapport van bevindingen met afsluitdatum 10 mei 2007. Tevens is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld door de sociale recherche van de DWI. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het Rapport Uitkeringsfraude met afsluitdatum 8 december 2008.

2.2. Uit de in 2.1 genoemde rapporten en de stukken die daaraan ten grondslag liggen blijkt dat eisers met een aantal familieleden op 1 oktober 1992 in [land] de vennootschap met handelsnaam [naam] Toerisme handel en industrie N.V. hebben opgericht. Eiser is eigenaar van 88% van de aandelen van deze vennootschap, eiseres van 3%. De aandeelhouders hebben op 1 augustus 2002 eiser als bestuursvoorzitter en eiseres (en een ander familielid) als adjunct-voorzitter gekozen, waarbij onder meer is vastgesteld dat eiser zelfstandig bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen. De bedrijfsactiviteiten van de vennootschap zijn: “Het runnen van een toeristische accommodatie en overige activiteiten.” De vennootschap exploiteert het [naam] hotel in [plaats], gelegen in [plaats] in [land]. Het hotel bestaat uit 30 dubbele kamers, 12 suites, een restaurant, een zwembad en een casino. Uit de kadastergegevens, afgegeven op 13 juni 2007 (met als titel ‘onroerend goed gegevens’), blijkt dat eiser sinds 3 juni 1996 volledig eigenaar is van onroerend goed in [plaats]. De rechtbank gaat ervan uit dat dit onroerend goed het [naam] hotel betreft, nu volgens eisers de schulden die volgens het kadaster op dit onroerend goed rusten, schulden van het hotel zijn. Uit de aangifte onroerende zaak belasting voor dit gebouw van 14 februari 2007 blijkt dat de marktwaarde op dat moment YTL 754.596,51 bedroeg. Dat is omgerekend

€ 412.573,-. Ten aanzien hiervan heeft een rapporteur, verbonden aan de Nederlandse ambassade te [plaats], in een ‘rapportage vermogensonderzoek [land]’ van 14 februari 2007 opgemerkt dat het hier gaat om de minimaal belastbare waarde en dat de werkelijke waarde van het onroerend goed meestal veel, soms 2 tot 3 maal, meer zal zijn. Eiser heeft zelf bij een verhoor op 9 juni 2008 aangegeven dat de waarde van het onroerend goed ongeveer

€ 630.000,- bedraagt.

2.3. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek heeft verweerder de bijstand van eisers ingetrokken over de perioden van 21 mei 1999 tot en met 31 juli 2002, van 30 augustus 2002 tot en met 12 augustus 2004 en van 27 augustus 2004 tot en met 30 april 2007. Daarnaast heeft verweerder een bedrag van € 126.627,42 aan ten onrechte betaalde bijstand, waaronder bijzondere bijstand, van eisers teruggevorderd. Volgens verweerder hebben eisers hun inlichtingenplicht geschonden door geen mededeling te doen van hun bezittingen in [land]. Met die bezittingen beschikten eisers in de in geschil zijnde perioden over een vermogen boven de vrij te laten vermogensgrens, zodat eisers, aldus verweerder, in die perioden geen recht op bijstand hadden.

2.4. Eisers hebben aangevoerd dat eiser weliswaar op papier eigenaar is van het onroerend goed waarin het hotel is gevestigd, maar dat hij er feitelijk niet over kan beschikken. De familieleden van eisers in [land] beheren het onroerend goed. Eisers hebben er niets mee van doen. Ook hebben eisers aangevoerd dat eiser door het uitgeven van senets, hetgeen tegoedbonnen zijn met het hotel als onderpand, nog slechts een zesde deel van het hotel bezit. Ten slotte hebben eisers aangevoerd dat met betrekking tot het onroerend goed schulden bestaan en op het onroerend goed zelfs beslag is gelegd. Eisers hebben van de schulden enige bewijsstukken overgelegd.

2.5. De rechtbank overweegt allereerst dat met ingang van 1 januari 2004 de WWB in werking is getreden en is de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 april 2005 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AT4358) volgt dat het verweerder vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54 en 58 van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening en terugvordering over te gaan en dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

2.6. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser in de [land] kadastrale gegevens sinds 1996 staat geregistreerd als eigenaar van een onroerend goed. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB rechtvaardigt het feit dat onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van de betrokkene(n) zijn gesteld de vooronderstelling dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover deze beschikt dan wel redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (zie onder meer de uitspraak van 16 februari 2010, LJ-nummer BL5726). In een dergelijke situatie is het aan eisers om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Met de enkele opmerking van eisers dat zij feitelijk niets van doen hebben met het beheer van het onroerend goed, zijn zij hierin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank deelt bovendien de opvatting van verweerder dat de stelling van eisers over het uitgeven van senets, waarvan het bestaan overigens niet is aangetoond, impliceert dat eiser wel degelijk over het onroerend goed kon beschikken.

2.7. Over de waarde van het onroerend goed is bekend dat de minimaal belastbare waarde ervan in 2007 is vastgesteld op € 412.573,-. De rechtbank acht aannemelijk dat de waarde in de daarvoor gelegen periode niet substantieel lager was, althans niet lager dan de voor eisers geldende vermogensgrens. Eisers hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die nopen tot een andere conclusie. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook indien eisers zouden worden gevolgd in hun stelling dat zij feitelijk nog slechts eigenaar zijn van een zesde deel van het hotel, hun vermogensaandeel meer heeft bedragen dan de voor hen in het kader van de bijstand geldende vermogensgrens. Derhalve moet worden vastgesteld dat de waarde van het vermogen van eisers in de gehele in geschil zijnde perioden de toepasselijke vermogensgrens heeft overschreden.

2.8. Met betrekking tot de door eisers gestelde schulden overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de CRvB schulden bij de vermogensvaststelling in het kader van de bijstandswetgeving uitsluitend in aanmerking kunnen worden genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is geworden en als komt vast te staan dat aan die schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden (zie onder meer de uitspraak van 18 maart 2008, LJ-nummer: BC7229). Nog daargelaten de vraag of de door eisers gestelde schulden, die dateren uit 2004, 2005 en 2006, ten tijde in geding nog actueel waren, is niet komen vast te staan dat aan de schulden een daadwerkelijke aflossingsverplichting was verbonden. Echter, ook wanneer alle door eisers genoemde schulden in beschouwing zouden worden genomen en zélfs als daarnaast rekening zou worden gehouden met de beweerdelijk door eiser uitgegeven senets en eiser slechts rechthebbende op een zesde deel zou zijn, dan nog zou het vermogen van eisers gedurende de gehele periode de voor hen geldende vermogensgrens overschrijden.

2.9. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers in de perioden in geding beschikten of redelijkerwijs konden beschikken over een vermogen dat lag boven de voor hen geldende vermogensgrens.

Vaststaat dat zij geen opgave hebben gedaan van het bezit van het onroerend goed, terwijl zij daartoe gelet op de op hen rustende inlichtingenplicht neergelegd in artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de WWB wel waren gehouden. Verweerder was dan ook bevoegd op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van eisers over de in geding zijnde perioden in te trekken. Eisers hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel zouden moeten leiden dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarmee is tevens gegeven dat aan de voorwaarden voor terugvordering, zoals neergelegd in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, is voldaan. Ook in dit verband ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik kon maken van zijn bevoegdheid. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is evenmin gebleken.

2.10. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, voorzitter, en mrs. C.A.E. Wijnker en G.M. Beunk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Abu Ghazaleh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB