Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6972

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
07-06-2010
Zaaknummer
AWB 09-2435 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit oordeel van de verzekeringsartsen. Het standpunt van eiser dat hij in het geheel niet tot werken in staat is, wordt niet ondersteund door de in het dossier aanwezige stukken van medisch deskundigen. Eiser heeft zelf ook geen (medische) stukken overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/2435 WAO

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. I.F. Pardaan.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 18 februari 2009 verlaagd.

Bij besluit van 21 april 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2010. Eiser is niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en standpunten

1.1. Eiser is in 1997 uitgevallen voor zijn werk als beveiligingsbeambte. Na een wachttijd van 52 weken werd eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. Deze arbeidsongeschiktheidsklasse werd in 2003 bevestigd. Bij het primaire besluit is eisers mate van arbeidsongeschiktheid na medische en arbeidskundige beoordeling vastgesteld op 25 tot 35%.

1.2. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat er een herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige heeft plaatsgevonden. Op grond van deze herbeoordeling is verweerder van mening dat eiser in staat moet worden geacht om de geduide functies te verrichten en dat zijn mate van arbeidsgeschiktheid juist is vastgesteld.

1.3. In beroep heeft eiser – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zijn angsten hebben onderschat. Eiser stelt dat zijn angststoornissen dermate erg zijn dat het voor hem onmogelijk is om te werken.

2. Beoordeling

2.1. De rechtbank overweegt dat uit de beschikbare verzekeringsgeneeskundige gegevens naar voren komt dat de verzekeringsartsen van verweerder rekening hebben gehouden met de angsten van eiser, onder meer door beperkingen aan te nemen ten aanzien van persoonlijk functioneren. Zo is in de functionele mogelijkhedenlijst vastgelegd dat eiser aangewezen is op een voorspelbare werksituatie, niet flexibel kan inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud en geen grote tijdsdruk aankan. Indien met die beperkingen wordt rekening gehouden, is er naar het oordeel van de verzekeringsartsen geen reden om eiser niet voor hele dagen werk geschikt te achten.

2.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit oordeel van de verzekeringsartsen. Het standpunt van eiser dat hij in het geheel niet tot werken in staat is, wordt niet ondersteund door de in het dossier aanwezige stukken van medisch deskundigen. Eiser heeft zelf ook geen (medische) stukken overgelegd om zijn standpunt te onderbouwen.

2.3. Er aldus van uitgaande dat ten aanzien van eiser de juiste medische beperkingen in acht zijn genomen, althans dat die beperkingen niet zijn onderschat, is de rechtbank ten slotte van oordeel dat eiser terecht in staat is geacht tot het vervullen van de functies die als grondslag van de onderhavige schatting zijn gehandhaafd. Met die functies kan eiser een zodanig loon verwerven dat hij per de in geding zijnde datum 18 februari 2009 nog slechts voor ongeveer 27% arbeidsongeschikt is. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de verlaging van eiseres uitkering per genoemde datum naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% niet voor rechtens juist te houden.

3. Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W. Speksnijder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB