Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6566

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
13/447581-08 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belaging, bedreiging, mishandeling door minderjarige verdachte. De redelijke termijn waarbinnen de zaak van verdachte door de rechter dient te worden behandeld is zonder aanleiding overschreden met een periode van acht maanden. Het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het OM ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn wordt verworpen. Volgt verdiscontering in de straf. Het beroep op psychische overmacht wordt eveneens verworpen nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een externe drang waaraan verdachte geen weerstand kon dan wel behoefde te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2010, 97 met annotatie van RDJ de Jong
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/447581-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 17 mei 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 mei 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.F.E. den Hartog en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. W. Drummen en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 03 juni 2008 tot en met 27 oktober 2008 te Amsterdam en/of te Zandvoort, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [persoon 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- (gedurende de periode van 03 juni 2008 tot en met 20 juni 2008) 29 maal gebeld naar voornoemde [persoon 1] en/of

- (gedurende de periode van 20 juni 2008 tot en met 24 juli 2008) 296 maal gebeld naar voornoemde [persoon 1] en/of

- (gedurende de periode van 13 oktober 2008 tot en met 27 oktober 2008) 20 maal gebeld naar voornoemde [persoon 1] en/of

- die [persoon 1] (meermalen) (dreigende) sms berichten gestuurd en/of

- die [persoon 1] (onder een schuilnaam) heeft benaderd op MSN en/of

- meermalen een ontmoeting met die [persoon 1] afgedwongen;

art 285b Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 oktober 2008 te Amsterdam en/of Zandvoort, in elk geval in Nederland, [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [persoon 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik kom nu naar Zandvoort en maak jullie allemaal dood" en/of "Ik doe iets in de uitlaat van jouw auto of ik dood jullie op een andere manier", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

artikel 285 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op 28 april 2008 te Zandvoort opzettelijk mishandelend [persoon 1] en [persoon 3] een of meermalen in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen of gestompt en/of tegen het gezicht en/of het lichaam heeft geduwd, waardoor voornoemde [persoon 1] en [persoon 3] letsel hebben bekomen en/of pijn hebben ondervonden;

Artikel 300 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in de periode van november 2007 tot en met 27 april 2008 te Zandvoort opzettelijk mishandelend [persoon 1] een of meermalen in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of geknepen en/of gestompt, waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Artikel 300 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 21 mei 2008 te Zandvoort [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [persoon 1] benaderd (tot op korte afstand) en daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "Er gaat iemand dood vandaag en jij weet wie" en/of "Een van jullie gaat dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Artikel 285 Wetboek van Strafrecht

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw van verdachte stelt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu de redelijke termijn waarbinnen de zaak van verdachte door de rechter dient te worden behandeld door het openbaar ministerie is overschreden. Volgens de raadsvrouw zijn inmiddels 25 maanden verstreken na de eerste aanhouding van verdachte, terwijl jeugdzaken binnen 16 maanden dienen te worden afgedaan.i

Bovendien is geen enkele reden aan te wijzen die deze termijnoverschrijding zou kunnen rechtvaardigen. De raadsvrouw betoogt dat een strafrechtelijke reactie na een dergelijke lange tijd contraproductief zal werken en zij verzoekt de rechtbank dan ook om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De raadsvrouw grondt haar verzoek op twee uitspraken van respectievelijk de rechtbank Roermond ii en de rechtbank Rotterdam iii, waarin het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het overschrijden van de redelijke termijn.

De officier van justitie stelt dat de Hoge Raad reeds heeft bepaald dat het openbaar ministerie nimmer niet-ontvankelijk kan worden verklaard en dat de overschrijding van de redelijke termijn dient te worden verrekend met de op te leggen straf. Het standpunt van de raadsvrouw vindt dan ook geen steun in de jurisprudentie. Mede gelet op de pedagogische functie van het strafrecht vordert de officier van justitie het verweer van de raadsvrouw te verwerpen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe als volgt.

Weliswaar is de redelijke termijn zonder enige aanleiding overschreden, bij arrest van

17 juni 2008iv heeft de Hoge Raad in paragraaf 3.21 echter duidelijk bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan leiden, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de termijn niet zou zijn overschreden.

De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat de Hoge Raad het jeugdstrafrecht expliciet als uitzondering zou hebben opgenomen, indien dit een zodanige uitzondering zou zijn. Bovendien heeft de Hoge Raad bij arrest van 16 december 2008v dit standpunt wederom bevestigd waarbij het jeugdstrafrecht eveneens niet als uitzondering op dit standpunt is opgenomen.

Temeer nu de Hoge Raad bij eerstgenoemd arrest met betrekking tot de duur van de redelijke termijn expliciet voor het jeugdstrafrecht een afzonderlijke termijn heeft opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de Hoge Raad met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het jeugdstrafrecht als uitzondering zou hebben genoemd indien de Hoge Raad het wenselijk had geacht dat in het jeugdstrafrecht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou kunnen worden verklaard ter compensatie van overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad noemt in eerstgenoemd arrest in de formulering van uitgangspunten voor strafvermindering bij de behandelde strafmodaliteiten niet de jeugddetentie (wel de gevangenisstraf) en niet de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (wel de maatregel van terbeschikkingstelling). De rechtbank leidt, anders dan voornoemde rechtbanken, hier echter niet uit af dat de uitgangspunten met betrekking tot vermindering van de straf niet zien op minderjarigen en dat hierdoor de mogelijkheid in het jeugdstrafrecht zou bestaan om het openbaar ministerie ter compensatie niet-ontvankelijk te verklaren bij overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank stelt daarom vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

3. Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte '[persoon 1] (meermalen) (dreigende) sms berichten heeft gestuurd en dat hij meermalen een ontmoeting met die [persoon 1] heeft afgedwongen', zoals onder 1 ten laste is gelegd. Verdachte dient van dat gedeelte te worden vrijgesproken.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in het dossier geen bewijs aanwezig is dat verdachte voornoemde handelingen heeft gepleegd. Dat [persoon 1] in haar aangifte heeft verklaard dat verdachte voornoemde handelingen heeft gepleegd, wordt nader onderbouwd noch door een ander bewijsmiddel ondersteund. De rechtbank acht de verklaring van [persoon 1] alléén dan ook ontoereikend om verdachte eveneens voor voornoemde handelingen te veroordelen.

De rechtbank acht eveneens niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 'tot en met 27 april 2008' [persoon 1] heeft mishandeld, zoals onder 4 ten laste is gelegd. Verdachte dient van de periode 'tot en met 27 april 2008' te worden vrijgesproken.

Hoewel [persoon 1] en verdachte beiden verklaren dat verdachte tijdens hun relatie [persoon 1] meerdere malen heeft geslagen, komen hun verklaringen echter voor zover het de tijdstippen van de mishandelingen betreft niet altijd overeen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het door de verschillen in voornoemde verklaringen onduidelijk is op welke datum de periode van de gepleegde mishandelingen is geëindigd. De rechtbank stelt vast dat de periode in ieder geval niet op 27 april 2008 is geëindigd, nu [persoon 1] en verdachte beiden niet hebben verklaard dat [persoon 1] op 27 april 2008 is mishandeld door verdachte.

Verdachte en [persoon 1] hebben wel beiden verklaard dat verdachte op 26 april 2008 met zijn vingers op de jukbeenderen van [persoon 1] heeft gedrukt, hetgeen echter niet in de telastelegging is opgenomen. Een bewezenverklaring van het meermalen mishandelen van [persoon 1] in de periode van november 2007 'tot' 27 april 2008 is hierdoor eveneens naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op een of meer tijdstippen in de periode van 3 juni 2008 tot en met 27 oktober 2008 te Amsterdam en te Zandvoort, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1], met het oogmerk die [persoon 1] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- (gedurende de periode van 3 juni 2008 tot en met 20 juni 2008) 19 maal

gebeld naar voornoemde [persoon 1] en

- (gedurende de periode van 20 juni 2008 tot en met 24 juli 2008) 296 maal

gebeld naar voornoemde [persoon 1] en

- (gedurende de periode van 13 oktober 2008 tot en met 27 oktober 2008) 20

maal gebeld naar voornoemde [persoon 1] en

- die [persoon 1] (onder een schuilnaam) benaderd op MSN;

2.

hij op 27 oktober 2008 in Nederland, [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [persoon 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik kom nu naar Zandvoort en maak jullie allemaal dood" en "Ik doe iets in de uitlaat van jouw auto of ik dood jullie op een andere manier", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op 28 april 2008 te Zandvoort opzettelijk mishandelend [persoon 1] en [persoon 3] meermalen in het gezicht heeft geslagen of gestompt, waardoor voornoemde [persoon 1] en [persoon 3] letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden;

4.

hij in de periode van november 2007 te Zandvoort opzettelijk mishandelend [persoon 1] in het gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [persoon 1] pijn heeft ondervonden;

5.

hij op 21 mei 2008 te Zandvoort [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [persoon 1] benaderd (tot op korte afstand) en daarbij dreigend de woorden toegevoegd: "Er gaat iemand dood vandaag en jij weet wie" en/of "Een van jullie gaat dood".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat '29 maal' in regel 6 van de telastelegging een kennelijke verschrijving is en niet anders bedoeld kan zijn als '19 maal'.

5. Waardering van het bewijs

5.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie vordert dat de telastegelegde feiten wettig en overtuigend zullen worden bewezen.

De officier van justitie baseert haar vordering op de processen-verbaal van aangifte, de processen-verbaal van bevindingen inzake het uitlezen van de SIM-kaarten en de telefoon van verdachte, de processen-verbaal van getuigenverklaringen en de bekennende verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie alsmede ter terechtzitting.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 telastegelegde, nu slechts één bewijsmiddel in het dossier aanwezig is, te weten de verklaring van aangeefster [persoon 1]. Daarnaast ontkent verdachte het onder 1 telastegelegde onder een schuilnaam benaderen van die [persoon 1] op MSN en het meermalen afdwingen van een ontmoeting met die [persoon 1]. Verdachte ontkent eveneens het onder 5 telastegelegde.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hieronder zakelijk weergegeven feiten en omstandigheden die in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

1. De processen-verbaal van aangifte vi.

2. Het proces-verbaal van bevindingen inzake het onderzoek naar de historische verkeersgegevens van de mobiele telefoonnummers van verdachte vii.

3. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting viii.

Nadere bewijsoverweging:

Aan het proces-verbaal van aangifte van 12 november 2008 is een contactjournaal toegevoegd van een gesprek tussen [persoon 1] en ene '[naam]' op MSN. De rechtbank leidt uit de inhoud van voornoemd contactjournaal af dat het verdachte is geweest die onder de naam [naam], [persoon 1] op MSN heeft benaderd.

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

4. Het proces-verbaal van aangifteix.

5. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting x.

Ten aanzien van het onder 3 telastegelegde:

6. De processen-verbaal van aangifte xi.

7. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting xii.

Ten aanzien van het onder 4 telastegelegde:

8. Het proces-verbaal van aangifte xiii.

9. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd zoals neergelegd in het proces-verbaal van die terechtzitting xiv.

Ten aanzien van het onder 5 telastegelegde:

Verdachte xv was op 21 mei 2008 bij de school van [persoon 1] aanwezig. Hij is vervolgens het schoolplein opgelopen en hij is naar die [persoon 1] toegelopen xvi. [persoon 1]xvii is enorm geschrokken toen zij verdachte zag, aangezien zij bang was voor verdachte door de belaste voorgeschiedenis tussen hen. Zij probeerde bij hem uit de buurt te blijven xviii. Vervolgens is verdachte dicht bij die [persoon 1] gaan staan en heeft tegen haar gezegd: "Er gaat iemand dood vandaag en jij weet wie!" of "Een van jullie gaat dood!"xix. Verdachte wees met een vinger richting die [persoon 1]xx. Verdachte was boos en kwam agressief over en die [persoon 1] was doodsbang xxi. De rechtbank acht het aannemelijk dat die [persoon 1] zich bedreigd voelde door de gedragingen en de woorden van verdachte.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Indien de telasteglegde feiten bewezen worden verklaard, heeft de raadsvrouw ter zitting aangevoerd dat verdachte de feiten in een toestand van psychische overmacht heeft gepleegd. Uit rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat verdachte in een zeer bedreigende thuissituatie heeft geleefd en dat hij op zeer jonge leeftijd zijn huis heeft moeten verlaten. Onder deze moeilijke omstandigheden leert hij [persoon 1] kennen en klampt zich aan haar vast. In hun relatie ontstaan echter scheurtjes en verdachte raakt in paniek. Hij weet niet hoe hij dit moet verwerken en heeft niet de capaciteit om zich weerbaar op te stellen teneinde voor hem ongezonde situaties uit de weg te gaan. Daarnaast geeft die [persoon 1] toe dat sprake is geweest van een knipperlichtrelatie tussen hen. Gelet op haar gedragingen en de duur van de geregistreerde telefoongesprekken, kon verdachte moeilijk inschatten wat die [persoon 1] van hem wilde. Zij heeft verdachte onvoldoende duidelijk gemaakt dat zij geen contact met hem wilde. Temeer nu zij hem rond juni 2008 heeft benaderd met het verzoek om het allemaal weer goed te maken. Verdachte heeft zichzelf fysiek verwond door in zijn borst en armen te snijden. Volgens de raadsvrouw blijkt uit het voorgaande dat verdachte zeer wanhopig is geweest en onder grote psychische druk heeft gestaan die is veroorzaakt door zijn thuissituatie. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank dan ook verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, indien de telastegelegde feiten bewezen worden verklaard.

De officier van justitie vordert het verweer van de raadsvrouw te verwerpen. De officier van justitie stelt dat geen sprake is van psychische overmacht, aangezien de eigen problemen van verdachte niet hiertoe kunnen leiden. De officier van justitie vindt daarbij dat sprake is van verschillende soorten feiten, welke binnen een lange periode zijn gepleegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Van psychische overmacht is sprake als verdachte aan een van buiten komende drang redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

De rechtbank overweegt dat verdachte een belast verleden heeft en bloot is gesteld aan huiselijk geweld. Verdachte is kennelijk gehecht geraakt aan de geborgenheid die hij vond bij [persoon 1] en haar familie.

De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande niet heeft geleid tot het ontstaan van een van buiten komende drang bij verdachte waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Verdachte heeft ondanks zijn verleden in alle vrijheid zijn wil kunnen bepalen. Daarbij acht de rechtbank het onaannemelijk dat verdachte onder een zodanige psychische druk heeft gestaan dat hij een lange periode hieraan geen weerstand kon bieden, waardoor hij de verschillende feiten heeft gepleegd en bleef plegen. Het is duidelijk dat verdachte moeite had om [persoon 1] en haar familie los te laten en dat hij de wens had om in het leven van [persoon 1] betrokken te blijven. Dit houdt echter niet in dat sprake is van een van buiten komende drang.

Bovendien mag van verdachte worden verwacht dat hij weerstand had kunnen bieden tegen zijn wens betrokken te blijven in het leven van [persoon 1] en haar familie. [persoon 1] heeft door het doen van meerdere aangiftes voldoende laten blijken dat zij geen contact meer met verdachte wilde. Verdachte had dit kunnen en moeten respecteren. Kennelijk beschikt verdachte over voldoende capaciteiten hiertoe, nu ter zitting is gebleken dat hij sinds december 2008 onder gelijke omstandigheden wel in staat is om [persoon 1] en haar familie met rust te laten.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie vordert bij requisitoir dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, geheel voorwaardelijk.

Tevens vordert de officier van justitie dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen.

De officier van justitie vordert daarbij dat verdachte een proeftijd van 2 (twee) jaren wordt opgelegd.

Ten slotte vordert de officier van justitie de Maatregel Hulp en Steun als bijzondere voorwaarde op te leggen.

De officier heeft bij het bepalen van het voorgaande rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn met een duur van drie maanden is overschreden.

De officier van justitie vindt de vorderingen van de benadeelde partijen voor toewijzing vatbaar. De officier van justitie stelt dat de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende zijn onderbouwd, eenvoudig van aard zijn en dat aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Zij vordert de betaling van het gehele bedrag van de vorderingen, inclusief de wettelijke rente, en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

Uit het voorgaande is reeds gebleken dat de raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 telastegelegde en dat hij ten aanzien van de overige telastegelegde feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu sprake is van psychische overmacht.

De raadsvrouw verzoekt subsidiair artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsvrouw stelt daarbij dat strafoplegging geen doel meer dient bij verdachte.

Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Met betrekking tot de gevorderde Maatregel Hulp en Steun merkt de raadsvrouw op dat dit eventueel aan een voorwaardelijke straf kan worden verbonden. De raadsvrouw vindt het echter gelet op de aard van de telastegelegde feiten onaannemelijk dat verdachte zal recidiveren.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen verzoekt de raadsvrouw primair de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt zij voornoemde vorderingen af te wijzen. Volgens de raadsvrouw is niet aannemelijk geworden dat sprake is van directe schade. De raadsvrouw verwijst hiervoor naar de aangifte van [persoon 1] d.d.

30 april 2008, waarin [persoon 1] heeft verklaard reeds therapie te volgen bij de Jeugdriagg in verband met haar eigen verleden. De psycholoog heeft in zijn schriftelijke verklaring geen melding gemaakt van voornoemde therapie, hetgeen de raadsvrouw opvallend vindt. Zonder de gedragingen van verdachte te willen bagatelliseren, is de raadsvrouw van mening dat niet eenvoudig rechtstreekse schade kan worden vastgesteld.

Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw de vorderingen van de benadeelde partijen te matigen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafmaat

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft door zijn handelingen meermalen een stelselmatige en ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster door haar gedurende enkele maanden vele malen te bellen of haar op enige andere manier te benaderen. Daarbij heeft verdachte zich jegens de aangeefster en haar familie agressief gedragen en agressieve uitlatingen gedaan, waardoor zij zich erg bedreigd voelden. Gelet op het feit dat verdachte de aangeefster meerdere malen heeft mishandeld, is het begrijpelijk dat de aangeefster en haar familie zeer bang zijn geworden voor verdachte en hun levenswijze hebben moeten aanpassen. De gedragingen van verdachte hebben diepe sporen nagelaten in het leven van de aangeefster en haar familie.

Ondanks de verschillende aangiftes tegen verdachte en het destijds opgelegde contactverbod, heeft verdachte zijn gedragingen een lange periode voortgezet. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte zijn eigen persoonlijke belang op ingrijpende wijze bleef nastreven en daarbij geen acht heeft geslagen op de gevoelens en de wil van de aangeefster. Zelfs ter zitting geeft verdachte geen blijk van enig inzicht in de consequenties van zijn gedragingen voor aangeefster en haar familie. Hij lijkt zich te willen ontdoen van zijn verantwoordelijkheid door het initiatief tot het maken van contact deels bij aangeefster te leggen. Daarbij lijkt hij zijn gedrag geoorloofd te vinden, nu hij van aangeefster hield.

In beginsel acht de rechtbank op grond van het voorgaande een voorwaardelijke jeugddetentie een passende straf.

De rechtbank houdt evenwel ten voordele van verdachte rekening met het feit dat hij nog nooit eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen, dat hij openheid van zaken heeft gegeven en dat hij sinds december 2008 geen contact meer heeft gezocht met de aangeefster en haar familie.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf eveneens rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. De eerste aanhouding van verdachte is immers op 29 april 2008 verricht en hij is tevens op voornoemde datum in verzekering gesteld. De terechtzitting van verdachte is voor het eerst pas op 3 mei 2010 geappointeerd. Hierdoor zijn inmiddels ruim 24 maanden verstreken. In rubriek 2 is reeds aangegeven dat in het jeugdstrafrecht een zaak van een minderjarige verdachte binnen 16 maanden moet zijn afgedaan. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de redelijke termijn met een duur van acht maanden is overschreden, hetgeen dient te worden verdisconteerd in de op te leggen straf aan verdachte. De rechtbank zal daarom slechts een taakstraf, te weten een werkstraf, aan verdachte opleggen.

Nu verdachte inmiddels de meerderjarigheid heeft bereikt is de maatregel van ondertoezichtstelling beëindigd. Hierdoor wordt verdachte niet langer begeleid. Ter zitting is gebleken dat verdachte geen dagbesteding heeft, niet naar school gaat en moeite heeft met het vinden van werk. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hulp en begeleiding nodig heeft teneinde het voorgaande te kunnen regelen. Hij heeft aangegeven hulp te hebben gezocht bij De Waag en behandelingen te volgen bij een psychiater. Verdachte heeft eerder deze behandeling stopgezet, maar dit is inmiddels weer voortgezet. De rechtbank acht het gelet op verdachte's belaste verleden en gezien de aard van de gepleegde feiten noodzakelijk dat wordt gewaarborgd dat verdachte deze behandeling continueert. De rechtbank zal dan ook een deel van de werkstraf voorwaardelijk opleggen, zodat hieraan de Maatregel Hulp en Steun als bijzondere voorwaarde kan worden verbonden. Nu de verdachte achttien jaren oud is, zal de rechtbank Reclassering Nederland belasten met de uitvoering van de maatregel.

Ten aanzien van de benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partijen [persoon 1] en [persoon 2] zijn eenvoudig genoeg om in deze strafzaak te worden behandeld. Tijdens het onderzoek op de zitting is komen vast te staan dat de benadeelde partijen de vorderingen voldoende hebben onderbouwd en dat zij rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van feit 1 en feit 2 waarvoor de verdachte wordt veroordeeld.

Weliswaar heeft de raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat [persoon 1] in het verleden al behandelingen ontving bij de Jeugdriagg, de rechtbank stelt echter op grond van toegevoegde schriftelijke verklaring van de psycholoog van de Jeugdriagg vast dat bij [persoon 1] sprake is van een posttraumatische stresstoornis door toedoen van verdachte. Dat zij in het verleden eveneens behandeling heeft ontvangen, maakt dit oordeel niet anders.

De rechtbank waardeert de schade van [persoon 1] op € 2.466,75, waarvan € 216,75 aan materiële schade en € 2.250,00 aan immateriële schade.

De rechtbank waardeert de schade van [persoon 2] op € 356,00, waarvan € 6,00 aan materiële schade en € 350,00 aan immateriële schade.

De vorderingen worden daarom tot voornoemde bedragen toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank heeft bij het waarderen van de hoogte immateriële schade onder meer rekening gehouden met het stelselmatige karakter van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] en de aard van de gedragingen van verdachte jegens haar en haar familie. De rechtbank is van oordeel dat het voor [persoon 1] en haar familie een angstaanjagende periode moet zijn geweest, waarin zij onder grote spanning hebben moeten leven waar zij thans nog steeds last van hebben.

In het belang van [persoon 1] en [persoon 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

Belaging.

Ten aanzien van het onder 2 en 5 telastegelegde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 en 4 telastegelegde:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen.

Beveelt dat van deze straf het gedeelte van 50 uren niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- Veroordeelde moet zich onmiddellijk onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland stellen. Vervolgens moet hij gedurende het eerste jaar van de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt.

Geeft aan genoemde instellingen opdracht veroordeelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van twee uren per dag.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 2.466,75 (waarvan € 216,75 aan materiële schade en € 2.250,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [persoon 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [persoon 1] te betalen de som van € 2.466,75 (tweeduizend vierhonderd zesenzestig euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 49 dagen. De toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting voor verdachte om te betalen niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 356,00 (waarvan € 6,00 aan materiële schade en € 350,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door [persoon 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [persoon 2] te betalen de som van € 356,00 (driehonderd zesenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen. De toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting voor verdachte om te betalen niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.P.M. Eberhard, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. A.P. van der Linden en J.A.H.M. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Huls, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 mei 2010.

i Hoge Raad 17-06-2008, LJN: BD2578

ii Rechtbank Roermond 22-12-2008, LJN: BG7851

iii Rechtbank Rotterdam 16-02-2010, LJN: BL4514

iv Zie voetnoot 1

v Hoge Raad 16-12-2008, LJN: BF3181

vi Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1245/08-089928 van 24 juli 2008, opgemaakt door [persoon 4] en [persoon 5], beiden brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1243/08-108172 van 17 september 2008, opgemaakt door [persoon 6], hoofdagent van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1245/08-089928 van

12 november 2008, opgemaakt op 25 november 2008 door [persoon 4], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland.

vii Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1245/08-089928 van 17 oktober 2008, opgemaakt door [persoon 7], hoofdagent van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer

PL1245/08-089928 van 12 november 2008, opgemaakt door [persoon 8], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1245/08-089928 van 1 december 2008, opgemaakt door [persoon 9], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1245/08-089928 van 3 december 2008, opgemaakt door [persoon 4], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1245/08-089928 van 8 december 2008, opgemaakt door [persoon 7], hoofdagent van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1245/08-089928 van 9 december 2008, opgemaakt door [persoon 4], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland.

viii Proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam

d.d. 3 mei 2010.

ix Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1243/08-133559 van 27 oktober 2008, opgemaakt op

2 november 2008 door [persoon 10], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland.

x Zie voetnoot 8.

xi Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1243/08-050696 van 28 april 2008, opgemaakt op 30 april 2008 door [persoon 11], hoofdagent van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1243/08-051068 van 29 april 2008, opgemaakt door [persoon 12], hoofdagent van politie van de regiopolitie Kennemerland.

xii Ziet voetnoot 8.

xiii Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1243/08-050696 van 28 april 2008, opgemaakt op 30 april 2008 door [persoon 11], hoofdagent van politie van de regiopolitie Kennemerland.

xiv Zie voetnoot 8.

xv Zie voetnoot 8.

xvi Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1227/08-061326 van 21 mei 2008, opgemaakt door [persoon 13] en [persoon 14], respectievelijk brigadier en agent van politie van de regiopolitie Kennemerland

xvii Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1227/08-061326 van 21 mei 2008, opgemaakt door [persoon 13], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland

xviii Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1227/08-061326 van 21 mei 2008, opgemaakt door [persoon 13], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1227/08-061326 van 23 mei 2008, opgemaakt door [persoon 14], hoofdagent van politie van de regiopolitie Kennemerland (getuige [persoon 16]). Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1227/08-061326 van 23 mei 2008, opgemaakt door [persoon 14], hoofdagent van politie van de regiopolitie Kennemerland (getuige [persoon 15]).

xix Ziet voetnoot 18.

xx Zie voetnoot 17.

xxi Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1227/08-061326 van 21 mei 2008, opgemaakt door [persoon 13], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland. Een ambtsedig proces-verbaal nummer PL1227/08-061326 van 28 mei 2008, opgemaakt door [persoon 13], brigadier van politie van de regiopolitie Kennemerland (getuige [persoon 17]).

Parketnummer: 13/447581-08

[verdachte]