Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
13.706.162-2010, RK nummer 10-2317
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IRK, EAB Polen. Verweer dat geen sprake is van dubbele strafbaarheid verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.706.162-2010

RK nummer: 10/2317

Datum uitspraak: 21 mei 2010

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 april 2010 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 26 april 2009 door de Circuit Court in Gorzów Wielkopolski, 2nd Criminal Department, Polen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1959,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Almere Binnen” te Almere,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 mei 2010. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in Poolse taal.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB liggen ten grondslag:

- een enforceable judicial decision van de District Court in Sulecin van 7 oktober 2008

(II K 115/08);

- een enforceable judicial decision van de District Court in Sulecin van 31 maart 2009

(II K 158/09).

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Polen strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Poolse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

4.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit in de zaak met nummer II K 115/08 aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 8 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De feiten in de zaak met nummer II K 158/09 zijn, zoals blijkt uit het EAB, naar het recht van Polen strafbaar. De raadsman heeft betoogd dat slechts één van deze twee feiten – te weten de diefstal van diverse goederen, samen met iemand anders, in de nacht van 24 op 25 mei 2008 te Osno Lubuskie – ook naar Nederlands recht strafbaar is. Het andere feit kan naar de mening van de raadsman naar Nederlands recht slechts als een poging tot mishandeling worden gekwalificeerd, hetgeen niet strafbaar is. Nu in het EAB bovendien geen Poolse wetgeving is aangehaald waarin (poging tot) zware mishandeling of bedreiging strafbaar is gesteld, is er geen sprake van dubbele strafbaarheid. Aldus dient de overlevering voor dit feit te worden geweigerd, aldus de raadsman. De officier van justitie is van mening dat ter zake dit laatste feit naar Nederlands recht gesproken kan worden van een bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat beide feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn. Uit de omschrijving van het tweede feit in onderdeel E.2 onder III (“particulars of the crime”) in de zaak met nummer II K 158/09 blijkt dat de opgeëiste persoon er in Polen van wordt verdacht dat hij met een bijl in zijn handen op een politiefunctionaris is afgegaan, waarbij de opgeëiste persoon de intentie had om deze politiefunctionaris te raken. Naar het oordeel van de rechtbank kan dergelijk handelen naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling gepleegd tegen een politieambtenaar in functie. Daarbij is niet van belang of onder Poolse wetgeving eenzelfde kwalificatie mogelijk is, maar slechts of het feitencomplex onder de Poolse wet ook strafbaar is. Uit het EAB blijkt dat dat laatste het geval is.

Op de feiten in de zaak met nummer II K 158/09 is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen

en

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

5. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

6. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 45, 302, 304 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

7. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Court in Gorzów Wielkopolski, 2nd Criminal Department, Polen, ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. L.I.M. van Bergen en W.H. van Benthem, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 mei 2010.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[C]