Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6382

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
AWB 09-480 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO7350, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijk rechtsoordeel. Gedoogbeleid ten aanzien van vlotten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/480 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.F. Vermaat,

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel Oud-West,

verweerder,

gemachtigde mr. I.H. van den Berg.

Procesverloop

Bij brief van 23 oktober 2007 heeft verweerder eiser desgevraagd meegedeeld dat, gelet op (de startnotitie van) het woonbotenbeleid, gedurende de duur dat eiser eigenaar is van zijn woonboot niet handhavend zal worden opgetreden. Bij verkoop van de ark vervalt de handhavingsbescherming. Deze is niet overdraagbaar op een nieuwe eigenaar. Indien er zwaarwegende belangen ontstaan die nopen tot alsnog handhaven, dan mag verweerder tot een nieuwe afweging komen ten aanzien van de handhavingsbescherming.

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar, in afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften, niet-ontvankelijk verklaard (hierna: het bestreden besluit).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 februari 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 8 januari 2010, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. Van den berg, vergezeld door mr. A. Dirksen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Eiser is eigenaar van de woonboot gelegen ter hoogte van [adres] te [woonplaats]. Bij de woonboot ligt een vlot van 6 bij 2,25 meter.

1.2 Bij brief van 19 september 2007 heeft eiser verweerder verzocht om duidelijkheid over de juridische status van het vlot bij zijn woonboot en de gevolgen hiervoor bij verkoop van zijn woonboot.

1.3 Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij brief van 23 oktober 2007 eiser meegedeeld dat, gelet op (de startnotitie van) het woonbotenbeleid, gedurende de duur dat eiser eigenaar is van zijn woonboot niet handhavend zal worden opgetreden. Bij verkoop van de ark vervalt de handhavingsbescherming. Deze is niet overdraagbaar op een nieuwe eigenaar. Indien er zwaarwegende belangen ontstaan die nopen tot alsnog handhaven, dan mag verweerder tot een nieuwe afweging komen ten aanzien van de handhavingsbescherming.

2. Standpunten van partijen

2.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de interpretatie van het overgangsrecht van de Nota Woonbotenbeleid in beginsel geen rechtsgevolgen heeft, zodat in beginsel geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2 Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat er geen adequate rechtgang openstaat waarmee zekerheid kan worden verkregen over zijn rechtsvraag, zodat de brief van 23 oktober 2007 is aan te merken als een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat.

2.3 Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat hij duidelijkheid wenst te verkrijgen over de status van het vlot nu dit ook van belang is voor het verkrijgen van een planschadevergoeding in geval handhavend wordt opgetreden op gemeentelijk niveau vanwege de recentelijk vastgestelde doorvaartprofielen.

3. Beoordeling

3.1 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet onder belanghebbende worden verstaan degene wiens belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb moet onder besluit worden verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State roept het door een bestuursorgaan opschrijven van zijn visie op de gevolgen van rechtsregels voor een bepaalde situatie, op zichzelf geen rechtsgevolg in het leven en houdt dus geen rechtshandeling in. Daarom is een bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In uitzonderingsituaties moet echter zo een bestuurlijk rechtsoordeel, ondanks het ontbreken van een rechtsgevolg, als besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit, met name betreffende handhaving of vergunningverlening, bij de bestuursrechter aan de orde te stellen (zie onder meer de uitspraak van 8 juli 2009, LJN: BJ1862).

3.3 Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier een uitzonderingssituatie voor. De weg die gekozen zou kunnen worden om het geschil aan de rechter voor te leggen, is door een handhavingsverzoek ten aanzien van het vlot in te (laten) dienen dan wel door een aanvraag voor een ligplaatsvergunning in te laten dienen door een nieuwe (toekomstige) eigenaar. De rechtbank acht dit onevenredig bezwarend voor eiser en leidt het laatste tot grote onzekerheid over de waarde van de woonboot van eiser. Ook gelet op de mogelijkheid om planschadevergoeding te verkrijgen, heeft eiser een rechtstreeks economisch belang bij duidelijkheid over waarde van de woonboot.

3.4 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, merkt de rechtbank eiser als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aan en de brief van 23 oktober 2007 als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft het gemaakte bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3.5 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4. Nadere overwegingen

4.1. Nu partijen de rechtbank hebben verzocht het geschil ook inhoudelijk te beoordelen en zij hun standpunten hieromtrent ook ter zitting voldoende hebben toegelicht, zal de rechtbank het geschil dat partijen verdeeld houdt ook inhoudelijk beoordelen.

4.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de regelgeving ligplaatsvergunningen voor woonboten als ontheffingen voor objecten in het water (waaronder vlotten) persoonsgebonden zijn. Ten aanzien van vlotten hanteert verweerder een uitsterfbeleid, hetgeen inhoudt dat tegen bestaande vlotten niet handhavend zal worden opgetreden en voor nieuwe vlotten geen ontheffing zal worden verleend.

4.3. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat ten aanzien van objecten (waaronder vlotten) niets is bepaald in het beleid van verweerder, zodat niet gesteld kan worden dat in dit geval per definitie sprake is van een persoonsgebonden gedoogsituatie. Volgens eiser ziet het woonbotenbeleid ook op objecten in het water.

4.4. Niet in geschil is dat het vlot sinds een tijdstip liggend voor 1993 bij eisers woonboot ligt.

4.5. Volgens het bepaalde onder 6.18 van het woonbotenbeleid van 1995 van verweerder is het op grond van de Verordening op de haven en het binnenwater (hierna: VHB) verboden op of boven het openbaar water voorzieningen aan te brengen of voorwerpen te plaatsen. Van dit verbod is ontheffing mogelijk. In de eerste beleidsnotitie (vastgesteld 19 januari 1993) is gekozen voor een actief handhavingsbeleid. Vlotten en dergelijke zijn vanaf deze datum niet toegestaan.

4.6. Er geldt wel overgangsrecht. Onder 6.19 is onder meer bepaald dat het van toepassing zijn van overgangsrecht betekent dat het stadsdeel bij handhaving in het algemeen zal moeten uitgaan van het bestaande beleid. Verkoop van een woonboot brengt geen verandering in bestaande rechten van de bewoners.

4.7. Voor een aantal beleidspunten geldt echter geen overgangsrecht zoals hierboven omschreven, omdat deze reeds op 19 januari 1993 door verweerder zijn vastgesteld (startbeleid). Het gaat daarbij om handhaving van het huidige aantal woonboten, het handhavingsbeleid ten aanzien van wrakken, vlotten en het illegaal gebruik van de walkant.

4.8. Voorts blijkt uit de beantwoording door verweerder van vragen van de Commissie van Advies voor Algemene Dienstverlening met betrekking tot het overgangsrecht, gesteld bij de behandeling van het concept woonbotenbeleid op 10 april en 13 juni 1995, dat verweerder bij handhaving in het algemeen zal uitgaan van de bestaande feitelijke situatie op 4 juli 1995. Een uitzondering hierop vormen de beleidspunten die reeds vanaf 1993 door verweerder worden gehanteerd. Het gaat hierbij het huidige aantal woonboten, het handhavingsbeleid ten aanzien van wrakken, vlotten en het illegaal gebruik van de walkant. Dit is reeds bestaand beleid vanaf januari 1993, zodat hiervoor uitgegaan wordt van de feitelijke situatie op 19 januari 1993.

4.9. In de startnotitie Woonschepenbeleid van 1993 is bepaald dat ten aanzien van illegale vlotten een actief handhavingsbeleid zal worden gevoerd. Er zijn geen bepalingen inzake het overgangsrecht opgenomen in dit beleid.

4.10. Nu in de startnotitie van 1993 niet expliciet een overgangsbepaling is opgenomen, moet op andere wijze het (gedoog)beleid ten aanzien van vlotten worden beoordeeld. Aanknopingspunt is dat de VHB uitgaat van persoonsgebonden vergunningen en ontheffingen, alsmede van persoonsgebonden overgangsrecht. Verder is van belang de wijze waarop verweerder zijn beleid uitlegt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een redelijke uitleg van het beleid met zich brengt dat ten aanzien van het vlot van eiser een persoonsgebonden gedoogbeleid geldt, in die zin dat als de huidige eigenaar van de woonboot zijn boot verkoopt, de handhavingsbescherming ten aanzien van het daarbij behorende vlot vervalt.

4.11. Dit betekent dat de gronden van eiser falen.

5.1. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar ongegrond verklaren.

5.2. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand. Voorts dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 644,-, te betalen aan eiser;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41,00 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2010.

De griffier, De rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

Coll.:

DOC: B

SB