Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6366

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
AWB 08/4823 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP4739, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verklaring van geen bezwaar. Geheime stukken. Geen weergave van de persoonlijke gedragingen en omstandigheden die tot de weigering hebben geleid. Nationale veiligheid. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/4823 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. S. Guman,

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

verweerder,

gemachtigde mr. O.J. Elbertsen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een verklaring van geen bezwaar te verstrekken ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden op Schiphol.

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2010. Partijen hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Namens eiser is aan de rechtbank ter zitting toestemming verleend als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv), om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Op 23 maart 2010 heeft de rechtbank de niet openbaar gemaakte stukken die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, ingezien. Nadat eisers gemachtigde bij schrijven van 4 mei 2010 en verweerders gemachtigde bij schrijven van 6 mei 2010 toestemming hebben verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Feiten en omstandigheden

2.1. Eiser heeft op 28 februari 2008 een verklaring van geen bezwaar aangevraagd voor het vervullen van de functie van loodsmedewerker op Schiphol. Deze functie is een vertrouwensfunctie als bedoeld in de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo).

2.2. Naar aanleiding van een uitgevoerd veiligheidsonderzoek door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft verweerder geweigerd eiser een verklaring van geen bezwaar te verstrekken. Verweerder heeft aan deze - bij het bestreden besluit gehandhaafde - weigering ten grondslag gelegd dat uit het veiligheidsonderzoek is gebleken dat er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat eiser de verplichtingen die voortvloeien uit de door hem geambieerde vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen, omdat sprake is van persoonlijke gedragingen en omstandigheden, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wvo. De AIVD heeft meegedeeld dat over de gegevens die uit het veiligheidsonderzoek naar voren zijn gekomen en die aan het besluit ten grondslag zijn gelegd, vanwege de aard van die gegevens, geen inhoudelijke mededelingen kunnen worden gedaan.

2.3. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Uit de enkele mededeling dat sprake is van persoonlijke gedragingen en omstandigheden, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wvo, kan volgens eiser niet worden afgeleid dat sprake is van onvoldoende waarborgen. Volgens eiser heeft verweerder ook nagelaten de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren en heeft verweerder aldus in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. Eiser stelt dat geen sprake is van een eerlijke procesvoering omdat hij de stukken waarop verweerder zijn beslissing heeft gebaseerd, niet mag inzien. Volgens eiser heeft verweerder bij het bestreden besluit ten slotte onvoldoende rekening gehouden met het belang van eiser dat zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder.

3. Wettelijk kader

3.1. Op grond van artikel 4, derde lid, van de Wvo belast de werkgever een persoon eerst met de vervulling van een vertrouwensfunctie, nadat Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten aanzien van die persoon een verklaring heeft afgegeven.

3.2. Op grond van 7, eerste lid, van de Wvo - voor zover hier van belang - wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de AIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie, omvat. Hierbij wordt onder meer gelet op gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

3.3. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wvo kan een verklaring slechts worden geweigerd indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank heeft op grond van artikel 87 van de Wiv kennis genomen van de stukken en deze stukken met toestemming van eiser betrokken bij haar oordeel.

4.2. Voor dit geschil is van belang dat verweerder, ter onderbouwing van zijn standpunt dat er onvoldoende waarborgen zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal vervullen, een beroep doet op gegevens die eiser niet bekend zijn. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit, anders dan eiser heeft betoogd, evenwel niet met zich dat het proces oneerlijk - en aldus in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) - te achten is. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 13 juni 2007, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BA7084) bevat de hiervoor genoemde bepaling van het EVRM minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, maar zijn deze niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het algemeen belang of belangen van derden, procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in essentie wordt aangetast. De beperkingsmogelijkheid van artikel 87 van de Wiv in samenhang met artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht belet niet dat een volledige rechterlijke toetsing van het besluit op bezwaar plaatsvindt, zodat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in essentie wordt aangetast.

4.3. Verweerder is bevoegd een verklaring van geen bezwaar te weigeren indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Verweerder komt bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn beoordelingsvrijheid toe die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van de resultaten van het onderzoek van de AIVD in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Dat in het bestreden besluit niet is beschreven welke feiten en omstandigheden tot dit oordeel hebben geleid, brengt in dit specifieke geval niet met zich dat het besluit wegens een schending van het motiveringsbeginsel of het zorgvuldigheidsvereiste voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank acht hiertoe van belang dat verweerder terecht heeft gesteld dat een verwijzing laat staan een weergave van de relevante feiten en omstandigheden uit het onderzoek van de AIVD in het bestreden besluit te veel over de (inhoud) van dit onderzoek zou kunnen prijsgeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het beschrijven of weergeven van de relevante feiten in dit besluit onder deze omstandigheden dan ook achterwege mogen laten.

4.5. Het uitgangspunt van verweerder dat het belang van de nationale veiligheid, bij afweging van de betrokken belangen, zwaarder dient te wegen dan de persoonlijke belangen van degene die de vertrouwensfunctie vervult, acht de rechtbank, gelet op het bijzondere karakter van een dergelijke functie, niet onredelijk. De omstandigheid dat eiser geen criminele antecedenten heeft en dat hij gesteld heeft niet de intentie te hebben om zijn taak niet naar behoren uit te oefenen, heeft verweerder niet behoeven aan te merken als zodanig bijzondere omstandigheden dat op grond daarvan de verklaring van geen bezwaar toch aan eiser had dienen te worden verstrekt.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond zal worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Bongers-Scheijde, rechter, in aanwezigheid van

M. van Velzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB