Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6337

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
13.706096-10 RK nummer: 10/907
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolgingsoverlevering naar Finland toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.706096-10

RK nummer: 10/907

Datum uitspraak: 9 april 2010

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 februari 2010 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 11 februari 2010 door de District Prosecutor of the District Prosecutor’s Office of Western Uusimaa, Finland. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

[adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 maart 2010. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een arrestatiebevel van de Espoo District Court van 11 februari 2010 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Finland strafbare feiten.

De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage 1) aan deze uitspraak is gehecht.

De Finse autoriteiten hebben bij schrijven van 9 maart 2010 nadere informatie verstrekt ten aanzien van voormelde feiten. Een gewaarmerkte fotokopie van deze aanvulling is door de griffier als bijlage 2) aan deze uitspraak gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen.

De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Finland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

De rechtbank leidt uit de brief van 17 maart 2010 van de District Prosecutor te Finland af dat de overlevering niet gevraagd wordt voor het lijstfeit ‘deelneming aan een criminele organisatie’. Dit feit is ook niet aangekruist op de lijst. Uit voormeld schrijven blijkt dat de opgeëiste persoon niet apart vervolgd zal worden voor deelname aan een criminele organisatie, omdat hij al verdacht wordt van ‘aggravated narcotic offences’ waarbij de deelname aan een georganiseerde groep die zich bezig houdt met het plegen van ‘serious offences’ naar Fins recht als een strafverzwarende omstandigheid wordt aangemerkt.

5. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie geeft.

De Legal adviser van het Ministry of Justice heeft op 8 maart 2010 de volgende garantie gegeven:

Please be advised that the Ministry of Justice of Finland, as the Central Authority in issues relating to the Convention on the Transfer of Sentenced Persons, hereby consents to the conversion of [opgeëiste persoon]’s potential sentence as laid down in Article 11 of the said Convention in the event of his surrender to Finland and subsequent return to the Netherlands for the execution of the sentence imposed on him in Finland.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

De feiten zijn naar Nederlands recht ook strafbaar en kunnen worden gekwalificeerd als

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A en B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 VOGP zal kunnen worden omgezet.

6. Verweren

Artikel 9 OLW

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van vervolging in Nederland. Nu niet is gebleken dat de Minister van Justitie een beslissing tot staking van de vervolging heeft genomen, dient de overlevering op grond van het bepaalde in artikel 9 OLW te worden geweigerd.

De raadsman heeft zijn standpunt dat er in Nederland een vervolging is aangevangen allereerst gebaseerd op de omstandigheid dat uit de informatie van de Finse autoriteiten blijkt dat er een intensieve samenwerking is geweest tussen de Finse en Nederlandse autoriteiten, die door de Finse justitiële autoriteiten wordt aangeduid als een Joint Pre Trial Investigation. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat zijn cliënt in eerste instantie is aangehouden als verdacht van overtreding van een in artikel 3 Overleveringswet gegeven verbod.

De officier van justitie daar tegenover gesteld dat naar haar mening geen sprake is van een Nederlandse vervolging voor de feiten waarvoor de overlevering is verzocht. Er is samengewerkt op basis van een Fins rechtshulpverzoek. Nu de identiteit van de persoon onbekend was, is er geen sprake van een signalering of het op voorhand uitvaardigen van een EAB. De officier van justitie heeft bevestigd dat de opgeëiste persoon in eerste instantie is aangehouden op grond van artikel 3 van de Opiumwet, nadat hij zich vrijwillig op het bureau had gemeld. Op basis van het door de Finse autoriteiten verstrekte signalement en een stemvergelijking ontstond het vermoeden dat dit de persoon was die door de Finse autoriteiten werd gezocht. Door de aanhouding van de opgeëiste persoon is volgens de officier van justitie niet aangevangen met een vervolging in Nederland. Na de aanhouding en inverzekeringstelling werd snel duidelijk dat de Finse justitiële autoriteiten een EAB zouden uitvaardigen en is de opgeëiste persoon aangehouden op grond van de bepalingen van de overleveringswet.

De rechtbank overweegt als volgt.

De opgeëiste persoon is op 11 februari 2010 op last van de officier van justitie te Amsterdam buiten heterdaad aangehouden op grond van artikel 3 van de Opiumwet. Uit een proces-verbaal van 22 maart 2010 blijkt dat alle opsporingshandelingen hebben plaatsgevonden op basis van een Fins rechtshulpverzoek. Vlak na de aanhouding van de opgeëiste persoon hebben de Finse justitiële autoriteiten een EAB uitgevaardigd.

De rechtbank vindt in het dossier geen aanleiding om te twijfelen aan de uitleg van de officier van justitie dat er geen sprake is van een lopende strafvervolging. De enkele aanhouding van de opgeëiste persoon en de daarop volgende inverzekeringstelling op grond van het Wetboek van Strafvordering kunnen niet als zodanig worden aangeduid. Ook uit het geheel van feiten en omstandigheden blijkt niet dat het de bedoeling is geweest van de Nederlandse autoriteiten om de opgeëiste persoon in Nederland voor deze feiten te vervolgen.

Er is derhalve geen sprake is geweest van een lopende strafvervolging in Nederland als bedoeld in artikel 9 van de OLW.

De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman

Detournement de pouvoir

De raadsman heeft in dit verband mede naar voren gebracht dat, indien het niet de bedoeling is geweest de opgeëiste persoon ter zake van overtreding van de Opiumwet te vervolgen, sprake is van détournement de pouvoir. Hij heeft daartoe betoogd dat uit de stukken blijkt dat op het moment van aanhouding een titel ontbrak om de opgeëiste persoon aan te houden op grond van de bepalingen in de overleveringswet. Er was immers geen SIS-signalering dan wel een EAB voorhanden. De bevoegdheid om op grond van de Opiumwet buiten heterdaad aan te houden is om die reden voor een ander doel gebruikt dan waarvoor zij is bedoeld, namelijk om de Finse justitiële autoriteiten in de gelegenheid te stellen een EAB uit te vaardigen. De consequentie hiervan moet zijn dat de overlevering wordt geweigerd, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van détournement de pouvoir.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de stukken blijkt dat zeer kort na de aanhouding op grond van de Opiumwet, de opgeëiste persoon in vrijheid is gesteld en vervolgens direct op grond van de bepalingen van de overleveringswet opnieuw is aangehouden. Ook al zou geoordeeld moeten worden dat de aanhouding van de opgeëiste persoon voor overtreding van artikel 3 van de Opiumwet onrechtmatig is geweest dan nog heeft dit geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de aanhouding in het kader van de procedures van de Overleveringswet.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Artikel 13 OLW is in strijd met artikel 4 KEAB

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.

Artikel 13, eerste lid, onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

Ingevolge het tweede lid van artikel 13 OLW dient op vordering van de officier van justitie van deze weigeringsgrond te worden afgezien, tenzij naar het oordeel van de rechtbank de officier van justitie niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van bedoelde weigeringsgrond en heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

1. slechts een deel van de strafbare handelingen zijn in Nederland gepleegd;

2. het onderzoek is in Finland aangevangen en er is sprake van mededaders die reeds zijn overgeleverd en die daar worden vervolgd;

3. De rechtsorde in Finland is rechtstreeks aangetast, nu de verdovende middelen daar zijn ingevoerd.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Finse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat door de feiten en omstandigheden van dit geval bij de opgeëiste persoon het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat hij in Nederland zal worden vervolgd voor overtreding van artikel 3 van de Opiumwet.

De raadsman ziet in de door de officier van justitie aangevoerde argumenten geen reden om af te zien van de weigeringsgrond, nu geen van de door haar genoemde omstandigheden opwegen tegen het bij de opgeëiste persoon door zijn (eerste) aanhouding opgewekte en gerechtvaardigde vertrouwen van verdere vervolging in Nederland.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de overleveringswet op dit punt in strijd is met het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees Aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 13 juni 2002 (verder: het Kaderbesluit). De implementatie van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4 lid 7 onder a Kaderbesluit heeft in de Overleveringswet zijn beslag gekregen in een imperatieve weigeringsgrond, hetgeen, zo stelt de raadsman, een beperking van de mogelijkheden tot overlevering inhoudt.

De raadsman heeft in dat verband naar voren gebracht dat, als uitzondering op de imperatieve weigeringsgrond uit artikel 13, eerste lid, OLW, in het tweede lid van deze bepaling een mogelijkheid is neergelegd om van die weigering af te zien. De vordering daartoe is echter voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Bovendien mag de rechtbank – volgens vaste jurisprudentie - de onderbouwing van deze vordering slechts marginaal toetsen.

Nu inperking van de mogelijkheden van overlevering in afwijking van de bepalingen van het Kaderbesluit niet toegestaan is, volgt uit de facultatieve formulering van artikel 4 Kaderbesluit dat het de rechtelijke autoriteit is die de bevoegdheid dient te hebben om overlevering toe te staan, ook als de weigeringsgronden uit het Kaderbesluit zich voordoen. Gelet op de aanhef van artikel 4 Kaderbesluit, is het Openbaar Ministerie niet de rechterlijke autoriteit die is aangewezen hierover te beslissen, aldus de raadsman.

Door de onderbouwing van de vordering van de officier van justitie indringend te toetsen, geeft de rechtbank alsnog zoveel als mogelijk invulling aan zijn verplichting tot een kaderbesluitconforme uitleg van artikel 13 OLW.

De raadsman concludeert dan ook dat de tekst van het Kaderbesluit noopt tot afwijking van de huidige jurisprudentie, waarin aan de rechtbank slechts een marginale toetsingsbevoegdheid wordt toegekend.

Gelet op het hiervoor genoemde gerechtvaardigde vertrouwen bij de opgeëiste persoon dient de rechtbank, ruim toetsend, te oordelen dat de officier van justitie niet kan komen tot haar vordering op grond van artikel 13, tweede lid, OLW.

De rechtbank overweegt als volgt

Het Kaderbesluit biedt de lidstaten de mogelijkheid om de gevallen als genoemd in artikel 4 Kaderbesluit als weigeringsgrond in hun nationale wetgeving om te zetten, krachtens welke het gerechtvaardigd is dat de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat een overleveringsverzoek weigeren.

Zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arresten in de zaken Wolzenburg (C-123/08) en Kozlowski (C-66/08) uiteen heeft gezet, vormt het beginsel van wederzijdse erkenning de basis voor de opzet van het Kaderbesluit en zijn de lidstaten in beginsel gehouden gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel. De wetgever die de gevallen beperkt waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, faciliteert in de ogen van het Hof dan ook de overlevering van gezochte personen en handelt in overeenstemming met dit beginsel van wederzijdse erkenning (C-123-08). In dezelfde lijn heeft het Hof bepaald dat staten niet bevoegd zijn om de in het Kaderbesluit neergelegde weigeringsgronden in hun nationale wetgeving een ruimere betekenis toe te kennen dan de betekenis die de begrippen op basis van hun autonome betekenis in het EU-recht toekomen (C-66-08).

De rechtbank concludeert dat lidstaten niet bevoegd zijn tot het nemen van wetgevende maatregelen waarin de weigeringsmogelijkheden voor overlevering uitgebreider zijn dan de weigeringsgronden die zijn neergelegd in het Kaderbesluit.

De rechtbank is echter van oordeel dat niet valt in te zien dat, gelet op de formulering van de aanhef van artikel 4 Kaderbesluit, het niet mogelijk zou zijn om in deze bepaling neergelegde weigeringsgronden als imperatieve weigeringsgrond in de nationale wetgeving om te zetten. Een dergelijke imperatieve formulering bevat immers op zich geen inhoudelijke uitbreiding ten aanzien van de weigeringsgronden tot overlevering die zijn neergelegd in het Kaderbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is de dwingende formulering van artikel 13, eerste lid, OLW dan ook niet in strijd met de tekst of de strekking van het Kaderbesluit.

De rechtbank kan de raadsman voorts niet volgen in zijn stelling dat het Openbaar Ministerie niet kan worden gezien als de uitvoerende rechterlijke autoriteit, als bedoeld in artikel 4 van het Kaderbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank dwingt het Kaderbesluit niet tot een zo beperkte opvatting van het begrip rechterlijke autoriteit.

Uit artikel 6 van voornoemd Kaderbesluit valt af te leiden dat het iedere lidstaat vrij staat zelf te bepalen welke autoriteit volgens zijn recht bevoegd is om – in dit geval – een EAB ten uitvoer te leggen. Dit is ook conform artikel 34 van het Verdrag van de Europese Unie, waarin wordt bepaald dat, bij de opdracht om de inhoud van het kaderbesluit te implementeren in nationale wetgeving, aan de nationale instanties de ruimte is gelaten vorm en middelen te kiezen.

Bij nota van 29 april 2004 heeft de Minister van Justitie aan het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie laten weten dat Nederland als uitvoerende justitiële autoriteiten heeft aangewezen: de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam; de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, in de rechtbank Amsterdam; en de rechtbank Amsterdam (raadsdocument 9002/04). ( Zie ook Rb. Amsterdam 3 september 2004, LJN AS3861).

Daarom levert de in art. 13 OLW neergelegde bevoegdheid van het Openbaar Ministerie naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met het gestelde in artikel 4 van het Kaderbesluit.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, van oordeel dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat zij niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 van de Overleveringswet;

de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Prosecutor of the District Prosecutor’s Office of Western Uusimaa ten behoeve van het in Finland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C.W. Bianchi, voorrzitter,

mrs. L.I.M. van Bergen en N. Rozemond, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 9 april 2010.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

A