Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM5981

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
CV 09-24951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg CAO-bepaling op basis van de door de Hoge Raad ontwikkelde CAO-norm.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0471
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM

Kenmerk : CV 09-24951

Datum : 18 maart 2010

113

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

1. de vereniging VERENIGING SENIOREN ING NEDERLAND

gevestigd te Amsterdam

nader te noemen: VSI

2. [eiser sub 2]

wonende te [woonplaats]

en

3. [eiser sub 3]

wonende te [woonplaats]

eisers

gemachtigde: mr. R. van der Stege

t e g e n:

de naamloze vennootschap ING BANK N.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam-Zuidoost

gedaagde

gemachtigde: mr. J.M. van Slooten

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het procesverloop is beschreven in het vonnis van 24 juni 2009 van de civiele sector van deze rechtbank. Ingevolge dit vonnis is de zaak verwezen naar de kantonsector van deze rechtbank.

Bij tussenvonnis van 20 augustus 2009 is een comparitie bepaald, die is gehouden op 9 oktober 2009. Partijen en hun gemachtigden zijn daar verschenen en hebben inlichtingen verschaft, eisers vertegenwoordigd door de heer [persoon 1] en gedaagde door [persoon 2]. Vervolgens zijn ingediend:

- de conclusie van repliek van eisers met bewijsstukken

- de conclusie van dupliek van gedaagde.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. VSI stelt zich blijkens haar statuten tot doel de belangenbehartiging van haar (potentiële) leden, die voor hun pensionering in dienst waren van een aan gedaagde gelieerde onderneming, die op haar beurt de pensioenen liet verzorgen door het ING Pensioenfonds. VSI heeft omstreeks 6500 leden.

1.2. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zijn beiden in dienst geweest van gedaagde. Beiden zijn eerst in aanmerking gekomen voor een VUT-uitkering en nadien voor een ouderdomspensioen.

1.3. De Stichting Pensioenfonds ING voert de pensioenregelingen uit van (voormalige) werknemers van ING Groep N.V.. Gedaagde verschaft haar daartoe de middelen.

1.4. De pensioenaanspraken worden geregeld in het Reglement Pensioenregeling ING Groep, nader te noemen: het Pensioenreglement.

1.5. De voor dit geding relevante bepalingen van het pensioenreglement luiden:

Artikel 24 Indexatie van pensioenen en (premievrije pensioenaanspraken)

1. Indien en voorzover de aangesloten ondernemingen de daarvoor benodigde bijdragen als bedoeld in artikel 26 ter beschikking stellen, zullen de ingegane pensioenen van deelnemers en gewezen deelnemers (...) worden aangepast zoals bepaald in dit lid.

(…) Indien per de datum van beëindiging van het deelnemerschap de CAO voor het bankbedrijf van toepassing is, worden telkens wanneer de lonen ingevolge de ING CAO structureel worden verhoogd, de ingegane pensioenen met eenzelfde percentage als de lonen aangepast.

Artikel 26 Financiering van de pensioenen

2. Indien de premievrije pensioenaanspraken van gewezen deelnemers en gewezen partners en de ingegane pensioenen van gepensioneerden en nabestaanden in aanmerking komen voor indexatie, zal ING aan het fonds de daarvoor benodigde koopsommen betalen.

4. In de financieringsovereenkomst is vastgelegd dat ING gerechtigd is de in het eerste en tweede lid bedoelde bijdragen te verminderen of te beëindigen in geval ING redelijkerwijs geacht mag worden niet in staat te zijn aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen zonder de continuïteit van de aangesloten ondernemingen in ernstige mate in gevaar te brengen.

1.6. ING Groep N.V. kent een eigen CAO. Over de CAO 2004-2006 is onderhandeld tussen vertegenwoordigers van ING en de vakbonden. Op 29 juni 2005 is een principe-akkoord bereikt, dat na augustus 2005 is getekend en per 23 januari 2006 is aangemeld bij het Ministerie van SZW. Partijen hebben aan de CAO terugwerkende kracht verleend tot

1 mei 2004.

1.7. De voor dit geding relevante bepalingen van de CAO luiden:

2.1.1

De persoonlijke maandsalarissen van de medewerkers en de salarisschalen worden per 1 augustus 2005 verhoogd met 1,25% en per 1 januari 2006 met 1,5% (…)

2.1.2

(…) In oktober 2005 ontvangen medewerkers die op 30 september 2005 in dienst zijn een eenmalige uitkering van 0,65% van het jaarsalaris (…). Het persoonlijke maandsalaris van september 2005 is hierbij uitgangspunt. Deze eenmalige uitkering dient ter compensatie van het feit dat de structurele verhoging van 1,25% niet plaatsvindt op 1 januari 2005. Eenmalige uitkeringen tellen niet mee bij de bepaling van de pensioengrondslag (…).

1.8. De voormelde eenmalige uitkering is verstrekt aan degenen die per 30 september 2005 in dienst van (onderdelen van) ING Groep N.V. waren.

Vordering

2. Eisers vorderen, zakelijk weergegeven:

I. te verklaren voor recht dat het pensioenreglement aldus moet worden uitgelegd dat pensioengerechtigden recht hebben op een gelijke compensatie als de in rov. 1.7 genoemde eenmalige uitkering:

II. primair: gedaagde te veroordelen om toereikende middelen aan de Stichting Pensioenfonds ING toe te kennen om de pensioengerechtigden een verhoging van 1,25% op hun pensioenuitkering over de periode van 1 januari 2005 tot 1 augustus 2005 te verstrekken;

subsidiair: gedaagde te veroordelen om toereikende middelen aan de Stichting Pensioenfonds ING toe te kennen om de pensioengerechtigden een verhoging van 0,65% op hun pensioenuitkering over 2005 te verstrekken;

III. primair: gedaagde te veroordelen om middelen te verschaffen als omschreven onder II primair, ten behoeve van [eiser sub 2] en [eiser sub 3];

IV. subsidiair: gedaagde te veroordelen om middelen te verschaffen als omschreven onder II subsidiair, ten behoeve van [eiser sub 2] en [eiser sub 3];

V. meer subsidiair: gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag aan [eiser sub 2] en [eiser sub 3] ter compensatie van het achterwege blijven van de verhoging van de pensioenuitkering over de periode van 1 januari tot 1 augustus 2005;

vermeerderd met wettelijke rente en de kosten van de procedure.

3. Eisers stellen, kort samengevat, dat de in rov. 1.7 genoemde eenmalige uitkering aan de betrokken gepensioneerden uitgekeerd dient te worden. Navraag bij de betrokkenen bij het toenmalige CAO-overleg heeft duidelijk gemaakt dat de keuze voor de eenmalige uitkering was ingegeven door praktische redenen. Voor gedaagde was het te ingewikkeld om alle salarissen met terugwerkende kracht te verhogen tot 1 januari 2005. Budgettaire redenen lagen daaraan niet ten grondslag; voor de betrokken werknemers leverde de eenmalige uitkering over de maand september 2005 vrijwel hetzelfde op als een structurele salarisverhoging van 1,25% per 1 januari 2005. Art. 24 lid 1 van het pensioenreglement bepaalt dat de pensioenen ingeval van structurele loonsverhogingen met eenzelfde percentage verhoogd zullen worden. Eisers wijzen op art. 2.1.2 van de in rov. 1.7 genoemde CAO, volgens welke bepaling de eenmalige uitkering diende ter compensatie van het achterwege blijven van de structurele verhoging van 1,25% per 1 januari 2005.

4. Volgens eisers mogen de pensioengerechtigden niet de dupe worden van het feit dat gedaagde niet in staat was de structurele verhoging toe te passen, c.q. dat het voor haar gemakkelijker was die in de gekozen vorm van een eenmalige uitkering te gieten. Zij verliezen aldus een verhoging van 1,25% over hun uitkering over de maanden januari 2005- augustus 2005 dan wel van 0,65% over het kalenderjaar 2005. Eisers, althans [eiser sub 2] en [eiser sub 3] baseren de vordering op nakoming van de pensioenovereenkomst met gedaagde, zoals neergelegd in het pensioenreglement.

Verweer

5. Gedaagde verweert zich tegen deze vordering. Haar verweren worden in het onderstaande, voor zover relevant, opgenomen en beoordeeld.

Beoordeling

6. Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord in de eerste plaats de ontvankelijkheid van VSI betwist. Ook heeft zij aangevoerd dat eisers hebben nagelaten te onderbouwen welke rechtsgrond hun vordering heeft. Na de toelichting van eisers tijdens de comparitie en bij conclusie van repliek is gedaagde op deze verweren niet meer teruggekomen, zodat aangenomen wordt dat zij die niet handhaaft.

7. Het kernpunt van het geschil tussen partijen is de vraag naar de uitleg van art. 2.1.2 van de meergenoemde CAO, in het bijzonder of de uitkering per september 2005 een eenmalig of structureel karakter heeft. Uitgangspunt bij de uitleg van CAO-bepalingen is de door de Hoge Raad ontwikkelde CAO-norm, volgens welke de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst en de toelichting daarop, van doorslaggevende betekenis zijn. Naast een taalkundige uitleg kan ook acht worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een bepaalde interpretatie van de bepaling.

8. Eisers kan worden toegegeven dat naar de bewoordingen van het betreffende tekstdeel van art. 2.1.2, de eenmalige uitkering in de plaats lijkt te zijn gekomen van een eerdere structurele salarisverhoging. Die bewoordingen zijn voor de beoordeling van het onderhavige geschil echter niet doorslaggevend. Tegen deze uitleg pleiten verscheidene argumenten van uiteenlopende aard.

9. In de eerste plaats blijkt uit de bewoordingen van hetzelfde tekstdeel ook dat juist geen structurele verhoging per 1 januari 2005 heeft plaatsgehad. Partijen zijn tot een andere regeling gekomen, die onweersproken ook op die wijze is uitgevoerd. Nu volgens dezelfde volzin de eenmalige uitkering dient ter compensatie van een structurele verhoging, is het tekstdeel voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet geheel eenduidig. Hij behoeft daarmee uitleg, hetgeen ertoe leidt dat de context beschouwd dient te worden.

10. In de tweede plaats, in het kader van die context, vermeldt het direct volgende tekstdeel dat de eenmalige uitkering niet meetelt bij de bepaling van de pensioengrondslag. Die bewoordingen wijzen erop dat de uitkering een beperkte strekking had, te weten van een zuiver eenmalige betaling aan de per 30 september 2005 in dienst zijnde werknemers, zonder invloed op andere mogelijke betalingsverplichtingen van gedaagde.

11. In de derde plaats heeft gedaagde gemotiveerd uiteengezet welke belangen zij had bij de eenmalige uitkering. Volgens haar waren de CAO-onderhandelingen complex en betroffen zij uiteenlopende onderwerpen. Indien zij de eenmalige uitkering een wijdere strekking had willen geven, had zij ten behoeve van andere categorieën (ex-)werknemers extra financiële middelen ter beschikking moeten stellen. Dat zou ten koste zijn gegaan van de financiële ruimte voor de eenmalige uitkering, gelet op de totale verplichtingen die gedaagde in het kader van de CAO-onderhandelingen wilde aangaan. Bovendien zouden die middelen een ander, langerlopend en lastiger bepaalbaar, karakter hebben dan die ten behoeve van een enkele betaling.

12. Eisers hebben dit betoog, niet c.q. onvoldoende weersproken. Uit de door eisers ingebrachte verklaring van 3 december 2009 van de heer Vlek, destijds CAO-onderhandelaar van werknemerskant, kan worden opgemaakt dat over de positie van pensioengerechtigden niet is gesproken. Dat geeft steun aan het verweer van gedaagde dat zij daarvoor geen middelen beschikbaar wilde stellen en dat zij die rechtsgevolgen niet beoogde. Dat de pensioengerechtigden mogelijk “vergeten” zijn bij de CAO-onderhandelingen, geeft geen reden om de CAO-bepaling op de door eisers bepleite wijze uit te leggen.

13. De verklaring van Vlek biedt voorts geen toereikende steun voor de belangrijkste peiler van de vordering, dat gedaagde alleen om administratieve- en uitvoeringsredenen instemde met een eenmalige uitkering. Een andere onderbouwing van die stelling hebben eisers niet gegeven: tijdens de comparitie en in de stukken hebben zij zich op het standpunt gesteld zich met name door het meer besproken tekstdeel in art. 2.1.2 van de CAO te hebben laten leiden. In hun context hebben die bewoordingen echter onvoldoende betekenis om aan te kunnen nemen dat de overeengekomen eenmalige uitkering in relevante mate vergelijkbaar is met een structurele salarisverhoging en dat art. 24 lid 1 van het pensioenreglement daarom toepassing verdient.

14. De overige stellingen en verweren behoeven met dit oordeel geen bespreking.

15. Dit betekent dat de vorderingen van eisers worden afgewezen.

16. Gelet op de uitkomst van de procedure worden eisers veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vorderingen af;

II. veroordeelt eisers in de kosten van de procedure aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op € 2.400,00, voorzover verschuldigd inclusief BTW, aan salaris van haar gemachtigde

III. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. F. van der Hoek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter