Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM5295

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
13/468238-09 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter is van oordeel dat de getuigenverklaring van de raadsonderzoekster voor het bewijs kan worden gebruikt.

Nadat verdachte zijn advocaat heeft geconsulteerd en zijn proceshouding vrijelijk heeft kunnen bespreken, heeft verdachte met een raadsonderzoekster gesproken in het kader van een voorlichtingsrapportage ten behoeve van de justitiele autoriteiten. Ter terechtzitting is de raadsonderzoekster als getuige gehoord omtrent hetgeen verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde aan haar heeft verklaard. Ter voorlichting aan de justitiele autoriteiten is een geheimhouding- dan wel verschoningsrecht niet aan de orde. Bovendien heeft de raadsonderzoekster zich niet beroepen op enig verschoningsrecht. De kinderrechter stelt vast dat de rol van de Raad voor de Kinderbescherming evident anders is dan die van de (jeugd)reclassering en dat niet kan worden gesproken van een hulpverleningsrelatie tussen de verdachte en de raadsonderzoekster. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn in de gelegenheid gesteld de getuige te ondervragen danwel te reageren op het verhoor van de getuige. Het verweer dat in strijd is gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesvoering dient dan ook te worden verworpen. De getuigenverklaring van de raadsonderzoekster kan tot het bewijs dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/468238-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 7 mei 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de kinderrechter te Amsterdam, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2010.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.C. van Ooijen en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. L. Jansen en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 24 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid snoepgoed (waaronder één of meer chocoladerepen en/of één of meer mueslirepen en/of één of meer (ontbijt)koek(en) en/of een hoeveelheid snoepmix en/of één of meer winegums en/of een hoeveelheid chips) (met een totale waarde van 1.001,35 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (winkelbedrijf) Albert Heijn To Go, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [persoon 1] (algemeen medewerker bij Albert Heijn To Go), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich naar die [persoon 1] heeft/hebben gedraaid (toen die [persoon 1] verdachte en/of zijn mededader(s) wilde vastpakken) en/of zijn, verdachtes, vuist (zichtbaar voor die [persoon 1]) heeft/hebben gebald en/of die [persoon 1] (met kracht) een (vuist)slag/stomp in het gezicht/gelaat heeft/hebben gegeven en/of die [persoon 1] (tegen de grond) heeft/hebben geduwd (waardoor [persoon 1] ten val kwam);

artikel 312 Wetboek van Strafrecht.

2. Voorvragen

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Getuigenverklaring

Ter terechtzitting van 23 april 2010 is mevrouw [persoon 2], van beroep raadsonderzoekster bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) te Amsterdam, als getuige gehoord.

De getuige heeft geen beroep gedaan op een verschoningsrecht.

De getuige heeft ter terechtzitting het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat verdachte met mij gesproken heeft over het feit en dat dit in mijn rapport van

16 september 2009 verwoord staat. Ik heb onlangs het rapport nog een keer opnieuw gelezen. Ik heb verdachte op 3 september 2009 gesproken. Voorafgaand aan het gesprek dat ik toen met verdachte had, heb ik hem gezegd dat hij niet verplicht is te antwoorden. Het is de werkwijze van de Raad dat vooraf aan de verdachte gezegd wordt dat de verdachte niet verplicht is te antwoorden. Verdachte verklaarde aan mij dat hij met vijf vrienden in de bus was. Andere jongens in de bus zeiden dat zij van plan waren te gaan stelen in de Albert Heijn en zij vroegen verdachte mee te gaan. Verdachte is achter die jongens aangegaan en hij zag hoe de jongens allemaal spullen uit de schappen haalde. Verdachte heeft toen zelf een Kinderbueno gepakt. Toen hij buiten was, zei hij dat hij spijt kreeg. Hij vertelde mij dat hij vervolgens de Kinderbueno op de roltrap heeft neergelegd omdat hij bang was.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor van 1 april 2010 is in dit specifieke geval van belang is. Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit veertien jaar oud en valt derhalve onder de A categorie in de aanwijzing. Voorafgaand aan het politieverhoor is aan verdachte medegedeeld dat hij recht had op een advocaat. Verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij bijstand van een advocaat wilde, doch later heeft verdachte verklaard dat hij geen advocaat meer wilde spreken. Gezien de leeftijd van verdachte kon verdachte voorafgaand aan het verhoor van de politie geen afstand van het recht op consultatie van een advocaat doen. De door verdachte bij de politie afgelegde verklaring dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaring van de raadsonderzoekster, mevrouw [persoon 2], wel tot het bewijs kan worden gebezigd, gelet op het feit dat het raadsrapport in het teken staat van het geven van voorlichting en niet van hulpverlening. Het raadsonderzoek is geschied geruime tijd nadat verdachte met zijn advocaat had gesproken. De voorlichting dient om te achterhalen wat verdachte heeft bewogen en tevens voor een te formuleren strafadvies. De raadsonderzoekster heeft voorafgaand aan het onderzoek ook een soort cautie aan verdachte gegeven. De raadsonderzoekster heeft zich niet op een verschoningsrecht beroepen.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het ten laste gelegde feit bewezen zal worden verklaard, met uitzondering van het ten laste gelegde geweld en/of de bedreiging met geweld, gelet op de aangifte, de getuigenverklaring van mevrouw [persoon 2] en de omstandigheden waaronder verdachte is aangetroffen ten tijde van zijn aanhouding.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van 23 april 2010 verweer gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de “Salduz-jurisprudentie” de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu sprake is van een ernstig vormverzuim in de zin van artikel 359a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De raadsvrouw heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaring van de raadsonderzoekster, mevrouw [persoon 2], niet voor het bewijs kan worden gebezigd, aangezien dit een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde zou opleveren. De raadsvrouw heeft zich hierbij onder meer beroepen op het arrest van de Hoge Raad (HR) van 18 september 2007 (LJN: BM 1937). Ook de Raad voor de Kinderbescherming staat in een hulpverleningsrelatie tot de verdachte. Het arrest van de Hoge Raad geldt dus mutatis mutandis ook voor de Raad voor de Kinderbescherming. Dientengevolge kunnen zowel het raadsrapport als de getuigenverklaring van de raadsonderzoekster, mevrouw [persoon 2], niet voor het bewijs worden gebruikt, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft hierop de kinderrechter verzocht verdachte vrij te spreken wegens gebrek aan bewijs.

4.3. Het oordeel van de kinderrechter

4.3.1. Ten aanzien van het Salduz-verweer

Ten aanzien van het door de raadsvrouw gevoerde Salduz-verweer en het standpunt van de officier van justitie hieromtrent overweegt de kinderrechter het volgende.

De kinderrechter stelt vast dat het verhoor van verdachte op het politiebureau op 25 april 2009 om 13.00 uur plaatsvond, terwijl de verdachte pas op 25 april 2009 om 17.31 uur bezoek heeft gekregen van een advocaat met wie de verdachte heeft gesproken.

De kinderrechter leidt uit de door de raadsvrouw aangehaalde rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 27 november 2008 Salduz v. Turkey en EHRM 11 december 2008 Panovits v. Cypres) en de Hoge Raad (HR 30-06-2009 LJN: BH3079) af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 van het EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Voor aangehouden jeugdige verdachten geldt dat zij tevens recht hebben op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie.

De kinderrechter verstaat onder een jeugdige verdachte een minderjarige verdachte. Als uitgangspunt wordt het moment van verhoor van de verdachte genomen. Een inmiddels meerderjarige verdachte die wordt gehoord over feiten die zijn gepleegd ten tijde van de minderjarigheid, heeft geen recht op bijstand tijdens het verhoor. De reden hiervoor is dat een meerderjarige verdachte zich niet zo snel onder druk gezet zal voelen als een minderjarige. Dit kan anders zijn indien bij de inmiddels meerderjarige verdachte sprake is van zwakbegaafdheid of van een cognitieve stoornis.

De Hoge Raad heeft bepaald dat een aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken.

De kinderrechter is echter van oordeel dat een minderjarige aangehouden verdachte geen afstand van het consultatierecht kan doen. Een minderjarige kan zijn/haar positie mogelijk minder goed overzien dan een meerderjarige en zou zich sneller dan een meerderjarige onder druk kunnen gevoelen om afstand te doen dan een meerderjarige. Consultatie van een advocaat betekent, naar het oordeel van de kinderrechter, dat verdachte een advocaat heeft gesproken, hetgeen zowel telefonisch als in levende lijven kan geschieden.

Het recht van een aangehouden minderjarige verdachte op consultatie van een advocaat vóór de aanvang van het eerste verhoor door de politie is, net als zijn recht op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie, een fundamenteel recht dat ten aanzien van alle minderjarige verdachten in alle strafzaken geldt.

Na consultatie van een advocaat kan de minderjarige verdachte wel afstand doen van het recht op aanwezigheid van een advocaat of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor. Een advocaat kan immers tijdens de consultatie de positie van de minderjarige verdachte overzien. Aan de rechtsbescherming van de minderjarige is met de consultatie van een advocaat voldaan. Indien de minderjarige verdachte afstand doet van het recht op aanwezigheid van een advocaat of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor, dient dit door de advocaat te worden bevestigd, door middel van een fax, dan wel door middel van een proces-verbaal waarin de verbalisant opneemt dat hij/zij de advocaat op dat tijdstip heeft gesproken en dat de advocaat daarin heeft verklaard dat het verhoor kan plaatsvinden zonder diens aanwezigheid.

De Hoge Raad heeft bepaald, dat, indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, dit in beginsel een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv oplevert.

Op grond van de rechtspraak van het EHRM moet worden aangenomen dat in gevallen waarvan hier sprake is, een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Daarom zal, mede gelet op de overwegingen van het EHRM in § 55, na een daartoe strekkend verweer het vormverzuim in de regel dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

In het onderhavige geval betreft het een ten tijde van het verhoor door de politie veertienjarige verdachte. Verdachte heeft tijdens het verhoor door de politie een bekennende verklaring afgelegd. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw een Salduz-verweer gevoerd, zoals in rubriek 4.2 weergegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting geen nadere verklaring afgelegd over het ten laste gelegde.

Gelet op het feit dat verdachte geen afstand van het recht op consultatie voorafgaand aan het verhoor door de politie had kunnen doen en het feit dat verdachte in het onderhavige geval zijn advocaat niet eerder dan na afloop van het verhoor door de politie heeft geconsulteerd, is sprake van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Dit leidt tot uitsluiting van de verklaring van verdachte tot het bewijs.

4.3.2. Ten aanzien van de getuigenverklaring van de raadsonderzoekster

Ten aanzien van het door de raadsvrouw gevoerde verweer ten aanzien van de getuigenverklaring van de raadsonderzoekster, mevrouw [persoon 2], en het standpunt van de officier van justitie hieromtrent overweegt de kinderrechter het volgende.

Met het consulteren van een advocaat op 25 april 2009 17.31 uur heeft verdachte vrijelijk zijn proceshouding kunnen bespreken en bepalen en is na deze consultatie de rechtsbescherming van verdachte gewaarborgd. Op 3 september 2009 heeft verdachte met een raadsonderzoekster gesproken in het kader van een voorlichtingsrapportage ten behoeve van de justitiële autoriteiten. Het doel van deze rapportage is om de justitiële autoriteiten voor te lichten over de persoon van verdachte, de persoonlijke omstandigheden en om een strafadvies te formuleren. Het begrip voorlichting ten aanzien van de persoon kan ook bevatten het gedrag en de handelingen van de persoon zelf. Anders dan de raadsvrouw stelt, kan de positie van de Raad voor de Kinderbescherming in dit kader niet gelijkgesteld worden met die van de Reclassering. De voorlichtingstaak van de Raad aan de rechtbank houdt in dat de Raad na onderzoek rapportage verschaft aan de justitiële autoriteiten. De verdachte is, dan wel kan, ervan op de hoogte zijn dat deze rapportage opgesteld wordt ten behoeve van de justitiële autoriteiten. Na de voorlichting door de Raad aan de rechtbank is er geen (nadere) (hulpverlenings)relatie tussen de Raad en de verdachte. Immers de Raad is niet de feitelijke uitvoerder van de hulpverlening; de feitelijke hulpverlening is voorbehouden aan Bureau Jeugdzorg en de Jeugdreclassering als bedoeld in artikel 1 onder f, artikel 5 en artikel 10 van de Wet op de jeugdzorg. De Raad heeft in strafzaken o.g.v. art. 494 Sv een voorlichtende en adviserende rol en o.g.v. art.77 hh van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de rol van regie en verwijzing.

Nu de rol van de Raad evident anders is dan die van de (jeugd)reclassering kan niet worden gesproken van een hulpverleningsrelatie tussen verdachte en de raadsonderzoekster. Vastgesteld kan worden dat er geen hulpverleningsrelatie bestaat, danwel zal ontstaan tussen de raadsonderzoekster en de verdachte. Ook het feit dat de raadsonderzoekster zich niet op enig verschoningsrecht beroept wijst hierop.

Uit het arrest van de HR van 18 september 2007(LJN: BM 1937) blijkt dat de cautie alleen verleend hoeft te worden bij een verhoor door de politie of justitie. Hoewel het derhalve niet is vereist, heeft de raadsonderzoekster verdachte er bovendien op gewezen dat hij niet op vragen behoefde te antwoorden.

De kinderrechter stelt vast dat er geen hulpverleningsrelatie tussen de raadsonderzoekster en verdachte bestond, dat verdachte zijn proceshouding al vrijelijk met zijn advocaat had kunnen bepalen voor het gesprek met de raadsonderzoekster, dat verdachte door de raadsonderzoekster er op is gewezen dat hij niet behoefde te antwoorden, dat niet gebleken is van dwang of misleiding en dat ook het nemo tenetur beginsel derhalve niet richtinggevend is. De HR bepaalde ook in haar voornoemde arrest dat indien er sprake is van voorlichting aan justitiële autoriteiten een verschoningrecht en geheimhoudingsplicht van een reclasseringsambtenaar niet aan de orde is en dat het de geheimhouder is die bepaalt of hij/zij van het verschoningsrecht gebruik maakt.

De kinderrechter is van oordeel dat de raadsonderzoekster als getuige kan optreden. Immers ter voorlichting aan de justitiële autoriteiten is een geheimhouding danwel verschoningsrecht niet aan de orde (HR 18-09-2007). Bovendien beroept de raadsonderzoekster zich niet op enig verschoningsrecht.

Ook zijn er geen andere redengevende omstandigheden waarom de raadsonderzoekster niet als getuige zou mogen optreden. Aan de vereisten van art. 6 EVRM inzake behoorlijke procesvoering is voldaan nu verdachte en de raadsvrouw in de gelegenheid zijn gesteld de getuige te ondervragen danwel te reageren op het verhoor van de getuige. De kinderrechter acht het van belang dat de verdediging vragen kan stellen danwel kan reageren op een getuigenverklaring zoals ondermeer artikel 6 EVRM stelt. In het onderhavige geval is hieraan voldaan. Het verweer dat in strijd is gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesvoering dient dan ook te worden verworpen. Zowel formeel o.g.v. art. 339 lid 1 sub 3 Sv als materieel kan de getuigenverklaring van de raadsonderzoekster als bewijs dienen.

4.3.3. Ten aanzien van het feit

De kinderrechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Op 24 april 2009 komt een groep van ongeveer 16 à 17 negroïde jongens, geschat in de leeftijd van ongeveer 16 à 19 jaar oud die allen in het bezit waren van sporttassen van DWS, de Albert Heijn To Go filiaal [filiaal] binnen. De aangever zag dat deze personen het filiaal inliepen en levensmiddelen uit de winkelschappen pakten. Verschillende van hen deden deze goederen in hun sporttassen, danwel in hun jaszakken. De personen kwamen alleen bij de snoepafdeling en het ijs. Nadien zag aangever dat de schappen waarin de Kinderbueno’s, Snikkers en Magnums lagen, leeg waren gehaald. Nadat de personen hun goederen hadden gepakt rende de groep personen in zijn geheel weg in de richting van de uitgang van het filiaal en vervolgens in de richting van de trein-/metroperrons gelegen aan de achterzijde van het trein-/metrostation. De aangever heeft verklaard dat aan niemand toestemming is gegeven tot het plegen van voornoemd strafbare feit en dat de goederen in eigendom toebehoren aan Albert Heijn To Go.

Ook de getuige [persoon 3], werkzaam bij het Gemeente Vervoersbedrijf Amsterdam, die zich in de Albert Heijn bevond, heeft gezien dat een groep negroïde jongens, van ongeveer 15 jaar oud, de Albert Heijn binnenkwam. Getuige [persoon 3] zag dat de jongens uit de groep voetbaltassen bij zich hadden en dat zij goederen, waaronder chocoladerepen, uit de schappen haalden en die in hun sporttassen stopten. Getuige [persoon 3] zag dat de groep de Albert Heijn verliet en dat de groep zich naar een metrostation begaf. Toen getuige [persoon 3] bij het metrostation Sloterdijk aankwam, zag hij de groep jongens die hij in de Albert Heijn de snoepwaren had zien stelen op het perron staan. Getuige [persoon 3] herkende de jongens aan hun uiterlijk, kleding en tassen. Via portofonisch contact heeft getuige [persoon 3] contact opgenomen met zijn collega’s van het Gemeente Vervoersbedrijf, opdat de metro 50 waarin de groep zich bevond met de deuren dicht stopte op de Vlugtlaan, zodat de politie de hele groep jongens een voor een uit de metro kon halen. Getuige [persoon 3] verklaarde dat hij ondertussen op station Sloterdijk bleef, alwaar hij de camerabeelden van het incident heeft bekeken. De getuige [persoon 3] heeft hierbij alle signalementen doorgegeven aan de collega’s op de Vlugtlaan. Voorts begaf de getuige [persoon 3] zich naar de Vlugltaan, alwaar hij wederom onmiskenbaar de jongens uit de groep herkende die de plundering in de Albert Heijn hadden gepleegd.

Op 24 april 2009 om 20.55 uur hebben de verbalisanten [persoon 4] en [persoon 5], brigadier van politie op het metrostation Burgemeester de Vlugtlaan te Amsterdam op heterdaad en op directe aanwijzing van de collega’s van de DCIV, [persoon 6] en [persoon 7] verdachte [verdachte] aangehouden.

Na, danwel tijdens de aanhouding van de groep bleek dat de vloer van de metrotrein bezaaid lag met lege snoepverpakkingen, soortgelijk aan het snoep dat uit de Albert Heijn was gestolen.

De medeverdachte [medeverdachte] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard:

“De naam [naam] zegt mij wel wat. Ik ken hem uit de buurt. Ik denk dat [naam] ook in de Albert Heijn is geweest.”

Ter terechtzitting van 23 april 2010, heeft de getuige, [persoon 2], raadsonderzoekster, op belofte, verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb verdachte op 3 september 2009 gesproken. Voorafgaand aan het gesprek dat ik toen met verdachte had, heb ik hem gezegd dat hij niet verplicht is te antwoorden. Het is de werkwijze van de Raad dat vooraf aan de verdachte gezegd wordt dat de verdachte niet verplicht is te antwoorden. Verdachte verklaarde aan mij dat hij met vijf vrienden in de bus was. Andere jongens in de bus zeiden dat zij van plan waren te gaan stelen in de Albert Heijn en zij vroegen verdachte mee te gaan. Verdachte is achter die jongens aangegaan en hij zag hoe de jongens allemaal spullen uit de schappen haalde. Verdachte heeft toen zelf een Kinderbueno gepakt.

De kinderrechter acht, met de officier van justitie, het ten laste gelegde geweld en/of de bedreiging met geweld tegen [persoon 1], niet bewezen.

5. Bewezenverklaring

De kinderrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat hij, verdachte,

op 24 april 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid snoepgoed, waaronder meer chocoladerepen en meer mueslirepen en meer koeken en een hoeveelheid snoepmix en meer winegums en een hoeveelheid chips, met een totale waarde van 1.001,35 euro, toebehorende aan winkelbedrijf Albert Heijn To Go.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 10 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen, waarvan 10 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 (één) jaar.

De officier van justitie heeft bij haar eis rekening gehouden met het feit dat de behandeling van de zaak van verdachte een jaar heeft geduurd, vanwege de gevolgen van de Salduz-jursisprudentie. Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte een first offender is en dat verdachte wellicht voor een HALT-afdoening in aanmerking zou kunnen zijn gekomen. Gelet op het feit dat verdachte heeft laten zien dat het het afgelopen jaar goed met hem is gegaan, vordert de officier van justitie een proeftijd van één jaar.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de kinderrechter verzocht om verdachte van het ten laste gelegde vrij te spreken. Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

8.3. Het oordeel van de kinderrechter

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De kinderrechter heeft in het voordeel van verdachte meegewogen dat verdachte een first offender is, alsmede de lange duur van de behandeling van de zaak van verdachte.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De kinderrechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5

is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 10 (tien) uren, waarvan 10 (tien) uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 (één) jaar, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.C. van Reekum, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. van Gelder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze kinderrechter van 7 mei 2010.