Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM2715

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
AWB 07/4808 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Greenpeace heeft niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek door verweerder naar te verwachten vissterfte door het onttrekken van oppervlaktewater voor koeling van een nieuwe elektriciteitscentrale onvoldoende is geweest. Evenmin heeft Greenpeace voldoende aangetoond dat technische maatregelen die verplicht zijn gesteld om de vissterfte te beperken, onvoldoende zijn. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/4808 BESLU

Uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de stichting Stichting Greenpeace Nederland,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. B.N. Kloostra,

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Verstegen.

Voorts heeft aan het geding deelgenomen:

de besloten vennootschap Nuon Power Projects I B.V.,

hierna te noemen: Nuon,

gevestigd te Amsterdam,

gemachtigden: mr. V.M.Y. van ’t Lam en mr. drs. M.M. Kaajan.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2007 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan Nuon een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) en de Wet op de waterhuishouding (hierna: Wwh) verleend voor het onttrekken van oppervlaktewater en het lozen van afvalwater ten behoeve van een in de Eemshaven te Eemsmond op te richten multi-fuel elektriciteitscentrale. Dit besluit is op 10 augustus 2007 ter inzage gelegd.

Tegen het bestreden besluit 1 voor zover dat betrekking heeft op de Wwh, heeft eiseres beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

Bij brief van 24 september 2007 heeft de Afdeling het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doorgezonden naar de rechtbank Groningen.

Bij brief van 10 december 2007 heeft de rechtbank Groningen het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorgezonden naar de rechtbank Amsterdam.

Bij brief van 18 januari 2008 heeft eiseres de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 11 september 2008 heeft Nuon een reactie gegeven.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 13 juli 2009 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd. Dit bestreden besluit 2 is op 16 juli 2009 ter inzage gelegd.

Bij brief van 23 oktober 2009 heeft eiseres de gronden van het beroep nader aangevuld. Verweerder heeft hierop nader verweer gevoerd.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2010. Eiseres is vertegenwoordigd door B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam. Voorts is namens eiseres verschenen [persoon 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door A.J. Verstegen. Voorts zijn namens verweerder verschenen [persoon 2] en [persoon 3]. Nuon is vertegenwoordigd door V.M.Y. van ’t Lam en M.M. Kaajan, beiden advocaat te Amsterdam. Voorts zijn namens Nuon verschenen [persoon 4] en [persoon 5].

Overwegingen

1. Feiten

1.1. Nuon is voornemens in de Eemshaven een multi-fuel elektriciteitscentrale met een bruto elektrisch vermogen van circa 1200 MW op te richten. In dat kader heeft Nuon op

23 oktober 2006 bij verweerder – onder meer – een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het onttrekken van oppervlaktewater aan de Wilhelminahaven en het lozen van afvalwater op de Eems, al dan niet via de Wilhelminahaven.

1.2. Op 25 juni 2007 heeft verweerder het ontwerp besluit tot verlening van de gevraagde vergunning ter inzage gelegd. Eiseres heeft hierop haar zienswijze naar voren gebracht.

1.3. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder aan Nuon de gevraagde vergunning verleend. Dit besluit is op 10 augustus 2007 ter inzage gelegd. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

1.4. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd. Dit besluit is op 16 juli 2009 ter inzage gelegd. Hierop heeft eiseres de gronden van het beroep aangevuld.

2. Juridisch kader

2.1. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden en zijn – onder meer – de Wwh en de Uitvoeringsregeling waterhuishouding ingetrokken. Uit het bij de Waterwet behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet, op dit geding van toepassing blijft.

2.2. Ingevolge artikel 1 van de Wwh wordt in het bij of krachtens deze wet bepaalde verstaan onder waterhuishouding: de overheidszorg die zich richt op het op en in de bodem vrij aanwezige water, met het oog op de daarbij betrokken belangen.

2.3. Ingevolge artikel 24, eerste lid, van de Wwh – voor zover relevant – is het in daartoe aan te wijzen gevallen verboden water te lozen in of te onttrekken aan oppervlaktewateren zonder vergunning.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden ter bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover het bij of krachtens de Wvo of de Grondwaterwet (hierna: Gww) bepaalde daarin niet voorziet.

2.4. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wwh kan de kwantiteitsbeheerder uit eigen beweging of op schriftelijk verzoek van een belanghebbende een vergunning wijzigen, dan wel geheel of gedeeltelijk intrekken.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat, behoudens ingeval de houder van de vergunning om de wijziging verzoekt, een vergunning slechts kan worden gewijzigd indien de bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover de Wvo of de Gww daarin niet voorziet, zulks vordert.

2.5. Ingevolge artikel 20 van de Uitvoeringsregeling waterhuishouding is het verboden zonder vergunning water te lozen in of te onttrekken aan rijkswateren, indien op de voorgenomen wijze van lozing of onttrekking meer dan 5000 m3 water per uur kan worden geloosd of meer dan 100 m3 water per uur kan worden onttrokken.

3. Beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit 1

3.1. Bij uitspraak van 27 augustus 2008 (LJN BE9264) heeft de Afdeling het bestreden besluit 1 vernietigd, voor zover daarbij een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wvo is verleend. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder een nieuwe Wvo-vergunning verleend en de Wwh-vergunning gewijzigd.

3.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit 2 een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb en dat dit besluit niet geheel tegemoet komt aan het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit 1. Het beroep van eiseres wordt, op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dan ook geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

3.3. In het bestreden besluit 2 heeft verweerder overwogen dat de tekst van het bestreden besluit 1, voor zover dit betrekking heeft op de Wwh, volledig vervangen wordt door de tekst van het bestreden besluit 2. Hoewel verweerder in het bestreden besluit 2 niet expliciet heeft overwogen dat het bestreden besluit 1 - voor zover dit betrekking heeft op de Wwh - wordt ingetrokken, leidt de rechtbank uit de voorgaande bewoordingen af dat verweerder heeft beoogd dit te doen. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 1.

3.4. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit 2

4.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres de beroepsgronden voor zover deze betrekking hadden op beschermde diersoorten, de Polder Breebaart en de Terschellinger Plaat als speciale beschermingszone, de effecten van lozing van warm water, alsmede de beroepsgrond inzake het 3D-model in de milieueffectrapportage ingetrokken.

4.2. Naar aanleiding van het bestreden besluit 2 is eiseres in de gelegenheid gesteld de gronden van het beroep aan te vullen. Hierop heeft eiseres aangegeven de gronden van het beroep tegen het bestreden besluit 1 te handhaven en heeft zij deze gronden nader aangevuld.

Eiseres betoogt in beroep – samengevat – dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de mate van visinzuiging, de daarmee samenhangende vissterfte en de effecten daarvan voor de visstand, zodat de vergunning in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is voorbereid en tot stand gekomen.

Eiseres voert hiertoe allereerst aan dat verweerder gehouden was het koelen van de centrale van Nuon door middel van koelwater te toetsen aan het uit de richtlijn 2008/1/EG afkomstige vereiste van de Beste Beschikbare Technieken (hierna: de BBT). Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat niet wordt betwist dat de in de vergunningaanvraag, onder verwijzing naar de BAT Reference document Industriële koelsystemen (hierna: de BREF), beschreven maatregelen ter voorkoming en beperking van visinzuiging zijn getoetst aan BBT. Eiseres betoogt echter dat Nuon onvoldoende gegevens heeft aangeleverd om te kunnen bepalen of aan BBT wordt voldaan.

Voorts voert eiseres aan dat verweerder het onderzoek naar visinzuiging en vissterfte dat achteraf is voorgeschreven, voorafgaand aan de vergunningverlening had moeten uitvoeren. Uit het bestreden besluit is niet af te leiden met welke frequentie en op welke wijze zal worden gemeten en gemonitord om een goed beeld te krijgen van de aanwezige vispopulaties en de gevolgen van het gebruik van koelwater daarop. Zelfs de summiere criteria die de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie mer) in het toetsingsadvies heeft geformuleerd, zijn niet in de vergunning overgenomen. Ook uit de door Nuon overgelegde “Samenvatting resultaten visonderzoek” van 30 december 2009 blijkt niet wanneer en waar wat moet worden onderzocht.

Nu de capaciteit van de inrichting is uitgebreid tot 1300 MW, had verweerder bovendien onderzoek dienen te verrichten naar de milieugevolgen van een centrale met deze capaciteit. Eiseres brengt verder naar voren dat haar niet duidelijk is waarom verweerder niet opnieuw advies heeft gevraagd aan het Rijksinstituut voor Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (hierna: het RIZA), nu de feitelijke en juridische situatie is gewijzigd. Zo zijn inmiddels de intrekkings- en lozingspunten van de op te richten centrale van RWE Power AG bekend, wordt er een derde nieuwe centrale in de Eemshaven opgericht en wordt de vaargeul verdiept. Ten slotte stelt eiseres zich op het standpunt dat de Wilhelminahaven wel degelijk een paai- en opgroeigebied is en verwijst ter onderbouwing naar een rapport van Bureau Waardenburg van 11 april 2008.

4.3. De rechtbank overweegt dat de Wwh, blijkens de memorie van toelichting, ten doel heeft instrumenten te verschaffen die nodig zijn om een samenhangend en doelmatig beleid en beheer te verzekeren met betrekking tot de waterhuishouding in haar geheel. Voorts bevat de wet nadere regelen met betrekking tot het kwantiteitsbeheer over het oppervlaktewater. Aan een vergunning ingevolge de Wwh kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van het belang van de waterhuishouding voor zover het bij of krachtens de Wvo of de Gww bepaalde daarin niet voorziet. Naast primair op het menselijk gebruik gerichte belangen als drinkwater, visserij, natuur en landschap, worden in dit verband in de memorie van toelichting ook ecologische belangen genoemd als bij de waterhuishouding betrokken belangen. Het belang van een goede visstand wordt in meerdere categorieën belangen genoemd. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 18 juli 1995, LJN AN4416) biedt de Wvo geen mogelijkheid om aan een vergunning ingevolge die wet voorschriften te verbinden die zien op het tegengaan van vissterfte als gevolg van het innemen van koelwater, dan wel op het instellen van een onderzoek naar de gevolgen voor de visstand door dit innemen van koelwater. Indien nodig dienen ten aanzien hiervan in de vergunning ingevolge de Wwh voorschriften te worden opgenomen.

4.4. De rechtbank stelt het volgende vast.

4.4.1. Voorafgaand aan de verlening van het bestreden besluit 1 is in het kader van de aan Nuon verleende ontheffing en vergunningen ingevolge respectievelijk de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) en de Natuurbeschermingswet (hierna: Nbw) reeds onderzoek gedaan naar vispopulaties. In de voorwaarden bij de Ffw-ontheffing is voorgeschreven dat de populatiedichtheid en leeftijdsopbouw van de in de Wilhelminahaven aanwezige vissoorten moeten worden beschreven. Blijkens de voorwaarden bij de aan Nuon verleende Nbw-vergunningen dient voorts onderzocht te worden of de Wilhelminahaven een paai- en opgroeigebied is en dienen de algemeen voorkomende vissoorten in de Wilhelminahaven en het Eems-estuarium in kaart te worden gebracht. Hierbij dient speciaal aandacht te worden besteed aan de Habitatrichtlijnsoorten Fint, Rivierprik en Zeeprik.

4.4.2. Verweerder heeft bij de beoordeling van de eerste vergunningaanvraag advies ingewonnen bij het RIZA, thans genaamd: de Waterdienst. Hierbij heeft verweerder aan het RIZA een toetsing gevraagd met betrekking tot de BBT, alsmede een toetsing in het kader van de nieuwe beoordelingssytematiek voor warmtelozingen (hierna: NBW). Het RIZA geeft in het rapport van 10 april 2007 aan dat ten aanzien van de gevolgen van onttrekking van oppervlaktewater sprake is van een leemte in de kennis. Inzuiging van vis door grote stroomsnelheden kan zich met name voordoen in paai- en opgroeigebieden waar vislarven en juveniele vissen in grote getalen aanwezig zijn. Hoe groot deze kans in de onderhavige situatie is kan het RIZA niet bepalen, omdat de populatie van bepaalde soorten in de Wilhelminahaven en de Waddenzee niet voldoende bekend is. Daarbij wordt nadrukkelijk opgemerkt dat, gezien de eigenschappen van de Wilhelminahaven, de kans dat de onttrekking zal leiden tot significante gevolgen voor de populatie gering is. Deze voorlopige conclusie van het RIZA is in lijn met de uitkomsten van het in het kader van de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet verrichte onderzoek. Het RIZA adviseert om de verhoudingsverschillen in populatiedichtheid en leeftijdsopbouw van vispopulaties in de Eemshaven en het Eems-estuarium in kaart te brengen. Indien daaruit blijkt dat alsnog sprake is van significante gevolgen, kunnen aanvullende maatregelen worden overwogen.

4.4.3. Het RIZA heeft voorts geadviseerd omtrent de aanvraag van RWE Power AG voor een Wvo/Wwh-vergunning ten behoeve van een op te richten kolengestookte elektriciteitscentrale in de Eemshaven. In het advies van 19 juni 2007 zijn de cumulatieve effecten meegewogen als gevolg van de centrales van RWE Power AG, Nuon en Electrabel. Het RIZA concludeert ten aanzien hiervan dat cumulatieve gevolgen ontbreken. Verweerder heeft dit advies van het RIZA bij de besluitvorming omtrent de vergunningaanvraag van Nuon betrokken.

4.4.4. Op 2 mei 2007 heeft de Commissie mer een toetsingsadvies uitgebracht over de juistheid en volledigheid van het door Nuon ingediende milieueffectrapport en de bijbehorende aanvulling. De Commissie mer is van oordeel dat de essentiële informatie in het milieueffectrapport en de aanvulling aanwezig is. Ten aanzien van de mogelijke inzuiging van vis geeft zij voorts aan dat in de aanvulling een goede aanzet is gegeven voor een meetprogramma en adviseert zij het beschreven onderzoek uit te laten werken en uit te voeren. In het kader van de besluitvorming omtrent het bestreden besluit 2 heeft Nuon voorts op 10 maart 2009 een nadere toelichting op het eerder ingediende milieueffectrapport gegeven.

4.4.5. Verweerder heeft de aanbevelingen van de Commissie mer en het RIZA als voorschriften bij het bestreden besluit 2 opgenomen.

Ten aanzien van de onttrekking van oppervlaktewater heeft verweerder in artikel 2, tweede lid, van de voorwaarden bij het bestreden besluit 2 de verplichting opgenomen dat het onttrekkingspunt overeen dient te komen met de locatie die is aangegeven als legendanummer 30 op de tekening in bijlage 2, behorende bij de beschikking.

Het vierde lid van artikel 2 bepaalt dat de koelwaterinlaat met het oog op het terugdringen van visinzuiging dient te zijn voorzien van een daartoe geëigende viszeefinstallatie.

Het vijfde lid bepaalt ten slotte dat Nuon ten minste zes maanden voor de inbedrijfname van het koelwatersysteem schriftelijk het ontwerp van de koelwaterinlaat en de viszeefinstallatie ter goedkeuring in moet dienen bij de hoofdingenieur-directeur. Deze zal hierover een appellabel besluit nemen.

Ten aanzien van het onderzoek naar aquatische organismen heeft verweerder in artikel 5, eerste lid, van de voorwaarden de verplichting opgenomen voor Nuon om uiterlijk

18 maanden na het van kracht worden van de vergunning bij de hoofdingenieur-directeur de resultaten in te dienen van een onderzoek naar de vraag of de Wilhelminahaven een paai- en/of opgroeigebied is voor juveniele vis, dan wel, in hoeverre vislarven daar in grote getalen voorkomen. Daarbij dient de populatiedichtheid en leeftijdsopbouw van populaties van de betreffende vissoorten in de Wilhelminahaven en het Eems-estuarium te worden meegenomen. Tevens dient steekproefsgewijs tijdens het betreffende biologische voor- en najaar de significantie te zijn vastgesteld van de vanuit de Wilhelminahaven te verwachten ingezogen hoeveelheid vis ten opzichte van de grootte van de vispopulatie in het Eems-estuarium.

Ingevolge het tweede lid van voorwaarde 5 dient Nuon, indien uit het in het eerste lid bedoelde onderzoek blijkt dat er sprake is van significante hoeveelheden ingezogen vis, een onderzoek naar aanvullende maatregelen te verrichten. Dit onderzoek betreft de technische mogelijkheden om intrek van aquatische organismen tegen te gaan en de technische mogelijkheden om de overlevingskansen van aquatische organismen te vergroten. De technisch haalbare maatregelen moeten eveneens worden onderzocht op economische aspecten.

Het derde lid van voorwaarde 5 bepaalt dat Nuon – indien van toepassing – uiterlijk

12 maanden nadat de resultaten van het in het eerste lid bedoelde onderzoek zijn ingediend, de resultaten van het in het tweede lid bedoelde onderzoek bij de hoofdingenieur-directeur moet indienen.

Ingevolge het vierde lid van voorwaarde 5 dient Nuon uiterlijk drie maanden na het van kracht worden van de vergunning bij de hoofdingenieur-directeur de opzet van het in het eerste lid bedoelde onderzoek in te dienen.

Het vijfde lid bepaalt ten slotte dat alle bedoelde onderzoeken in dit artikel dienen te worden uitgevoerd in overleg met de hoofdingenieur-directeur. De resultaten van de onderzoeken behoeven tevens schriftelijke goedkeuring van de hoofdingenieur-directeur. Deze zal hierover een appellabel besluit nemen.

4.5.6. Gedurende een jaar heeft Nuon, ter vervulling van bovenstaande voorschriften – in samenwerking met RWE Power AG – bevissingen laten uitvoeren in de Wilhelminahaven, het Doekegat en de Eems. Er is daarbij met name gekeken naar de aanwezigheid van juveniele, visseneieren en -larven. Uit de samenvatting van het rapport van 30 december 2009 volgt dat wordt geconcludeerd dat visseneieren in de haven in het geheel niet zijn aangetroffen en dat het gehalte aan vissenlarven in de haven ongeveer de helft lager was dan gevonden werd in de andere onderzoekslocaties Doekegat en Eems. De uikomsten van het onderzoek wijzen er in hun totaliteit op dat de Wilhelminahaven geen noemenswaardige functie als paaigebied heeft. De Fint, Rivierprik en de Zeeprik zijn gedurende de onderzoeksperiode van ruim een jaar niet in de Wilhelminahaven waargenomen.

4.5. De rechtbank overweegt dat zij in de door eiseres aangevoerde argumenten onvoldoende aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat het bestreden besluit 2 niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Gelet op het door verweerder en vergunninghouder verrichte onderzoek en de uitkomsten daarvan, zoals deze hiervoor zijn weergegeven, heeft eiseres haar stelling dat verweerder gehouden was om voorafgaand aan vergunningverlening feitelijk en niet slechts theoretisch onderzoek te verrichten, onvoldoende onderbouwd.

4.5.1. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat tegen een goedkeuringsbesluit, dan wel de onthouding van goedkeuring aan het ontwerp van de koelwaterinlaat en de viszeefinstallatie, bezwaar en beroep openstaat. Voorts staat bezwaar en beroep open tegen een besluit tot goedkeuring, dan wel onthouding van goedkeuring van de resultaten van de in artikel 5 van het bestreden besluit 2 voorgeschreven onderzoeken. De rechtbank hecht daarbij groot belang aan het door verweerder ter zitting nogmaals benadrukte uitgangspunt, dat Nuon niet mag aanvangen met het onttrekken van oppervlaktewater en het lozen van afvalwater, voordat de hoofdingenieur-directeur een definitief besluit heeft genomen met betrekking tot de onderzoeksresultaten. Door Nuon is dit standpunt voorts niet betwist. Naar aanleiding van de onderzoeksuitkomsten zal verweerder zo nodig aanvullende maatregelen opleggen aan Nuon. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank de stelling van eiseres – dat verweerder de door de Commissie mer in het toetsingsadvies geformuleerde criteria niet of onvoldoende in de vergunning heeft overgenomen – niet volgen. Ook het betoog van eiseres dat verweerder als gevolg van de capaciteitsvergroting van de centrale tot 1300 MW nader onderzoek diende te verrichten, kan niet slagen. Zoals door de gemachtigde van verweerder ter zitting is benadrukt, is het bestreden besluit 2 genomen op grondslag van de aanvraag, waarin een centrale met een vermogen van 1200 MW is opgenomen.

4.5.2. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet gehouden was een nieuw advies in te winnen bij het RIZA. In het nader verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat de bij de besluitvorming, naast het oorspronkelijke MER, gebruik is gemaakt van het meer recente MER dat is opgesteld naar aanleiding van de aanvraag voor een Wvo/Wwh-vergunning door RWE Power AG. In dit rapport zijn de cumulatieve effecten als gevolg van de lozingen van de drie betrokken centrales van Electrabel, Nuon en RWE Power AG beschreven, welke effecten minimaal zijn. Voorts heeft verweerder naar voren gebracht dat de locaties van de onttrekkings- en lozingspunten van de centrale van RWE Power AG ten tijde van de beoordeling van de aanvraag in voldoende mate bekend waren. Niet gebleken is en door eiseres is voorts niet nader onderbouwd dat de verdieping van de vaargeul en de haven de gevolgen van de onttrekking en lozing in het kader van de Wwh-vergunning versterkt dan wel beïnvloedt.

4.5.3. Voorts heeft eiseres de gegevens die ten grondslag liggen aan de conclusie van verweerder dat de Wilhelminahaven geen paai- en opgroeigebied is, onvoldoende onderbouwd betwist. De rechtbank acht verweerders conclusie dusdanig aannemelijk gemaakt, dat het door eiseres overgelegde rapport van Bureau Waardenburg onvoldoende aanleiding geeft anders te oordelen.

4.5.4. Nu gebleken is dat verweerder het door Nuon in de vergunningaanvraag beschreven koelsysteem heeft getoetst aan de BREF Industriële koelsystemen, kan in het midden blijven of (artikel 24 van) de Wwh de toepassing van BBT voorschrijft bij het koelen van een installatie middels koelwater. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ziet de rechtbank - anders dan eiseres - geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of het beschreven koelsysteem voldoet aan het vereiste van de BBT. In het verlengde daarvan ziet de rechtbank voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Nuon gehouden was van Nuon verdergaande maatregelen dan BBT te verlangen.

4.7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit 2 met de daarbij vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Van strijd met artikel 3:2 van de Awb is derhalve, anders dan eiseres betoogd heeft, geen sprake.

4.8. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank nog het volgende op. Indien eiseres na de realisatie en ingebruikname van de centrale meent dat de bescherming van de waterhuishouding dat vereist, dan kan zij verweerder met toepassing van artikel 30 van de Wwh verzoeken om de vergunning te wijzigen, dan wel om deze geheel of gedeeltelijk in te trekken.

4.9. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 zal ongegrond worden verklaard.

5. Conclusie

5.1. Nu het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk wordt verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond wordt verklaard, bestaat geen aanleiding te bepalen dat de rechtspersoon waartoe verweerder behoort aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.P.J. van Os van den Abeelen, voorzitter,

mrs. M.P. Verloop en P.H.A. Knol, leden, in aanwezigheid van mr. C.J. Baijens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010.

De griffier, De voorzitter,

is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, gevestigd te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB