Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM2214

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
AWB 08-3782 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg artikel 75, tweede lid, van Verordening 1408/71. Niet verzekerde ouder in Polen. Rechthebbende ouder in Nederland. Kinderbijslag komt niet ten goede van de kinderen. Ten onrechte geen contact opgenomen met Poolse orgaan. Kinderbijslag moet worden uitbetaald aan eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/3782 AKW

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats] [land],

eiseres,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

zetelend te Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde mr. P.C.J. van de Nes.

1. Procesverloop

Verweerder heeft eiseres bij besluit van 4 oktober 2004 meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van 2004 omdat zij niet verzekerd is ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Mede in het licht van de aanvraag leest de rechtbank dit besluit tevens als een weigering aan eiseres kinderbijslag uit te betalen.Tegen dit besluit heeft eiseres op 15 november 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 februari 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres op 25 maart 2005 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 19 september 2007 (reg.nr. AWB 05/1524 AKW) heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en heeft zij verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres.

Bij de hiervoor genoemde uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat verweerder, gelet op het beroep van eiseres op artikel 75, tweede lid, van EG-Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening) contact had moeten opnemen met het Poolse orgaan (het Regionaal Centrum).

Verweerder heeft op 19 augustus 2008 opnieuw op het bezwaar beslist en heeft dit bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 20 september 2008 beroep ingesteld tegen het besluit van 19 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2009. Eiseres is niet verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiseres woont in [land]. Zij is gehuwd geweest met [naa[naam 1] (hierna: [naam 1]), die in de periode in geding in Nederland woonde dan wel werkzaam was en als zodanig verzekerd ingevolge de AKW. De twee uit het huwelijk van eiseres en [naam 1] geboren kinderen hebben altijd bij eiseres gewoond. Eiseres en [naam 1] zijn eind 2004 van echt gescheiden. Eiseres is belast met de zorg voor de kinderen.

2.2. Artikel 75, tweede lid, van de Verordening luidt als volgt.

Indien degene aan wie de gezinsbijslagen moeten worden verleend, deze niet voor het onderhoud van de gezinsleden besteedt, betaalt het bevoegde orgaan, op verzoek en door tussenkomst van het orgaan van hun woonplaats dan wel van het orgaan of de instelling welke daartoe door de bevoegde autoriteit van het land waar zij wonen, is aangewezen, deze bijslagen uit aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon te wiens laste de gezinsleden in feite komen, hetgeen volledige kwijting van het bevoegde orgaan inhoudt.

2.3. Verweerder is van mening dat eiseres geen recht heeft op (uitbetaling van de) kinderbijslag omdat gebleken is dat de rechthebbende op de kinderbijslag, [naam 1], in de in het geding zijnde kwartalen heeft voldaan aan de onderhoudseis. Nu de bijdrage van [naam 1] hoger is dan de kinderbijslag kan niet worden gesteld dat de kinderbijslag niet aan de kinderen wordt besteed.

2.4. Eiseres heeft het volgende aangevoerd. De door [naam 1] overgelegde stukken waaruit zou blijken van de vereiste onderhoudsbijdrage hebben betrekking op de aan hem opgelegde alimentatieverplichting, niet op kinderbijslag. De kinderbijslag wordt niet besteed aan de kinderen. De alimentatie is vastgesteld aan de hand van de inkomsten van [naam 1], maar bij die inkomsten is geen rekening gehouden met de door [naam 1] ontvangen kinderbijslag. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat verweerder zich niet aan de eerdere rechtbankuitspraak heeft gehouden waar het betreft de termijn waarbinnen opnieuw op het bezwaar moest worden beslist en de terugbetaling van het griffierecht.

2.5. Niet is in geschil dat eiseres zelf niet AKW-verzekerd is, nu zij niet in Nederland woont of loonbelastingplichtige arbeid verricht, en zij evenmin op grond van een bepaling in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) als verzekerde kan worden aangemerkt. De beoordeling door de rechtbank richt zich op de vraag of eiseres in aanmerking komt voor uitbetaling van de aan haar ex-echtgenoot toegekende kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2004, op grond van artikel 75, tweede lid, van de Verordening. Nu is voldaan aan de daarin genoemde voorwaarde dat het verzoek om uitbetaling aan eiseres afkomstig moet zijn van het orgaan van de andere lidstaat, in casu [land], en voorts niet is bestreden dat eiseres met de zorg voor de kinderen is belast, komt het aan op de beoordeling van de derde voorwaarde, inhoudende dat de rechthebbende ([naam 1]) de kinderbijslag niet besteedt aan het onderhoud van zijn gezinsleden.

2.6. Verweerder stelt dat ervan moet worden uitgegaan dat de aan [naam 1] uitgekeerde kinderbijslag wordt aangewend voor de kinderen, nu hij door betaling van de kinderalimentatie heeft voldaan aan de in het nationale recht neergelegde onderhoudseis. Daarmee kan geacht worden te zijn voldaan aan het bepaalde in artikel 75, tweede lid, van de Verordening.

2.7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee een onjuiste interpretatie hanteert van het bepaalde in artikel 75, tweede lid, van de Verordening. Dat [naam 1] voldoet aan de onderhoudseis is weliswaar van belang voor de vraag wie rechthebbende is ten aanzien van de kinderbijslag. Dit is echter niet het punt van geschil. Het gaat in deze zaak niet om de vraag wie rechthebbende is maar om de vraag aan wie de kinderbijslag moet worden uitbetaald. Uit de aanvraag en de in het kader daarvan door eiseres overgelegde stukken en verstrekte toelichting blijkt dat het eiseres ook vooral om de feitelijke uitbetaling was te doen. In haar brief van 20 juli 2004 heeft zij verweerder bericht dat zij is belast met de zorg voor de kinderen en dat haar ex-echtgenoot haar niet de kinderbijslag doet toekomen. Daarmee heeft zij vanaf de aanvraag een beroep gedaan op artikel 75, tweede lid, van de Verordening.

2.8 Uit artikel 75, tweede lid, van de Verordening blijkt duidelijk van de bedoeling om aan een ouder die zelf geen rechthebbende is, kinderbijslag te kunnen uitkeren in de situatie dat de wel rechthebbende deze bijslag niet ten goede laat komen aan de kinderen. De rechtbank is van oordeel dat de tekst van het verordeningsartikel geen ruimte laat voor de opvatting van verweerder dat [naam 1] met het overmaken van een bepaald bedrag per maand in het kader van een kinderalimentatieverplichting heeft voldaan aan de voorwaarde dat hij de kinderbijslag aan zijn kinderen besteedt. Eiseres heeft gesteld dat [naam 1] de kinderbijslag niet aan de kinderen besteedt. Zij heeft er daarbij onbetwist op gewezen dat de Poolse rechter [naam 1] ook heeft veroordeeld tot het betalen van alimentatie voor de kinderen. Verweerder heeft, ondanks de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2007, geen contact opgenomen met het Poolse orgaan. De daaruit voortvloeiende onduidelijkheid dient thans voor rekening van verweerder te komen.

2.9. De rechtbank oordeelt dan ook dat eiseres recht heeft op uitbetaling van de kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2004. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 75, tweede lid, van de Verordening. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien, mede gelet op het feit dat dit reeds de tweede beroepszaak is van eiseres. Zij zal aldus het primaire besluit herroepen voor zover hierbij is geweigerd aan eiseres de aan haar ex-echtgenoot toegekende kinderbijslag uit te betalen en verweerder gelasten de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2004 aan eiseres uit te betalen.

2.10. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep zal verweerder aan eiseres het door haar in deze zaak betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

2.11. Ten aanzien van de klacht van eiseres over het uitvoering geven door verweerder aan de vorige rechtbankuitspraak stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat het griffierecht in die eerdere zaak alsnog aan eiseres zal worden vergoed.

2.12. Ten aanzien van het niet houden door verweerder aan de termijn waarbinnen opnieuw op het bezwaar van eiseres moest worden beslist overweegt de rechtbank dat eiseres terecht hiervan in beroep is gekomen. Omdat niet is gebleken van uit de overschrijding voortvloeiende schade laat de rechtbank, mede gelet op de inhoud van overweging 2.10, het bij deze vaststelling.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit voor zover hierbij is geweigerd aan eiseres de aan haar ex-echtgenoot toegekende kinderbijslag uit te betalen;

- gelast verweerder de aan de ex-echtgenoot toegekende kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van 2004 aan eiseres uit te betalen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 september 2008;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mrs. J.H.M van de Ven en A.J. van Putten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier,

en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B