Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM1415

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
454024 / KG ZA 10-566 JG LB 454030 / FA RK 10-2118 JG LB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Gelet op de verklaringen bij de aangifte is de rechter van oordeel dat de aanwezigheid van de vrouw een ernstig vermoeden van gevaar voor de veiligheid van de kinderen oplevert. Bij de belangenafweging is het belang van de kinderen bij veiligheid zeer hoog te achten en gaat voor op belang van de vrouw. Ondanks de overtuiging dat over en weer een en ander heeft plaatsgevonden is het ingrijpen van de gemeente redelijk nu het recente incident beslissend was.

Een ruimere interpretatie van het RiHG leidt niet per definitie tot een onjuiste belangen afweging. De feiten en omstandigheden zijn doorslaggevend voor deze afweging. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

Voorzieningenrechter

zaaknummer / rekestnummer: 454024 / KG ZA 10-566 JG LB

454030 / FA RK 10-2118 JG LB

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

gedaan op 18 maart 2010 naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende op een onbekend adres,

verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

gemachtigde mr. M.G. Coutinho te Amsterdam,

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

verwerende partij,

zetelende te Amsterdam,

gemachtigde mr. J. Pot te Amsterdam,

in welke zaak als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen de man.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2010 heeft verweerder aan de vrouw een tijdelijk huisverbod opgelegd van 13 maart 2010 3.30 uur tot 23 maart 2010 3.30 uur.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de vrouw de bij brief van 16 maart 2010 beroep ingesteld.

Tevens heeft de vrouw bij brief van 16 maart 2010 de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De minderjarige [zoon 1] is door de rechter gehoord.

Het verzoek en het beroep zijn ter zitting gevoegd behandeld.

De vrouw is daar verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A. Berends. Verder zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. V. Stokvis.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 18 maart 2010 heeft de rechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechter gewezen op de rechtsmiddelen, zoals onder aan dit proces-verbaal vermeld.

De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

2. De beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Awb (hierna: Awb) af.

- verklaart het beroep ongegrond.

3. De overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De rechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

3.1 De feiten

Bij de beoordeling van het verzoek gaat de rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De vrouw en de man wonen gezamenlijk op het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) en zijn daar allen ingeschreven.

In de woning verblijven tevens hun 3 minderjarige zoons [zoon 1], geboren op [geboortedatum] 1996, [zoon 2] geboren op [geboortedatum] 1999, en [zoon 3], geboren [geboortedatum] 2003.

De man heeft zich op 13 maart 2010 gezamenlijk met [zoon 1] en [zoon 2] bij de politie gemeld met de mededeling zojuist te zijn mishandeld door zijn vrouw. Zij verklaren dat de vrouw het geluid van de computer te hard vond en vervolgens de modem ontkoppelde. Toen [zoon 1] verzocht het internet weer aan te sluiten heeft de vrouw [zoon 1] zonder reden op de borst geslagen. Toen [zoon 2] en de man achtereenvolgens er tussen sprongen om het geweld te beëindigen, heeft de vrouw hen ook geslagen. Verder verklaren zij dat de vrouw aan haren en oren heeft getrokken.

Uit het proces-verbaal “van bevindingen omtrent beslissing huisverbod” blijkt dat de vrouw zich verschuilt achter externe oorzaken en het geweld minimaliseert. Het geweld is de laatste weken toegenomen. De man en kinderen vrezen toekomstig geweld.

De hulpofficier heeft in het kader van het onderzoek het formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) ingevuld. Op basis daarvan heeft hij geconcludeerd dat een huisverbod dient te worden opgelegd. Het voornemen om een huisverbod aan de vrouw op te leggen is aan haar kenbaar gemaakt. Haar reactie hierop was dat zij het snapte.

Ter motivering van het huisverbod heeft verweerder gesteld dat de kinderen getuige en slachtoffers van het geweld tussen de ouders zijn en dat zij worden geslagen. Bij verweerder bestond de indruk dat de kinderen worden gebruikt en worden opgezet om een kant te kiezen in de echtscheidingsprocedure.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de vrouw gelast de woning onmiddellijk te verlaten en deze niet te betreden of zich in de omgeving daarvan op te houden, gedurende de periode van 13 maart 2010, 3.30 uur tot 23 maart 2010, 3.30 uur, alsmede haar verboden om met de man en de minderjarige zoons contact op te nemen gedurende die periode. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 9 oktober 2008, houdende regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod, Stb 2008, 421, hierna: Wth).

Dit besluit heeft verweerder gegrond op de stelling dat de aanwezigheid van de vrouw een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de man en de twee oudste kinderen. De (gewelds)antecenten, het lichamelijke geweld in de vorm van stompen en haren trekken, de toename in de geweldsontwikkeling en het feit dat de kinderen getuige zijn geweest van het geweld rechtvaardigen het opleggen van een huisverbod.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat van de vrouw geen dreiging uitgaat. Het RiHG is ingevuld uitgaande van onjuiste feiten. Er zijn thans al meerdere hulpverleningsinstanties actief bij het gezin betrokken, welke door de vrouw zijn geïnitieerd.

De vrouw ontkent dat zij de man en de kinderen heeft mishandeld. Zij ontkent voorts dat zij in de afgelopen weken meermalen geweld heeft gebruikt.

De vrouw wordt sinds 9 jaar door de man mishandeld. Hij hitst de kinderen van partijen tegen haar op en geeft hen opdracht om de vrouw te slaan. De vrouw heeft opnieuw een echtscheidingsprocedure gestart en zij heeft op 9 maart 2010 bij voorlopige voorziening verzocht om de kinderen aan haar toe te vertrouwen, alsmede het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te wijzen.

3.2 De beoordeling

Op grond van artikel 2 Wth kan de burgemeester een huisverbod als het onderhavige opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

De rechter heeft dan ook allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder op grond van feiten of omstandigheden ten minste een ernstig vermoeden heeft kunnen hebben dat de aanwezigheid van de vrouw in de woning een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van één of meer van haar huisgenoten.

Deze vraag beantwoordt de rechter bevestigend op grond van de volgende overwegingen.

De rechter stelt voorop dat duidelijk is dat er tussen de man en de vrouw sprake is van een escalerende situatie en dat de kinderen te lijden hebben onder deze situatie. In het gezin is in dat verband begin 2010 crisisinterventie geweest door de afdeling Spirit. Voorts beschuldigen partijen elkaar over en weer van mishandeling van een of meerdere huisgenoten en bevinden zich in het politieregistratiesysteem diverse mutaties van huiselijk geweld.

Ten aanzien van het incident dat binnen het gezin heeft plaatsgehad op 12 maart 2010, acht de rechter aannemelijk dat de vrouw daarin een belangrijke rol heeft gespeeld. [zoon 1] en [zoon 2] verklaren dat de vrouw hen met de vlakke hand heeft geslagen. De vader verklaart tevens dat de vrouw hard aan zijn oren en haren heeft getrokken. Dit blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen dat deel uitmaakt van het bestreden besluit. Voorts komt de toedracht van die avond zoals vermeld in dit proces-verbaal, overeen met hetgeen [zoon 1] tegen de rechter voorafgaand aan de zitting heeft gezegd. De vrouw ontkent dat zij de kinderen heeft geslagen. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt echter dat de vrouw zelf heeft verklaard dat zij [zoon 2] opzij heeft geduwd en de man heeft geschud bij zijn schouders.

Uit de verklaringen van de verbalisant in het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de kinderen stil en geschrokken waren ten tijde van de aangifte. Daarbij heeft [zoon 2] geantwoord op de vraag van de verbalisant dat het niet goed met hem ging.

Er is sprake van een eerdere, recente, melding van huiselijk geweld door de vrouw. Op 4 maart 2010 heeft de oudste zoon tegenover de politie verklaard dat hij door de vrouw is geslagen en dat zijn jongere broertje te hulp kwam en vervolgens zijn vader en dat ze allen klappen kregen.

Gelet op het voorgaande is de rechter van oordeel dat de aanwezigheid van de vrouw een ernstig vermoeden van gevaar voor de veiligheid van de kinderen oplevert. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden bevoegd kunnen achten om aan de vrouw een huisverbod op te leggen ten einde een afkoelingsperiode in te lassen, gedurende welke de hulpverlening op gang gebracht kan worden.

De rechter staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het opleggen van een huisverbod heeft kunnen komen.

Deze vraag beantwoorde de rechter bevestigend op grond van de volgende overwegingen.

De burgemeester dient een afweging te maken tussen de veiligheid van de kinderen en het belang van de vrouw in haar woning te blijven. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het belang van de kinderen bij veiligheid zeer hoog te achten is en daarmee dan ook voor gaat op het belang van de vrouw. Daarbij heeft de rechtbank wel de overtuiging dat over en weer het een en ander heeft plaatsgevonden, gelet op de verschillende geweldsmutaties. Ook aannemelijk is dat de man in het verleden ook de vrouw heeft geslagen. Op het moment van opleggen van het huisverbod was echter het incident van 12 maart 2010 beslissend, wat het ingrijpen van de gemeente op dat moment redelijk maakt.

De vrouw stelt dat het RiHG onjuist is ingevuld, zodat de burgemeester een onjuiste belangenafweging aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft erkend dat sommige signalen ruimer zijn geïnterpreteerd, zoals bijvoorbeeld geweldsmutaties die ook aangiftes door de vrouw zelf betreffen.

In artikel 2 van het Besluit is bepaald welke feiten en omstandigheden de burgemeester dient te betrekken bij een besluit om op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth een huisverbod op te leggen. Invulling van het RiHG wordt door de Wth niet geëist, dit is slechts een hulpmiddel. De in aanmerking genomen feiten en omstandigheden sluiten voldoende aan bij de condities van artikel 2 van de Wth, zodat naar het oordeel van de rechter niet kan worden geoordeeld dat een onjuiste belangenafweging aan het besluit ten grondslag is gelegd.

Het gegeven dat de vrouw de hulpverlening voor het gezin heeft geïnitieerd maakt deze afweging niet anders.

Het beroep is dan ook ongegrond. De rechter ziet daarom voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter eveneens geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: