Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0977

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
13/997031-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van het hem telastegelegde. Op grond van de Europeesrechtelijke jurisprudentie met betrekking tot de onschuldpresumptie, mag de rechter zich bij de beoordeling van verzoekschriften om schadevergoedingen niet uitlaten over de eventuele schuld van de verzoeker aan de verweten feiten. Dit ligt evenwel anders als het gaat om uitlatingen over de gronden van verdenking die er jegens verzoeker bestonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de jurisprudentie van het EHRM echter worden afgeleid dat de onschuldpresumptie er aan in de weg staat om de gronden van verdenking mee te wegen in een verzoekschriftprocedure ex artikel 89 en 591a Sv, als er sprake is van een onherroepelijke vrijspraak. Ten aanzien hiervan heeft het EHRM immers overwogen dat ’even the voicing of suspicions’ niet meer is toegestaan. De officier van justitie heeft aangevoerd dat verzoeker de verdenking die jegens hem bestond in stand heeft gelaten doordat hij geen enkele verklaring heeft willen afleggen. Dit zwijgrecht kan verzoeker in de onderhavige procedure worden tegengeworpen aldus de officier van justitie. De rechtbank deelt dit standpunt, gelet op voorgaande overwegingen, niet. Bij de beoordeling van het verzoekschrift kan immers, gelet op de onschuldpresumptie na een onherroepelijke vrijspraak, het eventuele voortbestaan van een verdenking geen rol meer spelen. De rechtbank acht derhalve gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van € 25.785,-. Voor het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift zal de rechtbank de standaardvergoeding toe kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2010, 50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM, TWAALFDE KAMER

Parketnummer: 13/997031-05

RK: 09/4184

BESCHIKKING

Op de verzoeken ex artikel 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

wonende op het adres [adres],

voor dit verzoek woonplaats kiezende op het kantoor van zijn raadsman,

mr. P.J. Silvis, Tuinlaan 120, 3111 AX Schiedam,

verzoeker.

Procesgang.

Het verzoek is op 17 juli 2009 ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

De rechtbank heeft op 10 februari 2010 de vervanger van de raadsman van verzoeker, te weten mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Inhoud van het verzoekschrift.

De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het verzoekschrift, strekkende tot het toekennen van een vergoeding voor de schade die verzoeker tengevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis stelt te hebben geleden tot een bedrag van € 26.830,-.

Beoordeling.

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Verzoeker is op 2 juni 2009 door de meervoudige kamer van deze rechtbank vrijgesproken van het hem telastegelegde.

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de door de raadsman ingediende verzoeken dienen te worden afgewezen, nu er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bij toewijzing het daarvoor gebruikelijke standaardtarief moet worden gehanteerd.

De officier van justitie heeft haar op schrift gestelde toelichting aan de rechtbank overgelegd. Deze toelichting is als bijlage aan deze beschikking gehecht en dient te worden beschouwd als hier ingevoegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er in de zaak van verzoeker wel gronden van billijkheid aanwezig zijn om een schadevergoeding toe te kennen. De raadsman heeft voorts verklaard dat er in totaal voor 15 dagen een vergoeding wordt gevraagd à € 95,- per dag.

De rechtbank overweegt als volgt.

De strafzaak tegen verzoeker onder bovenvermeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

- Gronden van billijkheid -

De toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 89 en 591a, tweede lid, Sv heeft steeds plaats indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Bij de beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn om tot toekenning van schadevergoeding over te gaan staat voorop dat verzoeker is vrijgesproken van de aan hem telastegelegde feiten.

Op grond van de Europeesrechtelijke jurisprudentie met betrekking tot de onschuldpresumptie, mag de rechter zich bij de beoordeling van verzoekschriften om schadevergoedingen niet uitlaten over de eventuele schuld van de verzoeker aan de verweten feiten. Dit ligt evenwel anders als het gaat om uitlatingen over de gronden van verdenking die er jegens verzoeker bestonden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de jurisprudentie van het EHRM echter worden afgeleid dat de onschuldpresumptie er aan in de weg staat om de gronden van verdenking mee te wegen in een verzoekschriftprocedure ex artikel 89 en 591a Sv, als er sprake is van een onherroepelijke vrijspraak. Ten aanzien hiervan heeft het EHRM immers overwogen dat ’even the voicing of suspicions’ niet meer is toegestaan.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verzoeker de verdenking die jegens hem bestond in stand heeft gelaten doordat hij geen enkele verklaring heeft willen afleggen. Dit zwijgrecht kan verzoeker in de onderhavige procedure worden tegengeworpen aldus de officier van justitie.

De rechtbank deelt dit standpunt, gelet op voorgaande overwegingen, niet. Bij de beoordeling van het verzoekschrift kan immers, gelet op de onschuldpresumptie na een onherroepelijke vrijspraak, het eventuele voortbestaan van een verdenking geen rol meer spelen.

De rechtbank acht derhalve, alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de levensomstandigheden van verzoeker, gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van na te noemen hoogte.

Bij het bepalen van het aantal dagen dat de verzoeker in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, dient aansluiting te worden gezocht bij artikel 136 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge deze bepaling wordt onder één dag verstaan een tijd van vierentwintig uren. Dit brengt mee dat de dag van de invrijheidstelling niet voor vergoeding in aanmerking komt. De eerste dag van de inverzekeringstelling wordt echter altijd naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.

Verzoeker heeft in totaal 13 dagen in overleveringsdetentie in Frankrijk, 2 dagen op een politiebureau in Nederland en 348 dagen in een huis van bewaring in Nederland doorgebracht. De rechtbank kent een vergoeding toe van € 95,- per dag in uitleveringsdetentie en per dag op het politiebureau, en € 70,- per dag in een huis van bewaring.

De rechtbank overweegt hierbij dat zij een tarief van € 95,- per dag in uitleveringsdetentie hanteert, nu uit niets blijkt dat verzoeker in Frankrijk in een huis van bewaring heeft gezeten en hij daarom slechts recht zou hebben op vergoeding van € 70,- per dag.

Een dag die begint op basis van een vergoedingsmaatstaf van € 95,- maar die overgaat in een dag met een vergoedingsmaatstaf van € 70-, wordt aangemerkt als een dag tegen een vergoedingsmaatstaf van € 70,-.

De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Beslissing:

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 89 Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding TOE voor de schade, die verzoeker ten gevolge van in Frankrijk ondergane uitleveringsdetentie en daarop volgende verzekering en voorlopige hechtenis hier te lande heeft geleden tot een bedrag van € 25.785,- (vijfentwintigduizend zevenhonderdvijfentachtig euro).

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker uit 's Rijks kas een vergoeding TOE ten bedrage van

€ 540,- (vijfhonderdveertig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Wijst het meer of anders verzochte AF.

Deze beslissing is gegeven op 24 februari 2010 door

mr. A.D. Reiling, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Noomen, griffier.

Tegen de beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De rechtbank te Amsterdam, TWAALFDE enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 26.325,- (zesentwintigduizend driehonderdvijfentwintig euro) op rekeningnummer 83.19.578, ten name van Stichting Beheer Derdengelden mr. P.J. Silvis, o.v.v. JR/224/89 Sv (vergoeding 89 en 591a Sv, inzake: [verzoeker]).

Aldus gedaan op 24 februari 2010 door

mr. A.D. Reiling, rechter.