Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0928

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
AWB 10-1 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wijziging beleid ten aanzien van chronisch zieken en gehandicapten, tegemoetkoming in de meerkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/1 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekers],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. B.G.M.C. Peters,

en

het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. R. Lo Fo Sang.

1. Procesverloop

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekster ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 24 november 2009 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld ter zitting van 26 januari 2010 en het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een berekening op schrift te stellen. Bij brief van 29 januari 2010 heeft de gemachtigde van verweerder dat gedaan. Bij brief van 1 februari 2010 heeft de gemachtigde van verzoekster hierop gereageerd. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen (in artikel 8:57 van de Awb). De voorzieningenrechter heeft daarop het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Feiten

2.2. Verzoekster lijdt aan een ernstige chronische darmontsteking (ziekte van Crohn) in verband waarmee zij de afgelopen 10 jaar bijzondere bijstand ontving in het kader van de “Regeling chronisch zieken en gehandicapten” (hierna: de Regeling).Verzoekster ontving op grond van deze regeling aan vergoeding ad € 338,99 (plus € 407,19 aan vergoeding voor medicinale cannabis) in totaal € 746,18 per maand. Vanwege gewijzigde regelgeving is de vergoeding verlaagd en bij het bestreden besluit per 1 november 2009 vastgesteld op € 120,- (exclusief vergoeding voor medicinale cannabis) per maand. Tevens ontvangt verzoekster conform verweerders beleid vanaf 1 november 2009 tot 1 januari 2011 maandelijks een bedrag van € 40,- ter compensatie. Daar het verschil meer dan € 40-, per maand is, is het meerdere afgebouwd in vier termijnen, in totaal ad € 1172,36. Dit bedrag is uitbetaald.

Wettelijk kader

2.3. Op 1 januari 2009 is de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) in werking getreden. Chronisch zieken en gehandicapten ontvangen op grond van deze wet van de rijksoverheid een forfaitaire vergoeding, afgestemd op de mate van zorggebruik van minimaal € 150,- en maximaal € 500,- per jaar. De vergoeding komt achteraf (de maand november van dat jaar) tot uitbetaling. De landelijke regeling vergoedt een aanmerkelijk deel van de kosten. De nieuwe gemeentelijke tegemoetkoming, “ Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten” (de Beleidsregels) vastgesteld op 28 april 2009, geeft hier een aanvulling op. Dat gebeurt vooraf.

2.4. Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Beleidsregels bestaat de forfaitaire vergoeding uit minimaal 1 en maximaal 8 modules. Verzoekster ontvangt een vergoeding op basis van 6 modules (kosten voor dieet; bewassing/slijtage; telefoon; gas; water; thuiszorg). Op grond van artikel 3.1, tweede lid van de Beleidsregels kent elke module een forfaitaire vergoeding van € 20,- per maand.

2.5. Op grond van artikel 6.1 van de Beleidsregels - voor zover hier van belang - kunnen chronisch zieken en gehandicapten die aantoonbaar meer noodzakelijke kosten maken dan waarin de forfaitaire vergoedingen van deze regeling voorzien op grond van artikel 3.4, eerste lid, van Beleidsregels WWB achteraf bijzondere bijstand aanvragen. Dat kan tot uiterlijk 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin noodzakelijke kosten zijn gemaakt. Het gaat om kosten die onder de gemeentelijke regelgeving vallen en die de landelijke regeling, de gemeentelijke regeling en de belastingteruggaaf te boven gaan.

Standpunten partijen

2.6. Samengevat heeft verzoekster aangevoerd dat zij ten onrechte vooraf niet is geïnformeerd over de gevolgen die een gewijzigde regelgeving voor haar gezondheid met zich meebrengt en dat zij opeens is geconfronteerd met een aanzienlijke vermindering van de vergoeding per maand. Het bedrag van € 120,- , 83% (van het totaal van € 746,18) verhoudt zich niet tot het bedrag aan compensatie van € 40,- per maand. Daarbij stelt zij dat medisch advies had moeten worden ingewonnen, nu er geen geschil is over de noodzaak van de te maken kosten alvorens tot wijziging van de hoogte van de vergoeding is overgegaan. De afbouwregeling was slechts voldoende om gedurende zes weken in de noodzakelijke kosten te voorzien. Verzoekster zal vanaf januari 2010 al haar kosten die verband houden met haar ziekte niet meer kunnen betalen waardoor haar gezondheid in gevaar komt. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen nu haar situatie niet door verweerder is meegewogen en daarbij is sprake van een onvoldoende gemotiveerd besluit, aldus verzoekster. Verzoekster verzoekt om voortzetting van de vergoeding van ad € 746,18 conform de oude regeling.

2.7. Verweerder heeft in haar nadere uiteenzetting (brief van 29 januari 2010) met een uitvoerige berekening, waarbij allerlei posten en mogelijkheden aan vergoedingen zijn betrokken, toegelicht dat verzoekster vanaf 1 november in totaal € 120,82 aan vergoeding achteruit gaat: De vergoeding was (exclusief vergoeding medicinale cannabis) € 338,99 en is geworden € 120,- . Verweerder stelt zich op het standpunt dat de terugval in de hoogte van de bijzondere bijstand gecompenseerd kan worden met de voorlopige teruggaaf van de Belastingdienst. De belastingteruggave is een voorliggende voorziening, waarmee rekening wordt gehouden bij de berekening van de individuele bijzondere bijstand. Verder is er nog geen rekening gehouden met het bedrag dat verzoekster in november 2010 zal ontvangen op grond van de Wtcg en andere compenserende maatregelen die gepaard gaan met de invoering van de Wtcg. Verzoekster kan het bedrag dat zij in november 2010 over 2009 zal ontvangen aanwenden voor haar extra kosten in 2011. Verder kan zij het bedrag dat zij te veel heeft ontvangen in het kader van de afbouwregeling € 814,38 (toegelicht in de brief van

29 januari 2010) aanwenden voor de periode november 2009 tot 1 januari 2011. Als verzoekster meent dat zij meer kosten heeft dan de forfaitair vastgestelde bedragen, dient zij dat met bewijsstukken te onderbouwen.

2.8. Voor zover relevant, heeft verzoekster in haar reactie gesteld dat de toegekende bedragen nog niet zijn ontvangen. Verzoekster verkeert ondanks de gemaakte berekening nog steeds in onzekerheid over de bedragen welke zij voor de meerkosten ontvangt. Ook stelt zij de door verweerder gemaakte berekening ter discussie. Verzoekster kan de op dit moment te maken kosten niet voorfinancieren. Daarnaast weet verzoekster niet in hoeverre de nieuwe regels bij de belastingdienst voor haar van toepassing zijn en stelt zij ter discussie het feit dat verweerder rekening houdt met bedragen waarvan niet zeker is of deze worden uitgekeerd, tot welk bedrag en wanneer de bedragen worden uitgekeerd.

Nadere overwegingen

2.9. Verzoekster heeft gesteld dat de vastgestelde vergoeding er toe leidt dat haar gezondheid zal verslechteren nu zij onvoldoende middelen heeft om de meerkosten die aan haar ziekte verbonden zijn te kunnen betalen. De rechter stelt vast dat, los van de vraag welke kosten op grond van andere regelingen (waaronder de kosten van medicinale cannabis en extra dieetkosten) al of niet worden vergoed, uit de berekening in iedere geval blijkt dat verzoekster nu een maandelijks bedrag van € 120,82 te kort komt. Verweerder zal in de bezwaarprocedure meer inzicht moeten geven over de vergoeding en daarin de overgelegde berekening kunnen betrekken.

De rechter acht het nu niet opportuun om hangende de bezwaarprocedure inhoudelijk in te gaan op de vraag naar de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het standpunt van verweerder dat verzoekster nog aanspraak kan maken op de landelijke regelingen doet hier, hangende de bezwaarprocedure, niet aan af omdat het nog onduidelijk is hoe hoog het bedrag is dat verzoekster zal ontvangen en haar kosten blijven doorlopen. Dit geldt eveneens voor de onzekerheid over de teruggave van de Belastingdienst. De rechter neemt hierbij voorts in aanmerking dat verzoekster reeds meer dan 10 jaar bijzondere bijstand ontvangt in verband met haar ziekte en de noodzaak van de vergoeding van de kosten ook niet in geschil is.

2.10. Uitgaande van het spoedeisende belang, zoals door verzoekster is gesteld en met name vanwege de gezondheidstoestand waarin zij verkeert, ziet de rechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat verweerder aan verzoekster voorschotten ter hoogte van € 120,82 per maand dient te verstrekken en wel vanaf de datum van ontvangst van het verzoek door de rechtbank tot en met zes weken na de beslissing op bezwaar.

De rechter acht hierbij van belang dat één of meer soortgelijke zaken door een meervoudige kamer van deze rechtbank binnen enkele maanden behandeld zullen gaan worden.

2.11. Nu de voorlopige voorziening wordt toegewezen ziet de rechter aanleiding verweerder op hierna te melden wijze te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe inhoudende dat aan verzoekster tot en met zes weken na de beslissing op bezwaar per maand € 120, 82 aan voorschotten wordt toegekend;

- schorst het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten van verzoekster van deze procedure tot een bedrag van € 874,- (achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan verzoekster;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 41,- (een en veertig euro) aan verzoekster dient te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.S.N. van Samson, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 februari 2010.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB