Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0852

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
450995 - KG ZA 10-303
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Conservatoir beslag gelegd door kinderen ten laste van vader in verband met de nalatenschap van hun overleden moeder. Langstlevende beding ten behoeve van vader.

Moet het conservatoire beslag worden opgeheven, omdat op grond van artikel 4:13 BW en/of 4:82 BW de vorderingen van de kinderen in beginsel niet opeisbaar zijn tot aan de dood van de vader? Van belang is dat in dit geval de rechtbank in het tussenvonnis van de tussen partijen aanhangige bodemprocedure (vonnis van 24 oktober 2007, LJN: BB7163) reeds heeft overwogen dat de vader zijn aandeel in bepaalde bestanddelen van de nalatenschap van de moeder heeft verbeurd wegens opzettelijke verzwijging. De vraag is dan of de vorderingen van de kinderen in verband daarmee in de bodemprocedure reeds opeisbaar zijn of dit binnen afzienbare termijn zullen worden, zodat de kinderen hiervoor in die procedure een executoriale titel kunnen krijgen. De bodemrechter heeft zich over de vraag van opeisbaarheid nog niet uitgelaten. Nu de rechtbank in het tussenvonnis wel reeds heeft overwogen dat er sprake is van verbeurdverklaring wegens verzwijging, is de stelling verdedigbaar, althans niet summierlijk ondeugdelijk, dat deze betreffende goederen vanaf het moment van deze constatering in eigendom zijn overgegaan naar de kinderen, zodat de vorderingen op de vader terzake reeds opeisbaar zijn. Een andere uitleg zou immers met zich brengen dat aan artikel 3:194 lid 2 BW (dat ervan uitgaat dat de verzwijgende deelgenoot niet meer kan genieten van het verzwegene) in dit geval feitelijk geen sanctie is verbonden. De kinderen dienen voor deze vorderingen conservatoir beslag te kunnen leggen totdat de bodemrechter zich hierover (bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard) eindvonnis heeft uitgelaten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 194
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Burgerlijk Wetboek Boek 4 13
Burgerlijk Wetboek Boek 4 82
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 450995 / KG ZA 10-303 MvH/CN

Vonnis in kort geding van 25 februari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 11 februari 2010,

advocaat mr. F.M.N. Janssen te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. E.J. Rasker te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook wel [eiser] en de kinderen worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Ter terechtzitting van 11 februari 2010 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De kinderen hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

1.2. Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van [eiser]: [eiser] met mr. Janssen;

Aan de zijde van de kinderen: [gedaagde sub 3] met mr. Rasker.

2. De feiten

2.1. De kinderen hebben ter zake van hun vorderingen op [eiser] voortvloeiend uit de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder (verder ook te noemen erflaatster) die is overleden op [datum] 2004, verlof tot het leggen van conservatoir beslag gevraagd. Op 2 februari 2010 is aan de kinderen verlof verleend voor het leggen van (conservatoir) beslag op het aandeel van [eiser] in de woonboot [woonboot] te [woonplaats] voor een bedrag van € 900.000,- met inbegrip van rente en kosten. Er is in het verlof geen eis voor het instellen van de eis in hoofdzaak opgenomen.

2.2. De kinderen hebben op 8 februari 2010 conservatoir beslag doen leggen op het aandeel van [eiser] in de woonboot “[woonboot]”.

2.3. Verder is - blijkens de door [eiser] overgelegde beslagexploten - door de kinderen conservatoir derdenbeslag gelegd op basis van een (door partijen niet overgelegd) beslagverlof van 4 februari 2010 onder de Aegon Bank N.V., de ING Bank N.V., en de Rabobank Amsterdam U.A., ter verzekering van de som van € 900.000,-.

2.4. In het verzoekschrift tot het leggen van het conservatoir beslag op de woonboot hebben de kinderen onder meer het volgende geschreven:

“(…) Bij tussenvonnis van 24 oktober 2007 (…) heeft de rechtbank geoordeeld dat vader heeft gelogen omtrent het bestaan van onroerende zaken (op [M]) en gelden (op bankrekeningen in Luxemburg) en andere zaken. Evenzo heeft de rechtbank geoordeeld dat vader een aantal posten ten onrechte niet heeft opgenomen in de boedelbeschrijving. (…) In datzelfde vonnis heeft de rechtbank overwogen dat vader er blijk van heeft gegeven de hem als executeur toevertrouwde verantwoordelijkheid om tot een adequate boedelbeschrijving te komen niet aan te kunnen en geoordeeld dat vader over de alsnog op te stellen boedelbeschrijving rekening en verantwoording moet afleggen tegenover een door de rechtbank als deskundige te benoemen (…) notaris (…). Bij tussenvonnis van 23 april 2008 is deze inderdaad benoemd. (…) Ingevolge het vonnis van 24 oktober 2007 heeft vader in elk geval ingevolge artikel 3:194 lid 2 B.W. de waarden [M] (€ 325.000,--), Luxemburg (€ 210.358,--) verbeurd. Evenzo hebben de kinderen aangetoond dat de waarde [L] (€ 224.804,--), zijnde een waarde door moeder destijds van haar ouders verkregen in koude uitsluiting, zo niet reeds verbeurd ingevolge artikel 3:194 lid 2 B.W. in elk geval niet integraal als baten in de boedelbeschrijving had mogen worden opgenomen, maar hooguit voor een kwart (vaders erfdeel).

Dit betekent dat vader na uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2007 in elk geval zijn deel van de nalatenschap voor wat betreft deze drie posten heeft verbeurd, oftewel +/- € 425.000,- vermeerderd met de testamentair bepaalde rente van 6% op jaarbasis daarover (…) De deskundige [deskundige] heeft uiteindelijk een concept-boedelbeschrijving aangeleverd (…)Uit deze ontwerpboedelbeschrijving blijkt in elk geval van een saldo van € 951.487,60 in plaats van het eerder op 26 april 2006 in de notariële akte van beschrijving genoemd bedrag van € 555.969,--. (…) de kinderen menen te hebben aangetoond, c.q. te kunnen bewijzen dat het verschil minimaal € 1.000.000,-- moet zijn als vader wel de waarheid zou hebben verteld en vertrouwen erop dat de rechtbank bij eindvonnis vader zal veroordelen tot betaling van een dergelijk bedrag (…)”

2.5. In de in het beslagrekest genoemde door de kinderen aangespannen bodemprocedure is - blijkens het tussenvonnis van 24 oktober 2007 - door de kinderen - samengevat - gevorderd:

“voor recht te verklaren dat:

1. (…)

2. de vader paulianeus heeft gehandeld jegens eisers door gelden, geldswaarden en goederen te vervreemden, (…)

3. de vader na zijn hertrouwen de facto de bestaande huwelijkse voorwaarden heeft gewijzigd, zodanig dat zijn ten huwelijk aangebrachte vermogen niet langer privé-eigendom is gebleven dan wel zal moeten worden verrekend.

4. de kosten van juridische bijstand die de kinderen ten deze hebben gemaakt ten laste komen van de boedel,

met veroordeling van de vader:

5. tot volledige opening van zaken betreffende de in het lichaam van de dagvaarding gemelde vraagpunten door overlegging van de (…) gevraagde documenten met heldere schriftelijke toelichting; idem ter zake van andere waardebestanddelen waarvan duidelijk wordt dat vader deze bewust buiten de boedelbeschrijving heeft gehouden en tekst en uitleg te geven;

6. om rekening en verantwoording af te leggen van zijn taak als executeur testamentair aan een door de rechtbank ten laste van de boedel te benoemen onpartijdige deskundige (notaris); (…)

7. om de kinderen ieder hun alsdan vastgestelde geldvordering te voldoen;

8. in de kosten van deze procedure.”

2.6. In het testament van erflaatster is een bepaling opgenomen, op grond waarvan de kinderen hun vorderingen op de langstlevende direct (bij diens leven) kunnen opeisen wanneer hij in gemeenschap van goederen of een daarmee vergelijkbaar regiem met verrekenbedingen zou hertrouwen.

2.7. In het tussenvonnis van 24 oktober 2007 is - voor zover verder hier van belang - onder meer het volgende overwogen:

4.4. Ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW verbeurt de deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap van een nalatenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten. Voor de nalatenschap van de moeder (…) betekent dat, gelet op het testament, dat de vader dit deel van de nalatenschap verbeurt en dat de overige erfgenamen het aandeel van de moeder in de grond in [M] krijgen.

(…)

4.9. Ook met betrekking tot het tot de nalatenschap behorende deel van het banktegoed in Luxemburg heeft de vader dus gehandeld in strijd met hetgeen van hem als executeur verwacht mocht worden. Hij heeft daarmee zijn aandeel in dat deel van de nalatenschap verbeurd aan de andere erfgenamen.

(…)

4.23. De kinderen hebben ter comparitie verklaard ervan uit te gaan dat de huwelijkse voorwaarden van de vader en [persoon 1] gelijk zijn aan de hiervoor onder 2.6 bedoelde parnerschapsvoorwaarden. Zij stellen zich op het standpunt dat buiten die huwelijkse voorwaarden om afspraken zijn gemaakt met de bedoeling om de privé-eigendommen gemeenschappelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze stelling echter, nu zij niet onderbouwd is, niet leiden tot toewijzing van onderdeel 3. van de vordering.

(…)

4.25. (…) In dit geval heeft de vader echter zijn taken als executeur testamentair ernstig verzaakt, (…) Daarmee heeft hij de kinderen genoodzaakt kosten van juridische bijstand te maken, teneinde alsnog tot een ordentelijke afwikkeling van de nalatenschap te kunnen komen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om deze kosten te begrijpen onder kosten van de executele, zodat zij ten laste komen van de boedel (…).

2.8. In de conceptboedelbeschrijving van 19 oktober 2009 is de waarde van de gelden aangehouden bij de BGL te Luxemburg ten tijde van het overlijden van erflaatster gesteld op € 257,63 op de rekening-courant en op € 210.358,- op de spaarrekening. De waarde van de grond op [M] is gesteld op € 325.000,-.

2.9. Bij brief van 8 februari 2010 heeft de ING Bank aan [eiser] bericht dat de volgende saldi van bij haar aangehouden rekeningen onder het beslag vallen:

€ 9.724,28 (en/of rekening [eiser] en [persoon 1]), € 74.727,61 (betaalrekening), € 646,40 (spaarrekening) en € 5.737,36 (spaarrekening).

2.10. Onder de stukken bevindt zich verder een in opdracht van de kinderen door prof. mr. [persoon 2] uitgebracht advies van 25 juni 2008 ‘betreffende artikel 4:13 lid 3 BW in samenhang met artikel 3:194 lid 2 BW’.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - om de kinderen hoofdelijk:

- te veroordelen om de conservatoire (derden)beslagen op straffe van verbeurte van een dwangsom op te heffen;

- op straffe van verbeurte van een dwangsom te gelasten om eventuele verzoekschriften voor nieuwe conservatoire beslagen ter zake van hun erfdeelvordering voor indiening aan hem ter inzage te geven en hem de gelegenheid te geven om tussen te komen;

- te veroordelen in de kosten van dit geding alsmede de kosten die de ING bij [eiser] in rekening heeft gebracht vanwege het gelegde beslag.

3.2. [eiser] stelt daartoe, kort gezegd, dat de conservatoire beslagen iedere juridische grond missen. De vordering van de kinderen, die qua omvang in de bij de rechtbank lopende boedelbeschrijvingsprocedure nog moet worden vastgesteld, is op grond van artikel 4:13 BW en/of 4:82 BW niet opeisbaar tot aan zijn dood. Bovendien is de aansprakelijkheid voor de voldoening van de geldvordering van de kinderen beperkt tot de omvang van de – nog niet opengevallen – nalatenschap van [eiser] Wilsrechten die volgens het nieuwe erfrecht de kinderen aanspraak tot zekerheidstelling zouden kunnen geven, zijn niet aan de orde. Het is juist de kern van het nieuwe erfrecht dat [eiser] in zijn positie als langstlevende de vrije beschikkingsmacht heeft over de gehele nalatenschap van erflaatster. Nu het beslag deze beschikkingsmacht ontneemt, is dit onrechtmatig. Het conservatoire beslag zou bovendien wel 10 tot 20 jaar kunnen duren. Verder kan verlof tot het leggen van conservatoir beslag alleen worden afgegeven, indien de verzoekers een vordering hebben die tot het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling kan leiden tot voldoening van de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd. De kinderen zullen geen titel krijgen die vatbaar is voor tenuitvoerlegging jegens [eiser], maar slechts een verklaring voor recht die de omvang van hun erfdeel vastlegt. Door beslag te leggen op al zijn bankrekeningen, wordt [eiser] het leven onmogelijk gemaakt. Nu de kinderen bovendien geen opeisbare vordering op hem hebben die door een zo verstrekkende maatregel verzekerd kan worden, is het beslag vexatoir. Dit is de kinderen overigens ook al eens medegedeeld door de voorzieningenrechter in een eerder kort geding tot opheffing van door hen gelegde beslagen. Die zaak werd echter geschikt in de hoop een verzoening te bewerkstelligen.

3.3. De kinderen voeren verweer. Op de stellingen van de kinderen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat het in dit kort geding slechts gaat om de opheffing van het beslag op de woonboot en het conservatoire beslag onder de ING Bank, nu de overige beslagen niet hebben gekleefd.

Bij de ING Bank is, gezien de brief aan [eiser] van 8 februari 2010, een bedrag van in totaal € 90.835,65 door het beslag getroffen. De waarde van het beslagen aandeel van [eiser] in de woonboot bedraagt volgens zijn verklaring ter zitting ongeveer € 225.000,-.

4.2. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.3. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 24 oktober 2007 overwogen dat [eiser] zijn aandeel in de (nog niet in omvang vastgestelde) nalatenschap van erflaatster voor wat betreft de Luxemburgse banktegoeden en het onroerend goed op [M] ingevolge artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd wegens opzettelijke verzwijging.

De vraag is evenwel of de (nog te concretiseren) vorderingen van de kinderen in deze bodemprocedure voor zover betrekking hebbend op voornoemde bestanddelen van de nalatenschap, reeds opeisbaar zijn (of dit binnen afzienbare termijn zullen worden) zodat de kinderen in die procedure hiervoor een executoriale titel kunnen verkrijgen of dat deze vorderingen pas opeisbaar zullen worden na het overlijden van [eiser]

4.4. [eiser] heeft betoogd dat dit laatste het geval is en dat nu de vorderingen pas opeisbaar worden na zijn overlijden, hiervoor thans ook nog geen beslag mag worden gelegd, omdat dit - kort samengevat - strijdig zou zijn met de ratio van het aan hem toegekende gebruiksrecht als langstlevende. Het beslag zou dan mogelijk nog jaren blijven liggen en hij zou hierdoor niet in zijn levensonderhoud kunnen voorzien.

4.5. De bodemrechter heeft zich over de vraag van opeisbaarheid nog niet uitgelaten. Nu de rechtbank in het tussenvonnis wel reeds heeft overwogen dat de vader zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster ter zake van de grond op [M] en de Luxemburgse banktegoeden heeft verbeurd wegens - kort gezegd - verzwijging, is de stelling verdedigbaar, althans niet summierlijk ondeugdelijk, dat deze goederen vanaf het moment van deze constatering in eigendom zijn overgegaan naar de andere deelgenoten, zijnde de kinderen, zodat de vorderingen op [eiser] terzake reeds opeisbaar zijn. Een andere uitleg zou immers met zich brengen dat - zoals [persoon 2] ook in zijn advies heeft geschreven - aan artikel 3:194 lid 2 BW (dat ervan uitgaat dat de verzwijgende deelgenoot niet meer kan genieten van het verzwegene) in dit geval feitelijk geen sanctie is verbonden. Gelet op het voorgaande dienen de kinderen voor de vorderingen ter zake van het onroerend goed op [M] en de banktegoeden in Luxemburg ter verzekering van verhaal conservatoir beslag te kunnen leggen totdat de bodemrechter zich hierover (bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard) eindvonnis heeft uitgelaten. Een belangenafweging leidt met name gelet op de omvang van het eigen vermogen van [eiser] (zoals dit uit de conceptboedelbeschrijving voorshands is af te leiden) niet tot een ander oordeel.

4.6. Wel zal de hoofdsom waarvoor de beslagen zijn gelegd worden herbegroot. De kinderen hebben de waarde van de vorderingen in het beslagrekest met inbegrip van rente en kosten op € 900.000,- gesteld, maar het (nog nader vast te stellen) aandeel van de kinderen in de nalatenschap zal in beginsel niet in zijn geheel reeds nu opeisbaar zijn. Dat is vooralsnog alleen het geval ter zake van de verbeurd verklaarde bestanddelen. Verbeurdverklaring heeft in het tussenvonnis slechts plaatsgevonden met betrekking tot de grond in [M] en de Luxemburgse banktegoeden. Met betrekking tot de ‘vordering [L]’ is in het tussenvonnis weliswaar overwogen dat deze vordering ten onrechte niet door de vader in de boedelbeschrijving was opgenomen, maar niet dat [eiser] daarmee zijn aandeel hierin in de nalatenschap ook heeft verbeurd. Ter zitting hebben de kinderen verder aangevoerd dat hun vordering op [eiser] daarnaast zal oplopen vanwege de door [eiser] voor hen te betalen advocaatkosten. Uit het overgelegde beslagrekest blijkt echter niet dat het beslag ook voor deze vordering is gelegd en welke bedragen daarmee zijn gemoeid.

4.7. Met betrekking tot de grond op [M] wordt nog overwogen dat de kinderen kennelijk beslag hebben gelegd voor de waarde van de grond, terwijl zij in beginsel aanspraak hebben op de helft van de grond en niet op de waarde daarvan. Aannemelijk is echter dat (zo nodig na eiswijziging in de bodemprocedure) de grond in zijn geheel zal worden toebedeeld aan [eiser] met toekenning aan de kinderen van een vordering op hem ter grootte van de helft van de waarde van de grond.

4.8. De waarde van de goederen waarop [eiser] blijkens het tussenvonnis van de rechtbank zijn rechten heeft verbeurd, de grond op [M] en de Luxemburgse banktegoeden, bedraagt blijkens de conceptboedelbeschrijving d.d. 19 oktober 2009 in totaal € 535.615,63 (€ 210.615,63 totaal banktegoeden Luxemburg en € 325.000,- waarde grond [M]). Hiervan behoort gelet op het aandeel van erflaatster in de (ontbonden) huwelijksgemeenschap de helft, zijnde vermogensbestanddelen ter waarde van € 267.807,82 tot haar nalatenschap. Gelet op het verbeurd verklaren van de rechten van [eiser] op deze goederen uit de nalatenschap (waartoe hij anders voor een kwart gerechtigd zou zijn geweest), verliest hij zowel zijn aandeel in deze goederen als het recht om als langstlevende gebruik te maken van het aandeel van de kinderen in deze goederen. De opeisbare vordering van de kinderen wordt gelet op het voorgaande, met inbegrip van rente en kosten herbegroot op (afgerond) € 348.000,-. Overigens leidt deze herbegroting, gezien de waarde waarvoor het beslag heeft gekleefd, niet tot opheffing van (een van de) conservatoire beslagen.

4.9. De vordering van [eiser] om de kinderen een verbod op te leggen voor nieuwe beslagen ten laste van hem in verband met de afwikkeling van de nalatenschap wordt afgewezen, nu thans niet op het (eventuele) bestaan van overige (binnen afzienbare termijn opeisbare) vorderingen vooruitgelopen kan worden. Wel zal worden bepaald dat de kinderen bij een nieuw verzoek tot het leggen van beslag dit vonnis dienen over te leggen. Na te melden dwangsom wordt daarbij redelijk geacht.

4.10. [eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de kinderen worden begroot op:

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.079,00

4.11. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van [eiser] tot veroordeling van de kinderen in de kosten die de ING Bank bij hem in rekening heeft gebracht eveneens afgewezen. [eiser] heeft deze kosten overigens ook onvoldoende toegelicht.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. herbegroot de vorderingen waarvoor op basis van de verloven van 2 en 4 februari 2010 ten laste van [eiser] conservatoir (derden)beslag is toegestaan met inbegrip van rente en kosten op € 348.000,-;

5.2. bepaalt dat de kinderen bij een nieuw verzoek tot het leggen van conservatoir (derden)beslag ten laste van [eiser] ter zake van de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster dit vonnis dienen over te leggen, op straffe van een aan [eiser] te betalen dwangsom van € 25.000,- per keer dat de kinderen, althans één van hen, dit nalaten;

5.3. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de kinderen tot op heden begroot op € 1.079,-;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad:

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C. Neve, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2010.?