Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0499

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
08-04-2010
Zaaknummer
13/528366-09 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De raadsman heeft onder meer betoogd dat de verdachte na zijn aanhouding en vóór zijn eerste verhoor niet gewezen is op zijn recht een raadsman te raadplegen, een recht dat voortvloeit uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 (Salduz vs Turkey). Omdat verdachte na zijn aanhouding onder meer toestemming heeft gegeven zijn woning te doorzoeken dient het resultaat van de doorzoeking van het bewijs te worden uitgesloten.

De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank overweegt in een overweging ten overvloede dat de enkele vraag of verdachte al dan niet instemt met de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid, niet valt onder het eerdergenoemd ‘verhoor’. Geen sprake van een schending van de normen die kunnen worden afgeleid uit het Salduz-arrest van het EHRM en de arresten van de Hoge Raad die naar aanleiding van dit arrest zijn gewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/528366-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 4 maart 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Zwaag” te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. E.G.S. Roethof en door de verdachte naar voren is gebracht.

Aangeefster heeft als slachtoffer ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht door middel van het voorlezen van haar schriftelijke verklaring.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 19 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [persoon 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte

- die [persoon 1] een of meermalen met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp op en/of tegen het hoofd geslagen en/of

- die [persoon 1] (met kracht) aan de arm(en), althans aan het lichaam getrokken en/of gerukt en/of

- die [persoon 1] zijn (stijve) penis in de mond laten nemen en/of (vervolgens) die [persoon 1] de woorden toegevoegd "pijp mij" en/of

- zijn (stijve) penis ingebracht bij die [persoon 1] en/of die [persoon 1] (vervolgens) vaginaal gepenetreerd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vormverzuimen

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat tijdens het (voorbereidend) onderzoek is gebleken van vormverzuimen.

3.1 Ten aanzien van de aanhouding van verdachte

Allereerst is de aanhouding van verdachte onrechtmatig geschied, aldus de raadsman. Verdachte is aangehouden uitsluitend op basis van CIE-informatie. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat kale anonieme informatie onvoldoende is om te komen tot een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering en om op die basis tot aanhouding over te gaan. De CIE-informatie houdt bovendien niet in dat verdachte op de plaats delict was op het tijdstip van het plegen van het delict. Verdachte is zonder een reële verdenking aangehouden en derhalve is de aanhouding onrechtmatig en dient al het potentiële bewijsmateriaal dat door deze onrechtmatige aanhouding is verkregen van het bewijs te worden uitgesloten.

De officier van justitie betwist dit betoog. De aanhouding heeft niet uitsluitend op basis van de CIE-informatie plaatsgevonden, zoals reeds bij de rechter-commissaris is besproken.

De rechtbank volgt de officier van justitie. Ingevolge de beslissing van de Hoge Raad van 8 mei 2001 (LJN AB1566) is een beslissing over de rechtmatigheid van de aanhouding van een verdachte voorbehouden aan de rechter-commissaris en diens beslissing is door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het strafrecht voor de zittingsrechter onaantastbaar. Op 29 mei 2009 heeft de toenmalige raadsvrouw van verdachte mr. P. Figge verklaard dat ze gelet op de mondelinge toelichting van de officier van justitie geen opmerkingen meer heeft over de aanhouding. Hierop heeft de rechter-commissaris de aanhouding rechtmatig geacht. Nu de raadsman evenwel aan het vermeende vormverzuim de conclusie heeft verbonden van bewijsuitsluiting, dient de rechtbank dit verweer nader te bespreken. De rechtbank overweegt hiertoe dat bij gelegenheid van de toetsing ex artikel 59 van het Wetboek van Strafvordering, de officier van justitie heeft gesteld dat de aanhouding evenzo is gegrond op de overeenkomst tussen het door aangeefster opgegeven signalement, waaronder de lengte enerzijds en een politiefoto anderzijds. Daarenboven, aldus de officier van justitie, bleek uit de politiesystemen dat verdachte antecendenten had in verband met een aangifte van verkrachting, zijnde een soortgelijk misdrijf als waarvan verdachte nu wordt verdacht. Tot slot bestond er overeenkomst met betrekking tot enkele details, te weten het gebruik van een condoom en problemen met het krijgen van een erectie door verdachte. Deze mondelinge aanvullende toelichting in de vorm van redengevende feiten en omstandigheden, die tot de aanhouding van verdachte hebben geleid, leiden naar het oordeel van de rechtbank, in combinatie met de voornoemde CIE-informatie tot de conclusie dat verdachte op rechtmatige wijze is aangehouden en niet kan worden gesproken van een vormverzuim. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

3.2 Ten aanzien van het Salduz-verweer

De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat de verdachte na zijn aanhouding en vóór zijn eerste verhoor, niet gewezen is op zijn recht een raadsman te raadplegen, een recht dat voortvloeit uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 (Salduz vs Turkey). Omdat verdachte na zijn aanhouding toestemming heeft gegeven zijn woning te doorzoeken en van hem wangslijm af te nemen, dienen de resultaten van zowel de doorzoeking als die van het DNA-onderzoek van het bewijs te worden uitgesloten. Immers, aldus de raadsman, was verdachte overdonderd door zijn aanhouding op 26 mei 2009 in zijn woning om 07.10 uur en heeft hij onvoldoende beseft waarvoor hij toestemming gaf en er was geen tijd voor enige reflectie.

De officier van justitie is van mening dat het bewijs niet dient te worden uitgesloten. Indien de verdachte geen toestemming had verleend voor afname van wangslijmvlies dan wel voor een doorzoeking, dan had de officier van justitie daartoe een bevel uitgevaardigd en de rechter-commissaris verzocht om een doorzoeking. De uitkomst van het DNA-onderzoek dan wel de doorzoeking blijft hierbij hetzelfde. Dit dient te worden meegewogen in het oordeel over het Salduz-verweer. De officier van justitie wijst hierbij op een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (LJN BJ0938).

De rechtbank stelt vast dat aannemelijk is geworden dat verdachte, voordat hem is gevraagd toestemming te verlenen medewerking te verlenen aan een doorzoeking van zijn woning, niet de gelegenheid is geboden een advocaat te raadplegen. Dit is anders met betrekking tot het verzoek wangslijm af te staan ten behoeve van een DNA-onderzoek, immers blijkt uit het betreffende verhoor dat verdachte is gewezen op zijn recht vooraf een advocaat te raadplegen. Voor zover het verweer ziet op een onrechtmatig verkregen DNA-profiel van verdachte, verwerpt de rechtbank dit verweer nu dit verweer feitelijke grondslag mist. De rechtbank acht het verkregen DNA-profiel van verdachte rechtmatig verkregen.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat verdachte verstoken is geweest van de zogenaamde DNA-formulieren, waarin informatie met betrekking tot het DNA-onderzoek staat vermeld, is de rechtbank van oordeel dat dit verweer evenzo dient te worden verworpen omdat de feiten en omstandigheden waarop dit verweer rust, alsook de vermeende geschonden belangen van verdachte, niet aannemelijk zijn geworden.

De rechtbank stelt voorop dat ten tijde van het hiervoor genoemde verhoor op 26 mei 2009 met betrekking tot de doorzoeking van zijn woning, de Hoge Raad nog geen arrest had gewezen over de betekenis van het Salduz-arrest voor de Nederlandse opsporing en vervolging. De in het proces-verbaal omschreven situatie en handelwijze van de politie met betrekking tot de toestemming voor het onderzoek in de woning op 26 mei 2009 was de gebruikelijke werkwijze bij meerderjarige verdachten. Een werkwijze bovendien die toentertijd door zowel het Openbaar Ministerie als de zittende magistratuur juridisch acceptabel werd geacht. Onder deze geschetste omstandigheden verbindt de rechtbank geen consequenties aan het feit dat verdachte, voor beantwoording van de vraag of hij al dan niet toestemming zou verlenen aan een doorzoeking van zijn woning, niet een advocaat heeft kunnen raadplegen. De rechtbank verwerpt het verweer en acht het verkregen bewijsmateriaal bij gelegenheid van de doorzoeking rechtmatig verkregen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende, gelet op het door de verdediging op dit onderdeel gevoerde verweer, dat onder ‘verhoor door de politie’ evenzo dient te worden begrepen de vraag aan verdachte of hij toestemming verleent aan het afstaan van wangslijm ten behoeve van een DNA-onderzoek respectievelijk de vraag of verdachte toestemming verleent aan de doorzoeking van zijn woning.

De Hoge Raad heeft uit de rechtspraak van het EHRM afgeleid dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. In deze zaak is de vraag aan de orde of de beantwoording van de aan verdachte gestelde vragen of hij al dan niet toestemming verleent lichaamsmateriaal (wangslijm) af te staan en zijn woning te doorzoeken, valt onder het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele vraag of verdachte al dan niet instemt met de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid, niet valt onder het eerdergenoemd ‘verhoor’. Immers ziet de ‘toestemmingsvraag’ uitsluitend op het al dan niet verkrijgen van toestemming een specifieke opsporingsbevoegdheid toe te passen. Een bevoegdheid, die in de wet is genoemd en is omringd met waarborgen voor een rechtmatige toepassing.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het hiervoor overwogene geen sprake is van een schending van de normen die kunnen worden afgeleid uit het Salduz-arrest van het EHRM en de arresten van de Hoge Raad die naar aanleiding van dit arrest zijn gewezen.

4. De feiten

De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de volgende feiten:

Op 19 april 2009 is aangeefster [persoon 1] (hierna [persoon 1]) met een taxi op weg naar huis nadat zij tot laat in de nacht in het centrum van Amsterdam uit is geweest. De taxichauffeur zet haar af bij het benzinestation BP, onderdeel van het winkelcentrum Reigersbos te Amsterdam-Zuidoost. Vanaf daar is het nog 10 minuten lopen naar haar huis. Onderweg ziet zij een jongen bij een pinautomaat staan. Op het moment dat zij daar voorbij loopt hoort ze de jongen iets tegen haar zeggen. Op het Ravenspad (de rechtbank begrijpt: Ravenswaaipad) hoort zij vervolgens iemand achter haar vragen of hij kan bellen. Zij ziet dat het dezelfde jongen is als de jongen bij de pinautomaat en geeft haar telefoon aan hem. Er is niemand anders in de buurt en ineens valt aangeefster op de grond. Zij voelt dat er iets over haar gezicht loopt en realiseert zich later dat dit bloed is. De jongen zegt: ‘Kom mee, ik ga je niet vermoorden’. Aangeefster is bang dat hij haar gaat vermoorden en probeert weg te rennen, waarop de jongen haar bij het hengsel van haar schoudertas vastpakt. Hij trekt haar naar zich toe en zegt: ‘Ik wil het niet doen zonder condoom’. Aangeefster trekt haar broek uit nadat de jongen dit heeft gezegd, ziet opeens dat hij een hamer in zijn hand heeft en realiseert zich dat het echt serieus is. De jongen trekt ook zijn broek naar beneden. Aangeefster moet de jongen helpen met het omdoen van het condoom. Dit lukt niet, omdat zijn penis slap is. De jongen zegt: ‘Pijp mij, pijp mij’. Zij pijpt de jongen en voelt dat de jongen heen-en-weer gaande bewegingen maakt en dat zijn penis stijf wordt. Daarna moet aangeefster zich omdraaien en zij ziet dat de jongen het condoom afdoet waarna hij aangeefster vaginaal penetreert en daadwerkelijk in aangeefster komt.

Om ongeveer 04.55 uur krijgt de politie een melding dat in een woning aan de [adres] een verkrachte vrouw aanwezig is. Verbalisanten gaan naar de woning toe. In de woning aangekomen treffen zij [persoon 1] hevig geëmotioneerd aan en van top tot teen onder het bloed.

De plaats delict wordt onderzocht op 19 april 2009. Op het voetpad tussen het Ravenswaaipad en Parhof (de rechtbank begrijpt: Parkhof), tegen de nooddeur van de Gaasperdam sporthal, worden bloedspatten aangetroffen. Tevens lag er een opengescheurde condoomverpakking van het merk Durex.

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat [persoon 1] een sterk bloedende snijwond, frontlateraal, van ongeveer 1 centimeter heeft.

Bij het slachtoffer wordt een zedenset afgenomen en worden DNA-sporen veiliggesteld.

Nadat er CIE-informatie bij de politie is binnengekomen over ‘[voornaam] uit de [straatnaam]’ en nader onderzoek is verricht, is verdachte op 26 mei 2009 thuis aangehouden.

Het DNA-profiel van de verdachte matcht met het DNA-profiel van een onbekende man A. Het NFI concludeert dat dit betekent dat het sperma in de bemonsteringen van het slachtoffer [persoon 1] afkomstig kan zijn van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

5. Waardering van het bewijs

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten verkrachting meermalen gepleegd. Zij voert ter ondersteuning van haar standpunt het volgende aan.

Aangeefster loopt over straat naar haar huis en een onbekende man vraagt naar haar telefoon en slaat haar vervolgens met een hamer op haar hoofd. Hij sommeert haar met hem mee te lopen naar een doodlopend paadje, waar hij zich door haar laat pijpen en haar daarna verkracht. Na CIE-informatie en het feit dat verdachte voldoet aan het signalement wordt verdachte aangehouden. Het DNA van verdachte wordt vergeleken met het DNA daderspoor dat bij aangeefster is afgenomen en komt daarmee overeen. Verdachte verklaart vervolgens dat hij vrijwillige seks heeft gehad met een meisje dat voldoet aan de beschrijving van aangeefster. Gezien de tijdslijn en de verwondingen van aangeefster acht de officier van justitie dit een onmogelijk scenario. Er is geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat het verhaal van verdachte aannemelijk is, indien rekening wordt gehouden met het feit dat taxichauffeurs om vier uur in de ochtend harder heeft gereden dan toegestaan is. Er kan niet gezegd worden dat de verklaring van verdachte, dat hij vrijwillig seks heeft gehad met een vrouw, kennelijk leugenachtig is. Er zijn zaken bekend waarin vrouwen die vrijwillig seks hebben gehad, later spijt krijgen en aangifte doen. Alleen een aangifte en een spermaspoor zijn onvoldoende voor een bewezenverklaring. In deze zaak heeft aangeefster een duidelijke verwonding, maar aangeefsters kunnen rare dingen doen volgens de verdediging. Daarnaast is de waarneming van mensen die gedronken hebben vertroebeld. Een huisgenoot van aangeefster heeft verklaard dat aangeefster gezegd heeft dat zij is verkracht door de jongen die aan het pinnen was. De jongen die aan het pinnen was is niet verdachte, maar een man met de naam [naam 1]. Concluderend verzoekt de verdediging de rechtbank voorzichtig te zijn met het bewijs wat op het eerste gezicht ‘hard’ lijkt.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de verklaringen die door aangeefster zijn afgelegd geloofwaardig en betrouwbaar. Zij geeft vanaf het begin een gedetailleerde verklaring over hetgeen op 19 april 2009 is gebeurd. Vervolgens blijft zij tegenover de politie en de rechter-commissaris consistent verklaren over wat er die nacht is gebeurd. Haar verklaringen worden ondersteund door meerdere bewijsmiddelen, zoals de geneeskundige verklaring en het DNA-materiaal. Daarnaast wordt haar verklaring ondersteund door de verklaringen van haar vriend en haar huisgenoten. Zij horen aangeefster overstuur thuiskomen, waarna zij onder het bloed in de hal in elkaar zakt en vertelt dat zij met een hamer op haar hoofd is geslagen en verkracht is. De verwondingen van aangeefster kunnen niet ontstaan zijn door een vuistslag of door het hoofd te stoten, aldus arts [arts] van het AMC. Het feit dat aangeefster tegen haar huisgenoot gezegd heeft dat de jongen die stond te pinnen haar verkracht heeft acht de rechtbank geen tegenstrijdigheid in haar verklaring. Immers, aangeefster heeft verklaard dat de jongen die later om haar telefoon vroeg, bij de pinautomaat stond toen zij daar langsliep.

Dit in tegenstelling tot de verklaringen die verdachte heeft afgelegd. Ter terechtzitting heeft hij zich op het standpunt gesteld dat hij mogelijk op 19 april 2009 met hetzelfde meisje vrijwillig seks heeft gehad en dat zij nadat hij haar had afgezet verkracht zou zijn. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig, mede gelet op de zich in het dossier bevindende tijdslijn. Ook indien er rekening wordt gehouden met het feit dat taxichauffeurs midden in de nacht harder rijden dan is toegestaan, is de verklaring van verdachte volgens de tijdslijn ongeloofwaardig. Daarnaast heeft verdachte zich verschillende keren versproken bij de politie, waarna hij zijn verklaringen heeft aangepast. Bovendien komt het door aangeefster opgegeven signalement overeen met het signalement van verdachte en is er in zijn woning een donkerkleurige NY-basebal pet aangetroffen met een wit NY-logo. Deze soort pet met eenzelfde wit logo, komt overeen met de door aangeefster omschreven pet die verdachte droeg ten tijde van de gebeurtenis.

Derhalve gaat de rechtbank uit van de verklaring van aangeefster die ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op het voorgaande en de onder 4 vermelde feiten die in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 19 april 2009 te Amsterdam door geweld [persoon 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte

- die [persoon 1] met een hamer op het hoofd geslagen en

- die [persoon 1] met kracht aan het lichaam getrokken en

- die [persoon 1] zijn penis in de mond laten nemen en die [persoon 1] de woorden toegevoegd: "Pijp mij" en

- zijn stijve penis ingebracht bij die [persoon 1] en die [persoon 1] vervolgens vaginaal gepenetreerd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straf en maatregel

9.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat verdachte geen inzicht wil geven in zijn persoonlijkheid, waardoor hij de mogelijkheden tot een behandeling uitsluit. Verdachte heeft aangeefster met ernstig geweld naar een afgelegen plek gebracht waar hij haar op verschillende wijzen heeft verkracht. Het is een schokkende en beangstigende ervaring geweest die ook nu nog de nodige psychische schade voor aangeefster met zich meebrengt. Daarnaast brengen onderhavige feiten in de samenleving gevoelens van onveiligheid en onrust mee. Nu het niet mogelijk is de samenleving te behoeden door middel van behandeling van verdachte is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur volgens de officier van justitie passend.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de in beslaggenomen spullen terug te geven aan de verdachte.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en geen strafmaatverweer gevoerd.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit en heeft daarbij een buitengewoon grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte heeft het jonge slachtoffer op slinkse wijze gevraagd om met haar telefoon te mogen bellen, waarop het slachtoffer nietsvermoedend en vanuit haar vertrouwen in de medemens, haar telefoon aan verdachte heeft gegeven. Hierop heeft verdachte het slachtoffer met grof geweld het slachtoffer weerloos trachten te maken door haar met een hamer op haar hoofd te slaan. Daarna heeft hij haar, toen zij zich in een weerloze situatie bevond, op brute wijze verkracht. Eerst door zich door haar te laten pijpen en daarna door haar vaginaal te penetreren. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn seksuele lusten en op schandelijke wijze misbruik gemaakt van het slachtoffer, dat op ingrijpende wijze door verdachte is vernederd, is misbruikt en in haar intimiteit is aangetast. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zeer zwaar aan.

De rechtbank acht daarbij van belang dat een en ander zich heeft afgespeeld in de directe omgeving van de woning van het slachtoffer terwijl zij uit was geweest en op weg was naar haar huis. Het behoeft geen uitleg dat het slachtoffer angstige momenten heeft moeten meemaken, terwijl eveneens algemeen bekend is dat slachtoffers van misdrijven als het onderhavige, daarvan nog lange tijd psychische problemen ondervinden. Dit blijkt in deze zaak eens te meer uit de schriftelijke slachtofferverklaring, die het slachtoffer ter terechtzitting heeft voorgelezen. Zij beschrijft hierin dat de dader haar vrijheid en zelfstandigheid heeft afgenomen. Ze is in een afhankelijkheidssituatie terecht gekomen en is ook door dit feit verhuisd, aangezien zij niet meer in de omgeving durfde te komen. Verder laat de rechtbank meewegen dat het strafbare feit zich heeft voorgedaan midden in de nacht op de openbare weg in Amsterdam. Hetgeen is gebeurd, brengt grote gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de houding van verdachte ter terechtzitting, waaruit niets anders kan worden geconcludeerd dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden. Hij heeft geen enkel inzicht getoond in zijn handelen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek door het NIFP. Hierdoor is het voor het NIFP niet mogelijk geweest om een uitspraak te doen over het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Door deze houding van verdachte heeft de rechtbank geen duidelijk beeld van hem als persoon, noch van zijn psychische gesteldheid kunnen krijgen. Dat betekent dat de rechtbank hiermee geen rekening kan houden bij de beoordeling.

Alles overwegende dient verdachte te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande en hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade ingediend voor een bedrag van € 5500,- en een vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade van € 3234,- inclusief de verschuldigde wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering geheel wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De raadsman heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring hij niet zal verzoeken om de bedragen te verminderen, maar dan wel de vraag wil stellen of de verhuiskosten voor toewijzing vatbaar zijn nu het feit zich niet in haar woning heeft afgespeeld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8734,- (zegge achtduizend zevenhonderd en vierendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Verkrachting, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 8734,- (zegge achtduizend zevenhonderd en vierendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [persoon 1], te betalen de som van € 8734,- (zegge achtduizend zevenhonderd en vierendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 78 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1 1.00 STK Voorbehoedsmiddel Kl:oranje

DUREX condoom 3609589

Oranje/blauwe verpakking

2 1.00 STK Kleding Kl:zwart

jas 3609591

Zw gewatt. leren herenjas met bontkraag maat

3 1.00 STK Kleding Kl:zwart

jas 3609595

Zw gewatt. stoffen herenjack, type bomber, m

4 1.00 STK Kleding Kl:blauw

pet 3609598

Blauwe denimbaseballcap met witte krijtstreep

5 1.00 STK Kleding Kl:zwart

pet 3609603

Zwarte baseballcap met metalen ny logo

6 1.00 STK Kleding Kl:bruin

pet 3609609

Bruin lederen baseballcap met borduur en ny

7 1.00 STK Kleding Kl:blauw

KANI broek 3609620

Baggy denimjeans met oranje en witte stiksel

8 1.00 STK Kleding Kl:zwart

pet 3609647

Zw baseballcap met zw ny logo en zw bont oor

9 8.00 STK Voorbehoedsmiddel Kl:oranje

DUREX condoom 3611077

10 3.00 STK Voorbehoedsmiddel

DUREX PLAY condoom 3611086

11 1.00 STK Kleding Kl:zwart

jas 3611092

Zwarte gewatteerde jas

12 1.00 STK Kleding Kl:blauw

jas 3611095

Zwart stoffen jas met witte strepen

13 1.00 STK Portemonnee Kl:paars

leder 3611473

Bankpas/ID-kaart/Verz.pas/Sportabon tnv [..]

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. J.W. Vriethoff en J.A.H.M. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Bruggen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2010.