Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0135

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2010
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
13/421142-09 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/421142-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 5 maart 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1958,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. H.A.M. Brok en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. G.J. van der Meer en

door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet éénmaal of meermalen de keel en/of hals van voornoemde [slachtoffer] met zijn hand(en) dicht te drukken en/of dicht te knijpen en/of (vervolgens) dichtgeknepen te houden (terwijl voornoemde [slachtoffer] zich in het ziekenhuis bevond);

2.

hij op of omstreeks 24 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het éénmaal of meermalen (met kracht) vastpakken en/of vasthouden van het hoofd van voornoemde [slachtoffer] en/of (vervolgens) (met kracht) het hoofd van voornoemde [slachtoffer] op/tegen de/het bed(rand) te slaan en/of te (doen) klappen waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De feiten

In de periode 21 tot en met 24 november 2009 verbleven verdachte en de heer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) op dezelfde kamer in het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis (‘OLVG’). Gedurende die periode heeft verdachte [slachtoffer] verscheidene malen aangesproken op het feit dat hij zou roken op het toilet. Verdachte vond dit roken op het toilet niet respectvol jegens de medepatiënten en verdachte kreeg het van de geur van de rook benauwd.

Op 24 november 2009 omstreeks 02:15 uur ging verdachte naar het toilet en merkte dat daar weer gerookt was.

Verdachte stelt dat hij zich niets meer kan herinneren van wat er vervolgens is gebeurd.

Uit getuigenverklaringen volgt dat verdachte de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en hierbij heeft gezegd: “Ik maak je dood, je moet dood, ik ga je dood maken.” Vervolgens zijn twee verpleegsters binnengekomen die aan verdachte vroegen wat hij aan het doen was, waarop verdachte zei: “Hij moet dood, hij brengt de dood, hij moet nu dood.”. Vervolgens liet verdachte [slachtoffer] los en deed een stap achteruit. Toen [slachtoffer] weer omhoog kwam met zijn bovenlichaam duwde verdachte [slachtoffer] hard naar achteren waardoor [slachtoffer] met zijn achterhoofd op de bedrand klapte.

4. Vrijspraak

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank hetgeen onder 1 is tenlastegelegd, niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft geconstateerd dat uit de diverse getuigenverklaringen niet kan worden afgeleid met welk een intensiteit, kracht en gerichtheid de keel van [slachtoffer] is dichtgeknepen. Evenmin is gebleken voor welke aaneengesloten periode de keel van [slachtoffer] is dichtgeknepen. In het dossier bevindt zich evenmin een letselverklaring waaruit kan worden afgeleid of door verdachte lichamelijke schade is toegebracht aan [slachtoffer] en evenmin een beschrijving van eventuele uiterlijke kenmerken die zicht geven op de aard en intensiteit van de verwurging.

Zowel [slachtoffer] als de getuige Vos heeft verklaard dat verdachte [slachtoffer] na het dichtknijpen van de keel heeft losgelaten, waarbij de verpleegster heeft verklaard dat [slachtoffer] na dit loslaten een stap naar achteren heeft gedaan. Niet gebleken is dat verdachte niet uit eigen beweging heeft losgelaten.

Uit de onder 3 vastgestelde feiten en het hiervoor overwogene volgt dat de gedragingen van de verdachte de mogelijkheid open laten dat verdachte met het dichtknijpen van de keel niet het voornemen had om [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zo is het heel wel denkbaar dat de gedragingen niet waren gericht op het doden van [slachtoffer] of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] maar om hem te laten ervaren hoe het voelt om geen lucht te krijgen.

Dat verdachte hierbij kreten heeft geslaakt waarin gerept werd over de dood maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank bevond verdachte zich op dat moment in een zodanig verwarde toestand, dat onvoldoende aannemelijk is dat hetgeen hij heeft gezegd overeenstemde met zijn innerlijke wil. Dat sprake was van een verwarde toestand leidt de rechtbank af uit de kreten zelf en uit hetgeen verder is waargenomen die nacht. Immers, nadat [slachtoffer] naar een andere kamer was gebracht heeft verdachte nog tegen een verpleegster gezegd: “Ik heb een hele nare droom gehad, ze komen ze komen”. Iets later die nacht is verdachte op de 4e etage aangetroffen ‘waar hij bezig was met het plafond’.

Uit het vorenstaande volgt dat de tenlastegelegde poging niet bewezen kan worden.

5. Waardering van het bewijs

5.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie is van mening dat de mishandeling wettig en overtuigend is bewezen. Wat betreft de opzet brengt de officier van justitie naar voren dat nu verdachte stelt zich niets meer te kunnen herinneren, afgegaan dient te worden op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte en uit deze verschijningsvorm volgt opzet.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat geen sprake kan zijn van opzet nu verdachte geen enkel inzicht heeft gehad in de draagwijdte van zijn gedragingen.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte heeft het hoofd van [slachtoffer] met kracht tegen de bedrand aangeduwd en hiermee [slachtoffer] pijn gedaan.

De rechtbank acht - anders dan de raadsman en met de officier van justitie - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een geestelijke stoornis slechts dan aan bewezenverklaring van opzet in de weg staan als bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

Verdachte heeft verklaard dat hij al enkele dagen zeer geïrriteerd was door [slachtoffer]. Hij heeft hem meermalen, met stemverheffing, aangesproken op het feit dat [slachtoffer] zou roken op het toilet. Nadat verdachte ’s nachts het toilet verliet in de kennelijke veronderstelling dat [slachtoffer] weer had gerookt op het toilet, heeft verdachte er voor gekozen om terug te keren naar de kamer en heeft hier vervolgens [slachtoffer] aangevallen en hem de keel dichtgeknepen. Op enig moment heeft verdachte er voor gekozen om het dichtknijpen van de keel ook weer te staken. Meteen daarna heeft hij [slachtoffer] tegen de bedrand geduwd.

Het voorgaande duidt naar het oordeel van de rechtbank op een besef en tenminste enig inzicht bij verdachte met betrekking tot de draagwijdte en mogelijke gevolgen van zijn gedragingen. Dat verdachte zich in verwarde toestand bevond, staat aan het aannemen van opzet bij verdachte op zijn handelen niet in de weg.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 november 2009 te Amsterdam opzettelijk [slac[slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het met kracht het hoofd van voornoemde [slachtoffer] tegen de bedrand te doen klappen waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

7. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

8.1. Psychische overmacht?

Voor het geval de rechtbank toch van mening zou zijn dat sprake is van opzet, is door de verdediging naar voren gebracht dat verdachte zich in een situatie van psychische overmacht bevond. Hiertoe dienen de geestelijke en lichamelijke toestand van verdachte, het noodgedwongen verblijf in het ziekenhuis en het gedrag van het slachtoffer, te worden aangemerkt als een van buiten komende druk.

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot dit verweer.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Van een van buiten komende druk waartegen verdachte zich redelijkerwijs niet kon verzetten, is de rechtbank niet gebleken. Verdachte is een man van middelbare leeftijd van wie, ook in de omstandigheden waarin hij zich bevond, mag worden verwacht dat hij op een niet gewelddadige wijze omgaat met de door hem beleefde frustraties. De rechtbank verwerpt het verweer op psychische overmacht.

8.2. Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen en maatregelen

9.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt behandeling van zijn stoornis in een specifieke ambulante instelling of bij een zelfstandig gevestigde deskundige zoals een psychiater.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat rekening gehouden met worden met de zwaarte van het voorarrest voor verdachte, welk voorarrest deels in het penitentiaire ziekenhuis is doorgebracht terwijl verdachte lichamelijk een wrak was. Met een langdurige celstraf is niemand gebaat.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft diep in de nacht zijn medepatiënt en kamergenoot [slachtoffer] de keel dichtgeknepen en daarna diens het hoofd op de bedrand laten klappen. Toen verdachte met deze handelingen aanving sliep [slachtoffer] en hij werd wakker doordat zijn keel werd dichtgeknepen. Daarbij blijkt uit het dossier dat [slachtoffer] door zijn ziekte lichamelijk zeer kwetsbaar was. Zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring, moet dit voor [slachtoffer] een zeer traumatische ervaring zijn geweest. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Het ziekenhuis dient voor patiënten een plek te zijn waar zij in rust en veiligheid kunnen verblijven. Door toedoen van verdachte heeft [slachtoffer] zijn verblijf in het ziekenhuis bepaald anders ervaren.

De rechtbank heeft er kennis van genomen dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 november 2009 niet eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat verdachte ten tijde van het gepleegde feit lichamelijk onwel was, aan diverse infecties leed, het benauwd had en moeite had met slikken. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport van

18 februari 2010 waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van zijn verblijf in het OLVG heeft geleden aan het Cannabis Withdrawal Syndrome waarbij boosheid, agressie en verminderde impulscontrole als veel voorkomende symptomen worden genoemd.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 24 februari 2010. Daarin is opgenomen dat het recidivegevaar van verdachte laaggemiddeld is en oplegging van bijzondere voorwaarden wordt geadviseerd waaronder een meldingsgebod en een behandelverplichting. Op grond van het voorgaande -en het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven hieraan te willen meewerken- ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden zoals voorgesteld door de reclassering.

9.4. Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze immateriële schade op een bedrag van € 500 (vijfhonderd euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Verder dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 300 van het Wetboek

van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart de onder 1 tenlastegelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 1 (een) maand, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Dat verdachte zich (onverwijld) stelt bij de Reclassering Nederland na het ontvangen van een uitnodigingsbrief daartoe en dat hij zich gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland blijft en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook als deze aanwijzingen inhouden:

- een meldingsgebod bij Reclassering Nederland, inhoudende dat verdachte zich gedurende een door voornoemde instelling te bepalen periode moet blijven melden, zo frequent als deze instelling dat nodig acht;

- de oplegging van maatregelen op grond waarvan gecontroleerd kan worden of veroordeelde zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 500 (vijfhonderd euro) voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slac[slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [woonplaats], te betalen de som van € 500 (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis over de hoofdsom, voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. C.W. Inden, B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.C. van Geel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2010.