Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0054

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-02-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
AWB 08-3176 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WWB. Intrekking, terugvordering en medeterugvordering van bijstand. Beroep gegrond. Gedeeltelijk zelf in de zaak voorzien door herroeping van het primaire besluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/3176 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eisers],

wonende te [woonplaats],

eisers, ook te noemen: eiser en eiseres,

gemachtigde mr. J. Burema,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Mulders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2008 heeft verweerder de bijstand van eiser ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 30 november 1999 en van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 ingetrokken. Daarnaast heeft verweerder de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 81.085,25 bruto van eiser teruggevorderd. Daarbij heeft verweerder een bedrag van € 56.776,65 bruto mede van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 4 juli 2008 heeft verweerder het daartegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit).

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 13 augustus 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 30 maart 2009. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek bij beslissing van 27 april 2009 heropend en het beroep doorverwezen naar de meervoudige kamer ter behandeling.

Het beroep is behandeld op de zitting van 2 december 2009, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. Het onderzoek is vervolgens gesloten.

2. Overwegingen

Feiten en omstandigheden

2.1 Eiser en eiseres zijn met elkaar gehuwd geweest. Eiser heeft in de perioden van 1 november 1996 tot en met 30 november 1999 en vanaf 10 december 2002 tot en met 31 december 2003 een bijstandsuitkering ontvangen naar de norm voor alleenstaande op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Van 1 januari 2004 tot en met 5 juni 2007 heeft hij een bijstandsuitkering ontvangen naar de norm voor alleenstaande op grond van de WWB.

2.2 Naar aanleiding van een telefonische mededeling van woningcorporatie Ymere op 1 maart 2007 dat onderzoek is verricht naar onrechtmatige bewoning op het adres van eiser, [adres 1] te [woonplaats], heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van eiser. In het kader hiervan is onder meer een buurtonderzoek verricht en zijn getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het proces-verbaal van 31 januari 2008 en het aanvullend procesverbaal van 20 mei 2008. Op grond hiervan heeft verweerder bij primair besluit van 31 maart 2008 de bijstand van eiser over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 30 november 1999 en van 10 december 1997 tot en met 31 mei 2007 ingetrokken en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 81.085,25 bruto van eiser teruggevorderd. Daarbij heeft verweerder een bedrag van € 56.776,65 bruto mede van eiseres teruggevorderd. Verweerder heeft daartoe gesteld dat eiser in de periode van 15 juli 1997 tot en met 30 november 1999 en de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 inkomsten uit onderhuur heeft ontvangen en in de periode van 1 juli 1997 tot en met 14 juli 1997 op het adres van eiser, [adres 1] te [woonplaats], en de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 op het adres van eiseres, [adres 2] te [woonplaats], een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met eiseres, waarbij zij inkomsten boven de voor hen geldende bijstandsnorm hebben gehad. Eiser heeft verweerder hierover niet geïnformeerd.

Standpunten van partijen

2.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Daartoe heeft verweerder onder meer gesteld dat uit het onderzoek van verweerder en woningcorporatie Ymere is gebleken dat eiser tot 15 juli 1997 samen met eiseres en hun kinderen hebben samengewoond in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] en dat eiser vanaf 15 juli 1997 deze woning niet bewoonde maar heeft onderverhuurd waaruit hij oncontroleerbare inkomsten heeft ontvangen. Eiser heeft in ieder geval van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 buiten de gemeente gewoond. Eiser heeft dan ook geen recht op bijstand. Hij heeft gedurende deze periode samengewoond met eiseres op het adres van eiseres, zijnde [adres 2] te [woonplaats]. Volgens verweerder wordt dan ook terecht de bijstand over de in het primaire besluit genoemde perioden tot een bedrag van € 81.085,25 teruggevorderd. Aangezien eiseres over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 14 juli 1997 en van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 een gezamenlijke huishouding met eiser heeft gevoerd is zij voor de terugvordering van de te veel betaalde bijstand van € 56.776,65 bruto terecht (mede) hoofdelijk aansprakelijk gesteld. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien.

2.4 Eisers hebben hiertegen aangevoerd dat zij sinds 1991 van elkaar zijn gescheiden. Eiser heeft toen de woning verlaten en is gaan wonen aan de [adres 1] te [woonplaats]. Eiser is alcohol- en drugsverslaafde waardoor hij geen besef van tijd, geld en verplichtingen heeft. Het is dan ook niet uit te sluiten dat eiser in zijn woning aan de [adres 1] mensen voor korte of langere tijd te logeren heeft gehad in ruil voor drank of drugs. Dit zijn echter geen huurders geweest. Het verklaart mogelijk wel het feit dat zij hebben verklaard onderhuurders te zijn geweest tegen een betaalde huurprijs. Verder hebben eisers gesteld dat de door verweerder opgevoerde verklaringen onbetrouwbaar zijn. De betrokken getuigen zijn door de vraagstelling gestuurd, zodat (de weergave van) de afgelegde verklaringen eventuele onzekerheden niet weergeeft, maar lijken te passen in de visie van verweerder over eisers. Eisers hebben voorts gesteld dat het feit dat eiser in of rond de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] niet door iedereen is gezien, komt doordat hij een teruggetrokken leven leidde als alcoholist en drugsverslaafde. Hij leefde ’s nachts en verbleef de gehelde dag in de woning en kwam overdag niet naar buiten. De meeste buren kende hij niet. Dat eisers zouden hebben samengewoond nadat zij waren gescheiden wordt door verweerder op geen enkele wijze onderbouwd door betrouwbaar bewijs. Het getuigenbewijs is vaag, weinig nauwkeurig of specifiek. Ten slotte hebben eisers gesteld dat het bewijs door middel van de getuigenverklaringen slechts ziet op de periode van mei 2005 tot mei 2007. Enig bewijs voor onderhuur voor of na deze periode wordt door verweerder niet geleverd.

Beoordeling

2.5 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 januari 2007 (LJN: AZ7234), voor wat betreft de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 niet langer wordt gesteld dat sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding op het adres van eiseres. Thans wordt primair gesteld dat eiser in die periode zijn hoofdverblijf heeft gehad buiten de gemeente en subsidiair dat eiser oncontroleerbare inkomsten uit onderhuur heeft gehad. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat nu niet langer wordt gesteld dat sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, de medeterugvordering van de betaalde bijstand over deze periode van eiseres ook niet langer wordt gehandhaafd.

2.6 Gelet hierop ontbeert het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een deugdelijke en kenbare motivering. De rechtbank zal het beroep reeds hierom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

2.7 De rechtbank zal beoordelen of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten dan wel om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

2.8 De rechtbank stelt vast dat ter beoordeling nog voorligt:

de intrekking van bijstand

- over de periode van 1 juli 1997 tot en met 14 juli 1997 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding op het adres van eiser;

- over de periode van 15 juli 1997 tot en met 30 november 1999 wegens oncontroleerbare inkomsten uit onderhuur;

- over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 wegens hoofdverblijf van eiser buiten de gemeente;

De terugvordering van eiser van de bijstand

- over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 november 1999;

- over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007;

medeterugvordering van eiseres van de bijstand

- over de periode van 1 juli 1997 tot en met 14 juli 1997.

Wettelijk kader

2.9 Omtrent de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen overweegt de rechtbank het volgende. Het primaire besluit en het besluit op bezwaar dateren van na 1 januari 2004. Vanaf 1 januari 2004 ontleent verweerder zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van bijstand aan de artikelen 54 en 58 van de WWB, voorheen aan de (oude) bepalingen van de Abw. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat verweerder in dit geval aan de artikelen 54 en 58 WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening of intrekking en terugvordering over te gaan. De rechten en verplichtingen van eiseres dienen, nu deze betrekking hebben op een tijdvak gelegen vóór 1 januari 2004, materieel te worden beoordeeld naar de (oude) bepalingen van de Abw.

2.10 In artikel 7, eerste lid, van de Abw en artikel 11 van de WWB is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

2.11 Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de WWB doet een belanghebbende aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

2.12 Ingevolge artikel 42 van de Abw en artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

2.13 Op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw en artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de in aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen inkomsten uit verhuur, onderverhuur of uit het hebben van een of meer kostgangers.

2.14 Op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB kan verweerder een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 17, eerste lid (waaronder uit een oogpunt van redelijke wetsuitleg tevens dient te worden gelezen artikel 65, eerste lid, van de Abw) heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

2.15 Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is verweerder bevoegd tot terugvordering over te gaan voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.16 Ingevolge het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de Abw en artikel 59, tweede lid, van de WWB worden, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de verplichting als bedoeld in onder meer artikel 65 van de Abw respectievelijk 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Intrekking van de bijstand

2.17 Ten aanzien van de intrekking over de periode van 1 juli 1997 tot en met 14 juli 1997 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding op het adres van eiser, is de rechtbank van oordeel dat uit de getuigenverklaringen van de bewoners in de omgeving van het adres van eiser onvoldoende concreet blijkt dat eiseres gedurende deze periode haar hoofdverblijf heeft gehad op het adres van eiser.

2.18 Ten aanzien van de intrekking over de periode van 15 juli 1997 tot en met 30 november 1999 wegens oncontroleerbare inkomsten uit onderhuur, is de rechtbank van oordeel dat uit de getuigenverklaringen van de bewoners in de omgeving van het adres van eiser weliswaar blijkt dat er in die periode steeds andere mensen zijn gezien op het adres van eiser, maar niet dat eiser oncontroleerbare inkomsten uit onderhuur heeft gehad. De verklaringen van de onderhuurders [onderhuurders], dat zij huur betaalden aan eiser, zien niet op deze periode. Voorts blijkt uit de getuigenverklaringen van [getuige 1,2,3] onvoldoende concreet dat eiser in deze periode niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het door hem opgegeven adres.

2.19 Ten aanzien van de intrekking over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 wegens hoofdverblijf van eiser buiten te gemeente overweegt de rechtbank als volgt. De getuigenverklaringen van de bewoners in de omgeving van het adres van eiseres zijn onvoldoende concreet om vast te stellen dat eiser zijn hoofdverblijf had op het adres van eiseres. Zo blijkt uit de getuigenverklaringen van de buurman op [adres 3], [getuige 4,5] weliswaar dat eiser is gezien op het adres van eiseres, maar over de frequentie van eisers verblijf aldaar wordt niets verklaard. Eiser heeft bovendien verklaard regelmatig op het adres van eiseres te zijn vanwege de kinderen, hetgeen strookt met de verklaringen van de getuigen.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat op basis van deze getuigenverklaringen in samenhang met de getuigenverklaringen van de bewoners in de omgeving van het adres van eiser ([getuige 1], [onderverhuurders], en [getuige 3]) wel kan worden vastgesteld dat eiser in de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het door hem opgegeven adres. Uit deze verklaringen blijkt immers dat eiser niet op zijn adres is gezien, maar wel op het adres van eiseres. Daarnaast zijn er andere personen gezien op het adres van eiser. Eisers verklaring dat hij alleen ’s nachts leefde, de gehele dag in de woning verbleef en overdag niet naar buiten kwam, acht de rechtbank in het licht van de getuigenverklaringen onvoldoende. De verklaring van [getuige 2], wat er verder ook zij van de vraag of daaruit kan worden afgeleid wie er wel op het adres van eiser woonde, strookt met deze verklaringen nu ook hij eiser niet heeft gezien op de [adres 1] te [woonplaats]. Dat de verklaring van [onderverhuurder] een vertaling betreft van hetgeen hij in het Engels heeft vertaald, is geen reden de verklaring van [onderverhuurder] buiten beschouwing te laten. De verklaring is in het bijzijn van een tolk afgelegd, is ondertekend door [onderverhuurder] en komt overeen met de verklaringen van [getuige 2] en [onderverhuurder].

2.20 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat voor de intrekking de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 november 1999 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding, oncontroleerbare inkomsten uit onderhuur en geen hoofdverblijf op het opgegeven adres, geen deugdelijke grondslag bestaat.

2.21 De rechtbank ziet derhalve aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 november 1999, nu dat besluit in zoverre berust op een hiervoor ondeugdelijk gebleken grondslag en niet aannemelijk is dat dat gebrek nog kan worden hersteld.

2.22 Ten aanzien van de intrekking van de bijstand over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007, is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat eiser niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het door hem opgegeven adres. Hierdoor is het recht op bijstand over die periode niet vast te stellen. Nu eiser heeft verzuimd hiervan aan verweerder mededeling te doen, is hij de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65 van de Abw alsmede artikel 17 van de WWB niet nagekomen. Verweerder is dan ook bevoegd zijn om de bijstand over deze periode in te trekken. In het aangevoerde ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

2.23 De rechtbank ziet derhalve aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007, in stand te laten.

Terugvordering van de bijstand van eiser

2.24 Uit het voorgaande volgt dat voor de terugvordering van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 november 1999 geen grond bestaat. Verweerder is wel bevoegd tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007. De rechtbank is niet gebleken van een omstandigheid op grond waarvan verweerder niet zou mogen besluiten tot volledige terugvordering van de over die periode betaalde bijstand.

2.25 Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het primaire besluit voor wat betreft de terugvordering één en ondeelbaar is en een executoriale titel oplevert, zal de rechtbank dit primaire (deel)besluit herroepen. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat dit niet wil zeggen dat verweerder niet opnieuw zou mogen besluiten tot terugvordering van bijstand over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007.

Medeterugvordering van de bijstand van eiseres

2.26 Nu ten aanzien van de periode van 1 juli 1997 tot en met 14 juli 1999 niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, is er geen grond de over deze periode betaalde bijstand mede van eiseres terug te vorderen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat voor wat betreft de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 niet langer wordt gesteld dat sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het primaire (deel)besluit voor wat betreft de medeterugvordering herroepen.

Proceskosten

2.27 Ten slotte ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,00 in bezwaar en € 644,00 in beroep voor verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

Intrekking van de bijstand

- herroept het primaire besluit voor wat betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 november 1999;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit uitsluitend voor wat betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 in stand blijven;

Terugvordering van de bijstand van eiser

- herroept het primaire besluit voor wat betreft de terugvordering;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Medeterugvordering van de bijstand van eiseres

- herroept het primaire besluit voor wat betreft de medeterugvordering;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Proceskosten

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, te betalen aan eisers;

- draagt verweerder op het door eisers betaalde griffierecht van € 39,00 aan hen te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, voorzitter, en mrs. L.H. Waller en J.H.M. van de Ven, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2010.

De griffier, De rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.:

DOC: B

SB