Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0006

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
AWB 09-1675 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Afkoop lijfrentepolis. Verweerder heeft de waarde van de lijfrentepolis terecht als middelen in aanmerking genomen. Van eiseres mag worden verlangd dat zij de polis afkoopt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/1675 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. M. de Miranda,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M.H.M. Diderich.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 13 februari 2009 (het primaire besluit) aan eiseres bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande voor de periode van 16 december 2008 tot en met 1 maart 2009.

Bij besluit van 16 maart 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2009. Na de zitting heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het vooronderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Het onderzoek is voortgezet en vervolgens gesloten ter zitting van de meervoudige kamer van 12 januari 2010. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres heeft op 16 december 2008 een aanvraag gedaan om bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 13 februari 2009 heeft verweerder de bijstand toegekend met ingang van 16 december 2008. Verweerder heeft besloten dat de bijstand wordt verleend tot 1 maart 2009. Vanaf die datum kan eiseres de kosten van levensonderhoud zelf betalen, omdat zij beschikt over vermogen in de vorm van lijfrenteverzekering bij FBTO en een afkoopbare kapitaalverzekering van Aegon Koersplan, aldus verweerder.

1.2. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. In het bezwaar heeft eiseres gesteld dat het bedoelde vermogen een aanvullende pensioenvoorziening is waarover zij niet vrij kan beschikken.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de lijfrentepolis zwaar belast zou zijn geweest met een boete, nu de opgave van de verzekeraar ontbreekt. Ook de informatie met betrekking tot de afkoop van kapitaalverzekering acht verweerder niet toereikend. Verweerder stelt dan ook vast dat de genoemde bedragen, zijnde € 7.435,00 en € 1.812,00, vanaf 1 maart 2009 mede tot het vermogen van eiseres gerekend moeten worden, nu zij daarover redelijkerwijs kan beschikken. Opgeteld bij het vermogen van eiseres bij aanvang van de bijstand, welk vermogen verweerder bij het bestreden besluit opnieuw heeft vastgesteld op € 3.843,93, overstijgt het vermogen van eiseres het vrij te laten vermogen, hetgeen betekent dat terecht is besloten de bijstand met ingang van 1 maart 2009 te beëindigen.

1.4. In het beroep heeft eiseres aangevoerd dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, nu in het besluit twee verschillende bedragen aan vermogen bij aanvang van de bijstand worden genoemd. Daarnaast stelt eiseres dat geen sprake is van vermogen waar zij redelijkerwijs de beschikking over heeft. Als er al sprake is van vermogen, dan is dat toekomstig vermogen en zijn dat geen middelen die worden ontvangen in de periode waarover de bijstand wordt toegekend. Daarbij gaat de uitbetaling van een dergelijke polis niet in een bedrag ineens, maar in maandelijkse termijnen. Verweerder heeft volgens eiseres onvoldoende kennis vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen met betrekking tot de hoogte van de afkoopwaarde en de hoogte van het nadeel dat eiseres van de afkoop zal ondervinden. Voorts komt het eiseres niet juist voor dat de bijstand al bij de toekenning in tijd wordt beperkt. De beoordeling of een wijziging in de omstandigheden consequenties heeft voor het recht op bijstand, dient op het moment dat die omstandigheden zich voordoen te geschieden.

1.4.1. Ter zitting heeft eiseres - kort samengevat - nog het volgende aangevoerd. In de wet op de inkomstenbelasting (hierna: WIB) zijn grenzen gesteld aan de afkoopmogelijkheid, met name in artikel 3.133, dat als titel heeft: “ Uitbreiding begrip negatieve uitgaven bij handelen in strijd met de voorwaarden”. Van handelen in strijd met de voorwaarden is sprake bij afkoop van de aanspraak. Van eiseres kan niet worden gevergd dat zij in strijd met de WIB handelt en als gevolg daarvan een aanzienlijk lager bedrag ontvangt.

2. Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

2.3. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

2.4. Ingevolge artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bedroeg de vermogensgrens voor de alleenstaande ten tijde van belang € 5.455,00.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Bij het primaire besluit heeft verweerder het in aanmerking te nemen vermogen vastgesteld op € 2.871,53. Verweerder heeft vervolgens vastgesteld dat een bedrag aan contant geld ten onrechte niet tot het vermogen is meegerekend. Verweerder heeft daarop het bedrag van het in aanmerking te nemen vermogen in het kader van een volledige heroverweging gecorrigeerd en vastgesteld op € 3.843,93. Verweerder was hier naar het oordeel van de rechtbank toe bevoegd. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat laatstgenoemd bedrag op een onjuiste berekening berust, terwijl evenmin moet worden aangenomen dat verweerder zijn beslissing op dit punt ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het betoog van eiseres op dit punt dient daarom te worden verworpen.

3.2. Ook faalt naar het oordeel van de rechtbank het betoog van eiseres dat verweerder onvoldoende kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen met betrekking tot de hoogte van de afkoopwaarde en de hoogte van het nadeel dat eiseres van de afkoop zal ondervinden. Uit de toelichting op artikel 17 van de WWB en vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat van de belanghebbende die een beroep doet op een specifieke overheidsvoorziening, verlangd mag worden dat hij voldoende gegevens en inlichtingen verstrekt die het de uitvoerder van die voorziening mogelijk maakt te beoordelen of terecht een beroep op die voorziening wordt gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook aan eiseres om aan te tonen dat haar vermogen niet boven de toegestane vermogensgrens uitkomt. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder bij de besluitvorming is uitgegaan van de door eiseres verstrekte gegevens omtrent de waarde van de polissen.

3.3. Uit de door eiseres in beroep overgelegde stukken kan worden afgeleid dat de afkoopwaarde van de kapitaalverzekering bij Aegon € 1.812,00 en de afkoopwaarde van de lijfrenteverzekering bij FBTO - in ieder geval - € 2.652,87 bedraagt. Dit zou betekenen dat, gelet op het bij aanvang vastgestelde vermogen en gelet op hoogte van laatstgenoemde bedragen, eiseres de geldende vermogensgrens voor een alleenstaande van € 5.455,00 heeft overschreden. Ter zitting is gebleken dat eiseres de kapitaalverzekering bij Aegon heeft afgekocht maar de lijfrenteverzekering bij FBTO niet. Partijen zijn met name verdeeld over de vraag of van eiseres redelijkerwijs kan worden gevergd dat zij ook de lijfrenteverzekering afkoopt. In lijn met de vaste jurisprudentie van de CRvB worden dergelijke polissen gerekend tot het vermogen van een belanghebbende, wanneer deze afkoopbaar zijn. Aan de WWB en de daarop gebaseerde regelgeving ligt namelijk het beginsel ten grondslag dat een betrokkene in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. De WWB is een voorziening waarop pas een beroep kan worden gedaan als de eigen financiële mogelijkheden zijn uitgeput. Daarom is, gelet op het actualiteitsprincipe en het sluitstukkarakter van de WWB, niet van doorslaggevend belang dat de betreffende polissen voor de betrokkene een voorziening voor de verdere toekomst kunnen vormen.

3.4. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de polissen van eiseres kunnen worden afgekocht (de polis bij Aegon heeft eiseres reeds afgekocht) en dat weliswaar een zeker verlies optreedt ten opzichte van de oorspronkelijke waarde, maar dat geen sprake is van een afkoopwaarde die zó gering is dat de afkoop voor de toepassing van de WWB in redelijkheid niet van eiseres kan worden verlangd. Van een strafrechtelijke sanctie in verband met het afkopen van de polis is, zoals eiseres in haar pleitnota ook heeft erkend, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De consequenties zijn louter van fiscale aard. De in het schrijven van de verzekeraar genoemde boeterente betreft de rente die door de belastingdienst alsnog in rekening wordt gebracht in verband met de vroegtijdige afkoop van de polis. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat verweerder voor de toepassing van de WWB terecht de waarde van de beide polissen tot het vermogen van eiseres heeft gerekend. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraken van de CRvB van 29 september 2009, LJN: BK0488, 24 oktober 2006, LJN: AZ0954, 14 maart 2006, LJN: AV8541, 9 december 2003, LJN: AO1146 en 2 oktober 2001, LJN: AE1353.

3.5. De rechtbank overweegt voorts als volgt. In dit geval is, gelet op het verhandelde ter zitting, tussen partijen niet in geschil dat, indien moet worden aangenomen dat de polissen afkoopbaar zijn en daardoor tot het vermogen van eiseres moeten worden gerekend, zulks ook al het geval was bij de toekenning van de bijstand, te weten op 16 december 2008. De gemachtigde van eiseres heeft betoogd dat eiseres in dat geval in een gunstiger positie zou hebben verkeerd, nu eiseres - uitgaande van een fictieve interingstermijn - reeds per 16 februari 2009 voor bijstand in aanmerking zou zijn gekomen. Eiseres zou in dat geval gedurende twee maanden, van 16 december 2008 tot 16 februari 2009, van bijstand zijn uitgesloten, terwijl als gevolg van het bestreden besluit eiseres gedurende vier maanden, te weten van 1 maart 2009 tot 1 juli 2009, zonder bijstandverlening heeft geleefd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dit betoog onvoldoende ontkracht.

3.6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. In dat besluit dient verweerder de aanspraken van eiseres op bijstand over de gehele periode van 16 december 2008 tot 1 juli 2009 in ogenschouw te nemen. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting overweegt de rechtbank dat verweerder met betrekking tot de periode van 1 maart 2009 tot

1 juli 2009 in het bijzonder niet onjuist zou handelen door acht te slaan op eventuele arbeidsinkomsten van eiseres over die periode en deze als middelen als bedoeld in artikel 31 van de WWB in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de aanspraken op bijstand over die periode. Gelet op het voorgaande behoeft geen bespreking het betoog van eiseres dat verweerder de verlening van bijstand ten onrechte reeds in het toekenningsbesluit in tijd heeft beperkt.

3.7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-

(1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het griffierecht aan eiseres wordt vergoed.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,00, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, als voorzitter, mrs. A.M. van der Does en H.G. Schoots als leden, in aanwezigheid van mr. S. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2010.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB