Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL9952

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
AWB 09/3852 WWB en AWB 09/4833 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Er is sprake van een gezamenlijke huishouding vanwege een gezamenlijk kind ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 09/3852 WWB en AWB 09/4833 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. drs. W. Hoebba,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2009 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres met ingang van 7 januari 2009 ingetrokken. Bij besluit van 15 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit I) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 2 juni 2009 heeft verweerder de kosten van bijstand over de periode van 7 januari 2009 tot en met 30 april 2009 tot een bedrag van € 4.178,35 van eiseres teruggevorderd. Bij besluit van 8 september 2009 (hierna: het bestreden besluit II) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld.

Verweerder heeft twee verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 6 januari 2010. Eiseres en haar gemachtigde zijn – met kennisgeving – niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Overwegingen

1. Verweerder is naar aanleiding van een anonieme telefonische mededeling aan de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een onderzoek gestart naar de woonsituatie van eiseres in verband met haar bijstandsuitkering. Het onderzoek is vastgelegd in het Rapport van bevindingen Melding van 26 januari 2009 (het rapport). De conclusie van het rapport is dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat zij heeft verzwegen een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd met de heer [persoon 1].

2.1. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat eiseres en de heer [persoon 1] per 7 januari 2009 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, omdat zij samen een zoon hebben en aan de [adres] samen hun hoofdverblijf hebben. Verweerder was derhalve bevoegd om van eiseres de ten onrechte betaalde bijstand terug te vorderen.

2.2. Eiseres betwist in beroep dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding met de heer [persoon 1] met ingang van 7 januari 2009.

2.3. Eiseres voert aan dat de anonieme telefonische mededeling geen gegronde reden is om het huisbezoek van 7 januari 2009 af te leggen, zodat de tijdens het huisbezoek verzamelde informatie moet worden beschouwd als onrechtmatig verkregen bewijs. Deze beroepsgrond kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 7 januari 2009 is gevraagd of zij instemde met een huisbezoek. Daarbij is aangegeven wat het doel en de reden van het huisbezoek waren en voorts dat de weigering toestemming te verlenen voor het afleggen van een huisbezoek niet zal leiden tot het stopzetten van de bijstand. Op basis van deze informatie is door eiseres vrijwillig toestemming gegeven voor het huisbezoek, hetgeen blijkt uit een door eiseres ondertekend document. Dit betekent dat verweerder op gerechtvaardigde wijze inbreuk heeft gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van eiseres als omschreven in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 april 2007 (te vinden www.rechtspraak.nl, onder LJN BA2410).

2.4. Vast staat dat uit de relatie van eiseres en de heer [persoon 1] een kind is geboren. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB), levert dit feit een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding op, indien ook komt vast te staan dat eiseres en de heer [persoon 1] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De stelling van eiseres dat er sprake is van een temporele beperking van het wettelijk rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3 van de WWB, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Het wettelijk vermoeden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB kent geen beperking in de tijd (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, te vinden www.rechtspraak.nl, onder LJN BH2580).

2.5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de heer [persoon 1] op de hier in geding zijnde datum hoofdzakelijk verbleef in de woning van eiseres. Uit de bevindingen tijdens het huisbezoek aan de [adres] blijkt dat recente administratie van de heer [persoon 1] alsmede zijn paspoort en foto’s zijn aangetroffen op het adres van eiseres. Tevens was een kast deels gevuld met herenkleding. Eiseres heeft zelf verklaard dat de heer [persoon 1] vaak in de woning is, dat zij een relatie met hem heeft en dat hij ook wel in de woning slaapt. Een buurtbewoner op het adres [adres 2] heeft verklaard dat eiseres samenwoonde met haar man en zoon. Consistent hiermee is voorts dat het huisbezoek aan de [adres 3] geen aanknopingspunten heeft opgeleverd dat de heer [persoon 1] daar woonde.

2.6. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Aangezien uit de relatie tussen eiseres en de heer [persoon 1] een kind is geboren en uit onderzoek blijkt dat eiseres en de heer [persoon 1] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, was tussen hen sprake van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB. Verweerder was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan. Niet gebleken is van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid geen gebruik van deze bevoegdheid heeft kunnen maken.

3.1. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat verweerder bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand. Eiseres stelt dat verweerder gelet op de financiële situatie van eiseres en haar ernstige psychische klachten, wegens dringende redenen had moeten afzien van terugvordering. Verweerder neemt het standpunt in dat met de beslagvrije voet al voldoende rekening wordt gehouden met de financiële situatie van eiseres en dat eiseres geen objectieve gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de psychische klachten samenhangen met haar verhouding met de heer [persoon 1].

3.2. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 6.1, vijfde lid, van de Beleidsregels alleen van terugvordering wordt afgezien in geval van dringende redenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in overeenstemming met zijn beleid gehandeld door te overwegen dat de financiële situatie van eiseres geen reden vormt om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien. Nu eiseres geen verifieerbare gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor haar geestelijke of lichamelijke gezondheid, vormt dit ook geen dringende reden om van terugvordering af te zien. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4. De rechtbank zal de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaren. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling dan wel de bepaling dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB