Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL9705

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
AWB 08/5153 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op 31 maart 2010 de weigering van subsidie door het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten + aan eiseres vernietigd. In het advies dat ten grondslag ligt aan de weigering van de subsidie heeft de adviescommissie geconstateerd dat de artistieke kwaliteit onvoldoende is. Uit het advies wordt evenwel niet duidelijk waarop die conclusie is gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/5153 BELEI

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de stichting [eiseres],

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde mr. F.J. Jacobs,

en

de Raad van bestuur van de stichting Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten +,

verweerder,

gemachtigde mr. S. van Heukelom-Verhage.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 21 augustus 2008 de subsidieaanvraag van eiseres in het kader van de Deelregeling vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 (hierna: de Deelregeling) afgewezen (hierna: het primaire besluit).

Bij besluit van 17 november 2008 heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2010.

Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door mr. F.J. Jacobs. Tevens zijn namens eiseres verschenen [naam 1], [naam 2] en [naam 3].

Verweerder is vertegenwoordigd door mr. J. Dijkgraaf. Namens verweerder zijn tevens verschenen [naam 4] en [naam 5].

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres is opgericht in 1974 en ontving laatstelijk subsidie in het kader van de Cultuurnota 2005-2008.

1.2. Op 31 januari 2008 heeft eiseres een aanvraag om subsidie op grond van de Deelregeling ingediend. Verweerder heeft de aanvraag ter advisering voorgelegd aan de Commissie muziek (hierna: de adviescommissie). Deze heeft op 21 augustus 2008 een negatief advies uitgebracht, omdat de artistieke kwaliteit van eiseres (als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder a, van de Deelregeling) onvoldoende is.

Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen. De afwijzing van de subsidieaanvraag is gebaseerd op het negatieve advies van de adviescommissie.

1.3. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar de afwijzing gehandhaafd. Eiseres heeft dit besluit in beroep gemotiveerd bestreden.

2. Het wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 2 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid is de minister belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt de minister gemachtigd om namens de Staat tot oprichting of mede-oprichting over te gaan van privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die tot doel hebben het instandhouden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van één of meer cultuuruitingen te bevorderen door daartoe subsidies te verstrekken.

Ingevolge artikel 11 verstrekt het bestuur van een fonds subsidies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bij beschikking.

2.2. Ingevolge artikel 2 van de Deelregeling kan het bestuur van het Fonds op aanvraag van een podiumkunstinstelling, of een samenwerkingsverband van podiumkunstinstellingen, voor de periode van 2009-2012 een vierjarige subsidie verstrekken. Deze subsidie wordt verstrekt voor het in continuïteit verrichten van activiteiten ter bevordering van de kwaliteit en diversiteit in het produceren en programmeren van professionele muziek, dans en theater en in het opbouwen van een publiek daarvoor in heel Nederland en het buitenland, alsmede ter bevordering van cultureel ondernemerschap.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, stelt het bestuur van het Fonds, indien een subsidieplafond als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onvoldoende is om alle aanvragen in de categorie waarop het plafond betrekking heeft, te honoreren, met inachtneming van het advies van de adviescommissie per categorie een rangorde vast op basis van de prioriteit die aan de aanvragen is gegeven aan de hand van de criteria, genoemd in artikel 5.

Ingevolge het vierde lid, dient, om in de rangorde te worden opgenomen, het oordeel over het criterium 'kwaliteit' als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder a, in ieder geval positief te zijn.

Ingevolge artikel 5 worden aanvragen beoordeeld op de volgende aspecten:

a. Kwaliteit

b. Bijdrage aan diversiteit/verscheidenheid

c. Bijdrage aan spreiding

d. Relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling

e. Publieksbereik en –ontwikkeling

f. Cultureel ondernemerschap en bedrijfsvoering

Ingevolge artikel 7, eerste lid, worden de aanvragen die aan het bepaalde in de artikelen 1, 2, 6 en 8 voldoen, op grond van de criteria, genoemd in artikel 5, beoordeeld en geprioriteerd door een adviescommissie.

Ingevolge het derde lid, besluit het bestuur van het Fonds over de aanvragen met inachtneming van het advies van de adviescommissie.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Eiseres bestrijdt dat de artistieke kwaliteit van haar werk onvoldoende is. Daarnaast is eiseres van mening dat verweerder het andersluidend oordeel niet afdoend heeft gemotiveerd. In het bijzonder wijst eiseres er op dat geen aandacht is geschonken aan haar langdurige en succesvolle voorgeschiedenis en dat door de leden van de adviescommissie (in hun hoedanigheid als lid van deze commissie) geen optredens van eiseres zijn bezocht. Daarom is het onduidelijk waarop het negatieve oordeel van deze commissie ten aanzien van de artistieke ontwikkeling is gebaseerd, aldus eiseres. Verweerder had dan ook niet zonder meer af mogen gaan op het negatieve advies van de adviescommissie.

3.2. Uit de toelichting op de Deelregeling blijkt dat het oordeel over de kwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5, aanhef en onder a, wordt gebaseerd op de artistieke kwaliteit van het eerdere werk en/of de verrichte activiteiten, de kwalitatieve ontwikkeling van het werk en/of de verrichte activiteiten, het beleidsplan en de begroting. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat sprake is van een integrale beoordeling en dat een negatieve beoordeling van één van hiervoor genoemde aspecten niet automatisch betekent dat het criterium “kwaliteit” in zijn geheel dan ook negatief scoort.

3.3. De adviescommissie oordeelt in haar advies onder meer als volgt:

“De commissie beschouwt [eiseres] als een van de eerste ensembles in Nederland die de geïmproviseerde muziek op een voor het publiek zeer aansprekende wijze presenteerden. Hiervoor heeft zij waardering, met name voor de onmiskenbare rol van artistiek leider [naam 1], maar tegelijkertijd constateert de commissie dat het ensemble al geruime tijd weinig muzikale ontwikkeling vertoont en in artistiek opzicht zijn voortrekkersrol heeft verloren. Ten opzichte van het overig aanbod in het Nederlandse muzieklandschap levert het ensemble niet langer een onderscheidende en waardevolle bijdrage. Evenmin bevat het beleidsplan voor de komende periode een overtuigende langetermijnvisie en bijpassend artistiek en zakelijk meerjarenbeleid. Dit vindt de commissie zeer teleurstellend en weinig vertrouwenwekkend voor een structureel gesubsidieerde instelling.”

3.4. In het individueel ambtsbericht van 19 september 2008 stelt verweerder, naar aanleiding van de gronden in bezwaar, dat het bestuur van het Fonds het niet nodig acht dat de adviescommissie een nadere omschrijving van de term “ontwikkeling” heeft gegeven, omdat deze term gangbaar is en weinig interpretatieruimte laat.

3.5. Volgens het verslag van de hoorzitting van 30 september 2008 heeft de secretaris van de adviescommissie aldaar gezegd dat de adviescommissie van mening is dat de ontwikkeling van [eiseres] de laatste tien jaar tot stilstand is gekomen.

3.6. De rechtbank is van oordeel dat in het advies van de adviescommissie een deugdelijke onderbouwing van de vaststelling, dat de artistieke ontwikkeling van [eiseres] de laatste tien jaar tot stilstand is gekomen, ontbreekt. Voor zover verweerder stelt dat mede in ogenschouw zijn genomen de van de Raad voor Cultuur overgenomen dossiers, heeft eiseres er terecht op gewezen dat bij de subsidieverlening door deze instantie in het kader van de Cultuurnota voor de periode 2005-2008, een lovende beoordeling is gegeven, waarin onder meer is gesteld:

“[eiseres] maakt al drie decennia op unieke wijze muziek. [eiseres] geeft over de hele wereld concerten en vervult een belangrijke ambassadeursfunctie voor de Nederlandse gecomponeerde en geïmproviseerde muziek in het buitenland. Binnen Nederland is [eiseres] behalve een artistiek voorbeeld ook een vraagbaak op organisatorisch en zakelijk gebied.”

Tevens blijkt uit het dossier dat leden van de adviescommissie de optredens van eiseres in de afgelopen tien jaar slechts incidenteel hebben bezocht.

3.7. De rechtbank onderschrijft dat bij de beoordeling van de artistieke kwaliteit door een adviescommissie van deskundigen, nu het gaat om naar hun aard subjectieve oordelen die zich niet licht in woorden laten samenvatten, slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld. Van een adviescommissie zoals die in deze zaak is aangesteld mag echter worden verwacht dat zij aangeeft waarop het oordeel dat de ontwikkeling van [eiseres] de laatste tien jaar tot stilstand is gekomen, mede gezien de lovende beoordeling bij de subsidieverlening in 2004, is gebaseerd. Iedere indicatie daarvoor, bijvoorbeeld door een verwijzing naar stukken of naar andere bronnen, ontbreekt echter in het advies, zodat de adviescommissie dat oordeel niet inzichtelijk heeft gemaakt.

3.8. Het advies ontbeert dan ook naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijke motivering, zodat verweerder dit advies niet zonder meer aan haar beslissing ten grondslag heeft mogen leggen. De door eiseres aangevoerde gronden op dit punt slagen.

3.9. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd behoeft thans geen bespreking meer.

3.10. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij onderkent dat de adviescommissie ook een negatieve beoordeling heeft gegeven van het door eiseres ingediende beleidsplan, hetgeen tot zekere hoogte ook door eiseres is erkend en door haar is geweten aan de ziekte van haar artistiek leider [naam 1]. De rechtbank kan zich echter voorstellen dat een mogelijk andere beoordeling van het aspect van de ontwikkeling van de artistieke kwaliteit kan leiden tot een andere uitkomst van het eindoordeel, gezien het feit dat er een integrale beoordeling van alle aspecten binnen het criterium kwaliteit plaatsvindt.

3.11. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten die eiseres in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op in totaal € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter terechtzitting). De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ter hoogte van € 285,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 285,-(zegge: tweehonderd vijfentachtig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.E. Mildner, voorzitter,

mrs. J.P. Smit en Th. van der Windt, leden,

in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2010.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB