Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL9514

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2010
Datum publicatie
30-03-2010
Zaaknummer
AWB 10/689 BELEI, AWB 10/690 BELEI en AWB 10/691 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Mediazaken, voorlopige voorziening. De minister van OCW heeft geweigerd om aan verzoekster definitieve erkenning als omroepvereniging te verlenen. Vastgestelde budgetten zijn op deze weigering gebaseerd. Verzoekster verwacht problemen met de op handen zijnde zendtijdverdeling. Verzoekster heeft zendtijd en budget tot 1 september 2010 en beslissing op bezwaar zal uiterlijk eind mei genomen worden, onvoldoende spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10/689 BELEI, AWB 10/690 BELEI en AWB 10/691 BELEI

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op

26 maart 2010 in de zaken tussen

de Vereniging LLink,

gevestigd te Hilversum,

verzoekster,

gemachtigde mr. A.H. Gaastra

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW),

verweerder in de procedures met zaaknummers AWB 10/689 BELEI en AWB 10/690 BELEI (verweerder I),

gemachtigde mr. A.J. Boorsma,

en

de raad van bestuur van de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO),

verweerder in de procedure met zaaknummer AWB 10/691 BELEI (verweerder II),

gemachtigde mr. P.M. Waszink.

In procedure met zaaknummer AWB 10/690 BELEI heeft verweerder II als partij aan het geding deelgenomen (artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)).

Zitting hebben:

mr. H.P. Kijlstra, als voorzieningenrechter

mr. V. Heijman, als griffier

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1.1. Bij besluit van 18 december 2009 (hierna: het bestreden besluit 1) heeft verweerder I de aanvraag van verzoekster om definitieve erkenning na 1 september 2010 als omroepvereniging voor het verzorgen van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst afgewezen.

1.2. Bij besluit van 28 januari 2010 (hierna: het bestreden besluit 2) heeft verweerder I het budget van de Landelijke publieke mediadiensten voor 2010 vastgesteld op

€ 788.967.770.

1.3. Bij besluit van 1 februari 2010 (hierna: het bestreden besluit 3) heeft verweerder II het budget voor 2010 voor verzoekster voorlopig vastgesteld op € 3.465.670. Gelet op het bestreden besluit 1 heeft dit budget enkel betrekking op de periode januari tot en met augustus 2010.

2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

3.1. Verzoekster heeft aanvankelijk gevraagd om schorsing van alle drie bestreden besluiten. De rechter stelt vast dat het geschil feitelijk draait om het bestreden besluit 1 (weigering definitieve erkenning als omroep). Dit blijkt ook uit de wijziging van het verzoek ten aanzien van dit besluit door verzoekster ter zitting. Verzoekster heeft ter zitting verzocht om te bepalen dat zij bij de op handen zijnde verdeling van de zendtijd wordt aangemerkt als ware zij met ingang van 1 september 2010 in het bezit van een definitieve erkenning als omroepvereniging.

3.2. Voor zover de verzoeken tot het schorsen van de vastgestelde budgetten (bestreden besluiten 2 en 3) nog aan de orde zijn, is de rechter van oordeel dat niet gebleken is dat deze schorsing zinvol is voor verzoekster. De rechter wijst deze verzoeken dan ook af.

3.3. Bij de beoordeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het bestreden besluit 1 neemt de rechter als uitgangspunt dat verzoekster tot 1 september 2010 over budget en zendtijd beschikt. Daarnaast heeft verweerder I ter zitting toegezegd dat hij uiterlijk eind mei 2010 een beslissing zal nemen op de bezwaren van verzoekster tegen het bestreden besluit 1. Verder is niet gebleken dat verzoekster niet alsnog kan worden betrokken bij de verdeling van de zendtijd na 1 september 2010 indien verzoekster bij de beslissing op haar bezwaren alsnog een definitieve erkenning krijgt. De rechter weegt bij de beoordeling ook de voorkeur van verweerder II mee, om verzoekster niet nu al in de verdeling van de zendtijd na 1 september 2010 te betrekken, maar dit achteraf alsnog te doen als dit noodzakelijk blijkt. Verweerder II geeft aan deze aanpak de voorkeur boven een aanpak waarin verzoekster nu al in de verdeling wordt betrokken en deze verdeling moet worden aangepast indien de afwijzing van de aanvraag om definitieve erkenning bij de beslissing op haar bezwaren wordt gehandhaafd.

3.4. Gelet op het voorgaande is de rechter van oordeel dat verzoekster, mede gelet op alle andere bij het bestreden besluit 1 betrokken belangen, onvoldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. De rechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

4. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

de griffier de voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

D: B

SB