Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL9353

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
13/846003-08, 13/846006-08, 13/846004-08, 13/846003-06 en 13/994066-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluitenlijst van 16 maart 2010 inzake BROOM II.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BROOM II

Beslissingen van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaken tegen [verdachte 1] (13/846003-08), Amsterdam Port Services B.V. (13/846006-08), [verdachte 2] (13/846004-08), Trafigura Beheer B.V. (13/846003-06) en [verdachte 3] (13/994066-07), ambtshalve genomen naar aanleiding van de regiezitting van 10 maart 2010 en/of naar aanleiding van vorderingen van de officier van justitie en/of verzoeken door de verdediging gedaan op die zitting en uitgesproken op de terechtzitting van 16 maart 2010. De beslissingen worden genomen in alle bovengenoemde zaken vanwege de verwevenheid ervan met elkaar, tenzij anders staat vermeld.

1. De vordering van de officier van justitie tot het toevoegen van stukken aan het dossier

De officieren van justitie hebben bij brief van 5 maart 2010 aangekondigd bij gelegenheid van de regiezitting van 10 maart 2010 te vorderen de volgende stukken aan het dossier toe te voegen. Ter terechtzitting van 10 maart 2010 is deze vordering gedaan en - zoals hieronder zakelijk en cursief weergegeven - toegelicht.

1. Brief van mr. L. Zegveld aan mr. L.W. Boogert d.d. 2 november 2009 met betrekking tot de authenticiteit van e-mailberichten gevoegd bij het beklag van Greenpeace, met als bijlagen de betrokken e-mailberichten. Deze e-mailberichten zijn tevens te vinden op [website].

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de vorige regiezitting van Greenpeace een brief ontvangen waarin aangegeven wordt op welke wijze Greenpeace in het bezit is gekomen van de e-mailberichten die door Greenpeace in samenwerking met the Guardian, de Volkskrant, de Noorse omroeporganisatie NRK en de BBC naar buiten zijn gebracht en tevens als bijlage zijn gevoegd in het artikel 12 Sv-klaagschrift.

In het bijzonder de bijlagen met de nrs. 28, 36, 37 en 40 zijn hierbij van belang aangezien deze nog niet zijn opgenomen in het procesdossier. De overige bijlagen maken reeds deel uit van het procesdossier.

De e-mailberichten zijn naar de mening van het Openbaar Ministerie relevant voor de beoordeling van de aan Trafigura Beheer B.V., [verdachte 1] en [verdachte 2] ten laste gelegde feiten. De berichten geven informatie over de herkomst van de slops en wijze waarop Trafigura met die slops is omgegaan.

28: e-mail tussen [persoon 1] en [persoon 2], Probo Koala slops, 24/25 augustus 2006: afgifte slops in Ivoorkust, ‘betaalde prijs’ in Ivoorkust;

36: e-mail tussen [verdachte 1] en White consultant Group, fax to tankmed, 23 maart 2006: stank in La Skhirra;

37: e-mail tussen [verdachte 1] en [persoon 3], La Skhirra, 24 maart 2006: stank in La Skhirra, noxious oudours, verwijzing naar waarschijnlijk “Odour investigation” genoemd onder 2;

40: e-mail tussen [persoon 4] en [verdachte 1], More high sulfur from PMI, 28 december 2005: interne bespreking Trafigura over uitvoering loogwassingen en hoe zich te ontdoen van de afvalstoffen die daarbij ontstaan.

2. Document “Odour investigation – La Skhirra” (zie [website])

3. E-mailbericht van [persoon 5] aan [persoon 6] en [persoon 7] (cc [persoon 4], [verdachte 1], Chartering-Tankers) d.d. 13 maart 2006 om 12.33 uur, onderwerp “Re: Caustic washing requirements (zie [website])

Op de site van Norsk Rikskringkasting (NRK), de nationale omroep van Noorwegen, zijn naast de onder 1 door Greenpeace ingebrachte e-mailberichten nog twee stukken aangetroffen die gerelateerd zijn aan die

e-mailberichten en naar het oordeel van het Openbaar Ministerie relevant zijn bij de beoordeling van de tenlastegelegde feiten.

2: Odour investigation report: stankproblemen rond loogwassing in La Skhirra.

3: e-mail [persoon 5] aan [persoon 6] en [persoon 7], caustic washing requirements, 13 maart 2006: interne discussie Trafigura over mogelijkheid loogwassingen aan boord zeeschip.

4. Rapport van Minton, Treharne & Davies d.d. 14 september 2006 (zie www.guardian.co.uk).

Het rapport dat op internet te vinden is, dient eveneens bij de stukken te worden gevoegd. Het rapport is relevant aangezien daarin de chemische samenstelling, de giftigheid, de correcte wijze waarop men zich van de slops kan ontdoen en de mogelijke effecten daarvan op milieu en gezondheid worden besproken.

5. Verklaring van [persoon 1], Trafigura Beheer B.V. “Réponses au questionnaire de la commission d’enquête pour les Déchets Toxiques dans le District d’Abidjan, zonder datum (afkomstig van Greenpeace)

Het betreft een verklaring van [persoon 1] voor een Ivoriaanse onderzoekscommissie. In deze verklaring wordt gesproken over de gang van zaken rond de Probo Koala vanaf het verblijf van het schip in de Middellandse zee tot aan de afgifte in Ivoorkust. Deze verklaring was eveneens opgenomen als bijlage bij het klaagschrift van Greenpeace.

6. Document “Fourth Witness Statement of Martyn Jeremy Day”, High Court of Justice, Queen’s Bench Division, London, d.d. 20 oktober 2008, paragrafen 14-64 (afkomstig van Greenpeace).

In deze verklaring geeft Martyn Day, advocaat voor de Ivoriaanse slachtoffers in de procedure in Engeland, op basis van zijn onderzoek een overzicht van de gebeurtenissen te beginnen bij de aanschaf van de Mexicaanse nafta tot aan de afgifte in Abidjan. Dit document is eveneens als bijlage bij het klaagschrift van Greenpeace opgenomen.

7. Transcript van zitting d.d. 23 september 2009 ten overstaan van Judge Macduff in High Court of Justice, Queen’s Bench Division, London (afkomstig van Leigh & Day).

Op de vorige regiezitting zijn aan het dossier toegevoegd de persverklaringen van Trafigura van 16, 19 en 23 september 2009. Tevens is toen toegevoegd de door Trafigura op 30 september in een aantal dagbladen in Nederland geplaatste advertentie, waarin Trafigura de stelling publiek maakt dat het scheepsafval geen dodelijk of ander ernstig letsel kon veroorzaken, hoogstens griepachtige symptomen. Deze stelling is relevant bij de beoordeling van de thans voorliggende feiten. Het Openbaar Ministerie vordert dat het transcript van de zitting waarnaar in die advertentie wordt verwezen eveneens bij de stukken wordt gevoegd.

8. Persbericht van Trafigura d.d. 16 oktober 2009 “Eight key fact about the draft Minton report” met als bijlagen “Press Release” van [C] d.d. 16 oktober 2009 “Trafigura Limited and Trafigura Beheer B.V.” en “Public Statement, Minton, Treharne & Davies Draft report, September 2006” van Minton, Treharne & Davies, zonder datum (zie www.Trafigura.com).

9. Publicatie in Guardian d.d. 16 oktober 2009 over Minton-Rapport (zie www.guardian.co.uk).

De onder 8 en 9 genoemde stukken zijn weer reacties op het publiek worden van een in opdracht van Trafigura opgemaakt concept-rapport van Minton, Treharne en Davies.

In de publiciteit is over de mogelijke schadelijke effecten van de afvalstoffen meer te doen geweest. Op de vorige regiezitting is daarom voeging gevorderd van de stukken 8 en 9, te weten persverklaringen van Trafigura d.d.

16 oktober 2009 met bijlagen en een publicatie uit de Guardian van 16 oktober 2009. Op deze vordering is toen door uw rechtbank niet beslist. Het Openbaar Ministerie vordert alsnog voeging van deze stukken. Zij zijn relevant voor de beoordeling van de aan Trafigura Beheer B.V, [verdachte 1] en [verdachte 2] ten laste gelegde feiten.

10. NFI-verklaring d.d. 28 januari 2010 inzake Minton-rapport.

In de persverklaring van Trafigura van 16 oktober 2009, nr. 8, wordt het bekend worden van de resultaten van de door het NFI uitgevoerde analyses als reden opgevoerd voor het niet definitief maken van het concept Minton-rapport. Het Openbaar Ministerie heeft hierop een reactie gevraagd van het NFI.

Ter terechtzitting heeft het Openbaar Ministerie voorts gevorderd dat de volgende stukken bij het dossier worden gevoegd.

11. Het verhoor van [verdachte 3] als verdachte van 8 december 2009 bij de rechter-commissaris.

12. De vijfde en zesde aanvulling op het dossier.

2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging van Trafigura Beheer B.V. (en in haar kielzog de verdediging van de andere verdachten) heeft bezwaar gemaakt tegen voeging van de hierboven genoemde stukken met uitzondering van de stukken genoemd onder de nrs. 7 en 12.

2.1. Ten aanzien van de brief van mr. L. Zegveld (nr. 1) heeft de verdediging aangevoerd dat die brief betrekking heeft op het klaagschrift ex artikel 12 Sv van Greenpeace dat de rechtbank heeft geweigerd toe te voegen aan de stukken. De inhoud van de brief heeft derhalve betrekking op de stukken die geen deel uitmaken van de processtukken.

2.2. Ten aanzien van het onder 2 genoemde stuk (“Odour investigation – La Skhirra”) heeft de verdediging opgemerkt dat de status, de herkomst en daarmee de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van dat stuk volledig onbekend zijn.

2.3. Ten aanzien van het onder 3 genoemde e-mailbericht (van [persoon 5] aan [persoon 6] en [persoon 7]) heeft de verdediging aangevoerd dat de authenticiteit van dit stuk, dat klaarblijkelijk beschikbaar is op een internetsite, de verdediging onbekend is evenals de wijze waarop het is verkregen. Hiermee staan de rechtmatigheid, authenticiteit en betrouwbaarheid ter discussie.

2.4. Ten aanzien van het onder 4 genoemde stuk ( het “Minton-rapport”) heeft de verdediging het volgende aangevoerd. Het stuk is in opdracht van [persoon 9], een Engelse sollicitor, die in september 2006 druk doende was Trafigura Beheer B.V. van rechtsbijstand te voorzien, opgemaakt. Daarmee staat vast dat het stuk valt onder het verschoningsrecht van de advocaat in kwestie. Gezien het beschermde karakter van het stuk en het verschoningsrecht dat erover geldend kan worden gemaakt, verzet de verdediging zich tegen voeging van dit stuk aan het dossier.

2.5. Ten aanzien van het onder 5 genoemde stuk (verklaring van [persoon 1]) heeft de verdediging naar voren gebracht dat de status, herkomst en wijze van verkrijging de verdediging onbekend zijn evenals de vragen die [persoon 1] zouden zijn voorgelegd.

2.6. Ten aanzien van het onder 6 genoemde stuk (Fourth Witness Statement of Martyn Jeremy Day) heeft de verdediging aangevoerd dat het een stuk betreft dat afkomstig uit de Personal Injury-procedure tussen Trafigura en “Class” en dat het betrekking heeft op de schade die inwoners van Ivoorkust stelden te hebben geleden als gevolg van dumping van de slops in Abidjan. De stukken hebben dus primair betrekking op een feitencomplex dat niet aan de orde is: de gebeurtenissen in Ivoorkust. Het betreft een partijstandpunt dat is ingenomen door een advocaat voor de civiele wederpartij van Trafigura. Het bevat geen feiten en/of omstandigheden die door Day zelf zijn waargenomen. Mocht het stuk worden toegevoegd dan moet de verdediging in overweging nemen het gehele civiele procesdossier uit het Verenigd Koninkrijk in te brengen, opdat een evenwichtig beeld is gewaarborgd.

2.7. Ten aanzien van het onder 7 genoemde stuk (transcript van zitting d.d. 23 september 2009 ten overstaan van Judge Macduff) heeft de verdediging te berde gebracht dat zij toevoeging van dit stuk aan het dossier toejuicht - kort gezegd - omdat zij het ziet als een opmaat voor publieke boetedoening door het Openbaar Ministerie.

2.8 Ten aanzien van de stukken genoemd onder 8, 9 en 10 heeft de verdediging ter zitting van 10 maart 2010 opgemerkt dat deze, evenals het onder 4 genoemde “Minton-rapport”, niet aan het dossier toegevoegd kunnen worden. Indien het “Minton-rapport” toch wordt toegevoegd, staat de verdediging toevoeging van de hierboven genoemde stukken voor, omdat het persbericht de inhoud van de onjuiste opvolgende berichtgeving nuanceert, hetzelfde geldt voor de publicatie in de Guardian en het NFI-rapport dat reflecteert op de inhoud van het rapport.

2.9. Ten slotte heeft de verdediging te kennen gegeven dat mocht de rechtbank het Openbaar Ministerie toestaan de NFI-verklaring (nr. 10) aan de stukken toe te voegen, zij verzoekt de opsteller van die verklaring, [persoon 10] van het NFI, als deskundige te horen naar aanleiding van die verklaring.

2.10 De verdediging heeft ten slotte ten aanzien van het voegen van de verklaring van [verdachte 3] (nr 11) het volgende naar voren gebracht. De verdediging van [verdachte 3] heeft aangegeven dat in het geval hij als getuige zal worden gehoord, hij zich op zijn verschoningsrecht zal beroepen. Na consultatie heeft de rechter-commissaris besloten hem alleen als verdachte in zijn eigen zaak te horen. Het Openbaar Ministerie verpakt de verklaring thans anders en vordert deze verklaring in de vorm van een 344 Sv-stuk te voegen. Materieel wordt evenwel een getuigenverklaring toegevoegd zonder dat de verdediging de mogelijkheid heeft gehad de getuige te ondervragen en zijn verklaring te toetsen op betrouwbaarheid. Deze handelwijze is niet toegestaan. De verklaring behoort te blijven in de setting en de hoedanigheid waarin hij is afgelegd, in de zaak tegen [verdachte 3].

2.11.Mocht zijn verklaring desondanks aan het dossier worden toegevoegd, dan wenst de verdediging hem ter zitting als getuige te horen.

2.12. Tegen toevoeging aan het dossier van de 5e en 6e aanvulling heeft de verdediging geen bezwaar.

3. De beslissing van de rechtbank

3.1. De stukken

3.1.1. Ten aanzien van de brief van mr. L. Zegveld met als bijlagen een aantal e-mailberichten.

In het dossier bevindt zich een aantal e-mails. De officier van justitie vordert nu toevoeging van nog een aantal e-mails waarvan die in de bijlage genoemd onder de nummers 36, 37 en 40 gelet op de datum ervan niet kunnen zien op de gebeurtenissen in Ivoorkust. Deze e-mails zouden – gelet op de omschrijving ervan – relevant kunnen zijn voor enig te nemen beslissing. Dit geldt echter niet voor de e-mail tussen [persoon 1] en [persoon 2] (in de bijlage met nummer 28). Deze e-mail ziet op de afgifte van de slops in Ivoorkust. In overeenstemming met de eerder door de rechtbank gevaren koers dat de gebeurtenissen in Ivoorkust niet direct binnen het bestek van deze strafzaak vallen, kan deze e-mail niet relevant zijn voor enig te nemen beslissing en mag daarom niet aan het dossier worden toegevoegd.

De eerder genoemde brief van mr. L. Zegveld heeft betrekking op e-mails die zich reeds in het dossier bevinden, alsmede op de hiervoor genoemde e-mails die naar het oordeel van de rechtbank aan het dossier moeten worden toegevoegd. De brief kan daarom ook als relevant voor deze zaak worden beschouwd en moet worden toegevoegd aan het dossier.

3.1.2. Ten aanzien van het document “Odour investigation – La Skhirra” (nummer 2) en het e-mailbericht van [persoon 5] aan [persoon 6] en [persoon 7] d.d. 13 maart 2006 om 12.33 uur, onderwerp “Re: Caustic washing requirements (nummer 3).

Hetgeen geldt ten aanzien van de nog niet aan het dossier toegevoegde

e-mailberichten zoals genoemd onder 1, geldt ook ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde documenten. Hoe deze stukken moeten worden gewaardeerd, is een vraag die tijdens en na de inhoudelijke behandeling aan de orde komt. De rechtbank is van oordeel dat ook de onder 2 en 3 genoemde documenten aan het dossier dienen te worden toegevoegd.

3.1.3. Verklaring van [persoon 1], Trafigura Beheer B.V. “Réponses au questionnaire de la commission d’enquête pour les Déchets Toxiques dans le District d’Abidjan, zonder datum (afkomstig van Greenpeace).

De verklaring van [persoon 1] over de gang van zaken rond de Probo Koala vanaf het verblijf van het schip in de Middellandse zee tot aan de afgifte in Ivoorkust kan van belang of relevant zijn voor enig te nemen beslissing in deze zaak. De rechtbank beveelt toevoeging aan het dossier van dit document. Hoe deze verklaring moet worden gewaardeerd, is een vraag die tijdens en na de inhoudelijke behandeling aan de orde komt.

3.1.4. Document “Fourth Witness Statement of Martyn Jeremy Day”, High Court of Justice, Queen’s Bench Division, London, d.d. 20 oktober 2008, paragrafen 14-64 (afkomstig van Greenpeace).

Uit de toelichting van de officier van justitie komt naar voren dat het document een door Martyn Day gegeven overzicht bevat van de gebeurtenissen te beginnen bij de aanschaf van de Mexicaanse nafta tot aan de afgifte in Abidjan. De rechtbank heeft al eerder overwogen dat de gebeurtenissen in Ivoorkust in beginsel buiten het bestek van deze zaak vallen en dat stukken die daarop zien dan ook niet relevant zijn voor de onderhavige zaak, dat geldt niet ten aanzien van hetgeen is voorgevallen vóór wat de verdachten wordt verweten. Echter nu redelijkerwijs kan worden uitgesloten dat de verklaring van M.J. Day mededelingen van hem bevat omtrent feiten of omstandigheden ten aanzien van de gebeurtenissen waarvan een overzicht wordt gegeven, die hij zelf heeft waargenomen of heeft ondervonden, voldoet deze ‘(getuigen)verklaring’ niet aan de eisen zoals gesteld door het Wetboek van Strafvordering. Aangezien de verklaring evenmin kan worden aangemerkt als een deskundigenverklaring, staat de rechtbank niet toe dat dit document aan het dossier wordt toegevoegd.

3.1.5. Ten aanzien de stukken genoemd onder 4, 8, 9 en 10 (het “Minton-rapport” en aanverwante stukken).

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 28 oktober 2009 het “Minton-rapport” aan de rechtbank overgelegd en gevorderd dat dit rapport aan het dossier wordt toegevoegd. Aan dit rapport waren de volgende documenten gehecht: “Eight key facts about Minton report” van 16 oktober 2009, “Press Release” van [C] van 16 oktober 2009 en een publicatie van [persoon 11] met als onderwerp “Minton report: [C] give up bid to keep Trafigura study secret” (gurardian.co.uk).

De verdediging van Trafigura Beheer B.V. heeft hierop tijdens voornoemde zitting verklaard dat Trafigura Beheer B.V. het rapport inmiddels met een toelichting daarbij openbaar heeft gemaakt en dat zij daarom geen bezwaar heeft tegen het voegen in het dossier van het rapport met de daarbij behorende toelichting.

De rechtbank heeft reeds ter zitting van 28 oktober 2009 beslist - in aanmerking genomen dat de verdediging van Trafigura te kennen had gegeven daar geen bezwaar tegen te hebben - dat het “Minton-rapport” aan de stukken moest worden toegevoegd, zoals ook in het proces-verbaal van die zitting staat vermeld, en is er daarbij vanuit gegaan, zonder dat overigens expliciet te vermelden, dat (daarmee) de aangehechte stukken, waarin onder meer de visie van Trafigura Beheer B.V. op het rapport naar voren komt en die kennelijk voor de verdediging aanleiding vormden zich niet te verzetten tegen voegen van het rapport aan de stukken, ook aan het dossier werden toegevoegd.

In hetgeen de verdediging ter zitting van 10 maart 2010 heeft aangevoerd, kort gezegd, voeging zou achterwege moeten blijven omdat anders het verschoningsrecht dat erop rust zou worden geschonden, ziet de rechtbank geen aanleiding haar eerdere beslissing het rapport aan de stukken toe te voegen te heroverwegen.

3.1.6. De NFI-verklaring

De rechtbank voegt de NFI-verklaring (nr 10) toe aan het dossier en wijst het verzoek van de verdediging om de opsteller van deze verklaring, [persoon 10], te horen toe. De rechtbank beslist dat [persoon 10] op enig moment kan worden gehoord in het bijzijn van de verdediging, zo mogelijk bij de rechter-commissaris en anders ter terechtzitting.

3.1.7. De verklaring van [verdachte 3]

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van een medeverdachte aan het dossier van een verdachte kan worden toegevoegd als deze relevant kan zijn voor enig te nemen beslissing. De enkele omstandigheid dat de medeverdachte als hij als getuige zou worden gehoord zich op zijn verschoningsrecht zal beroepen, maakt niet dat die verklaring a priori niet aan het dossier mag worden toegevoegd. Een andere vraag is of, als die medeverdachte zich op zijn verschoningsrecht blijft beroepen wanneer hij als getuige wordt gehoord, de verklaring die hij als verdachte heeft afgelegd, zonder meer voor het bewijs mag worden gebruikt. De rechtbank ziet het belang van de verdediging om de mogelijkheid te hebben de getuige te ondervragen. Zij wijst het verzoek om [verdachte 3] ter terechtzitting te horen toe. Dit geldt echter slechts in de zaken tegen de verdachten Trafigura Beheer B.V., [verdachte 1] en [verdachte 2]. Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte 3] als verdachte van 8 december 2009 wordt toegevoegd aan het dossier van de hiervoor genoemde verdachten.

3.2. Samenvatting

De rechtbank staat de officier van justitie toe op grond van hetgeen zij hiervoor heeft overwogen de stukken genoemd onder de nummers 1 - dit betreft de brief van mr. Zegveld en de in de bijlagen genoemde e-mails onder de nummers 36, 37 en 40 -, 2, 3, 5, 7, 10, 11 en 12 aan het dossier toe te voegen en gelast de officier van justitie deze stukken aan de rechtbank en de verdediging over te leggen.

De vordering tot toevoeging aan het dossier van de onder nummer 1 genoemde e-mail tussen [persoon 1] en [persoon 2] (nummer 28 van de bijlage) en de onder 6 genoemde “Fourth Witness Statement of Martyn Jeremy Day” wijst de rechtbank af.

De stukken genoemd onder nummer 4, het “Minton-rapport” en de (aanverwante stukken genoemd onder de) nummers 8 en 9, zijn reeds bij beslissing van 6 november 2009 aan het dossier toegevoegd. De rechtbank ziet thans geen reden haar beslissing van toen te heroverwegen.

Voorts gelast de rechtbank het verhoor van [persoon 10] door de rechter-commissaris en het verhoor van [verdachte 3] ter terechtzitting in de zaken tegen de verdachten Trafigura Beheer B.V., [verdachte 1] en [verdachte 2].

4. Praktische gang van zaken

4.1. De verdediging van Trafigura heeft in haar brief van 9 maart 2010 een scenario geschetst dat het volgende inhoudt. De inhoudelijke behandeling van de feiten zou in de eerste twee weken van juni kunnen plaatsvinden. Op 10 juni 2010 zou de inhoudelijke behandeling dan kunnen worden afgesloten.

4.2. Het Openbaar Ministerie zou dan op woensdag 16 juni 2010 de rechtbank kunnen voorzien van een schriftelijk requisitoir. De verdediging zou op maandag

21 juni 2010 de rechtbank haar schriftelijk (volledig) pleidooi kunnen overleggen. Het Openbaar Ministerie heeft in de zaken tegen Trafigura beheer B.V., [verdachte 1] en [verdachte 2] naar voren gebracht dat het voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling een schriftelijke ronde wil houden opdat duidelijk wordt waar het tijdens de inhoudelijke behandeling op aankomt. Echter omdat de verdediging nog met een aantal deskundigenrapporten zal komen waarop nog zal moeten worden gereageerd, zal de inhoudelijke behandeling pas in het najaar kunnen worden afgerond.

4.3. De rechtbank beslist dat het onderzoek ter terechtzitting in de maand juni 2010 op dinsdagen, woensdagen en donderdagen plaatsvindt. De zittingen op dinsdag en woensdag beginnen om 09.30 uur en de zittingen op donderdag om 09.00 uur. De rechtbank zal op een later tijdstip -maar wel tijdig- per brief een nader schema van behandeling uiteenzetten, alsook zich nader uitlaten over een aantal van belang zijnde praktische en logistieke zaken in de strafzaken.

5. Vertaling van stukken

De officier van justitie hebben in hun brief van 5 maart 2010 te kennen gegeven dat zij graag te zijner tijd zouden bespreken welke in het Frans of Engels gestelde stukken uit het procesdossier naar de mening van de rechtbank en de verdediging vertaling behoeven.

De rechtbank zal in dit opzicht handelen naar bevind van zaken en acht slaan op hetgeen daaromtrent door de verdediging en het Openbaar Ministerie aan de orde wordt gesteld.

6. Deskundigenrapporten

Zowel de verdediging van Trafigura Beheer B.V. als de verdediging van [verdachte 2] heeft aangekondigd dat nog een aantal deskundigenrapporten zal worden ingebracht.

De verdediging krijgt - aangezien het proces al bijna 2 jaar loopt en het Openbaar Ministerie de gelegenheid moet krijgen vóór de inhoudelijke behandeling op de ingebrachte rapporten te reageren - tot en met 7 april 2010 uiterlijk 17.00 uur de tijd om deskundigenrapporten in te brengen. In het zittingsschema zal een apart dagdeel worden gereserveerd voor de bespreking van de inhoud daarvan.

7. Verwijzing naar de rechter-commissaris

De rechtbank stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde haar werkzaamheden af te ronden, zo mogelijk ook [persoon 10] als deskundige te horen en voorts al datgene te verrichten wat zij in het belang van het onderzoek acht.

8. Schorsing van het onderzoek

Het onderzoek wordt geschorst tot de zitting van 1 juni 2010, 09.30 uur..

9. Oproepen verdachte

De rechtbank beveelt de oproeping van verdachte tegen 1 juni 2010 om 09.30 uur, met tijdige kennisgeving aan de verdediging van verdachte.

10. Oproepen tolk

De rechtbank beveelt de oproeping van een tolk in de Engelse taal voor de verdachte [verdachte 1] tegen voornoemde datum en voornoemd tijdstip.