Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL9335

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
1028849 / DX EXPL 09-106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vonnis Effectenlease-overeenkomst; artikel 1:88 BW; verjaring; en/of-rekening; vermoeden; tegenbewijs; waardering getuigenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 1028849 / DX EXPL 09-106

Vonnis van: 17 februari 2010

F.no.: 632

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

nader te noemen [eiseres],

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen Dexia,

gemachtigde: Swier & Van der Weijden Gerechtsdeurwaarders.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident van 19 augustus 2009, waarbij in de hoofdzaak een comparitie is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie tevens getuigenverhoor van 6 oktober 2009, met de daarin genoemde stukken;

- de conclusie na enquête, met één productie, van Dexia.

1.2. Daarna is vonnis bepaald op heden.

De rechter die de zaak ter comparitie heeft behandeld en ten overstaan van wie het getuigenverhoor heeft plaatsgevonden, is vanwege organisatorische redenen niet in staat om dit vonnis te wijzen en uit te spreken.

Gronden van de beslissing

2. De feiten

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

2.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., en van Legio Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2 Ten tijde van het aangaan van de hierna genoemde lease-overeenkomst was [eiseres] gehuwd met [persoon 1] (hierna: [persoon 1]).

2.3. [persoon 1] heeft de volgende lease-overeenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia (hierna: de lease-overeenkomst):

Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst Leasesom Looptijd Termijnbedrag

1. 90180556 17 november 2000 Beleggen met Bonus € 7.413,28 36 mnd. € 1.901,52 vooruitbetaling

2.4. In totaal heeft [persoon 1] op grond van de lease-overeenkomst € 1.901,52 aan termijnbetalingen aan Dexia betaald en heeft Dexia € 0,00 aan [persoon 1] uitgekeerd aan dividenden en/of andere uitkeringen.

2.5. Per 13 november 2003 heeft Dexia met betrekking tot de lease-overeenkomst een eindafrekening opgesteld volgens welke [persoon 1] nog € 2.932,08 verschuldigd was. Dit bedrag is door [persoon 1] op 5 december 2003 aan Dexia voldaan.

2.6. [eiseres] heeft [persoon 1] geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de lease-overeenkomst.

2.7. [persoon 1] heeft een zogenoemde “Overeenkomst Dexia Aanbod” (hierna: het

Dexia Aanbod) ondertekend. Deze overeenkomst bood [persoon 1] bepaalde mogelijkheden voor de wijze waarop een eventuele restschuld na het einde van de looptijd van de lease-overeenkomst kon worden voldaan.

2.8. Het Dexia Aanbod (waarin [persoon 1] als “Deelnemer” wordt aangeduid) luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Artikel 1 Algemene Bepalingen

[ ]

DA-Effectenlease-overeenkomst: Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst: de effectenlease-overeenkomst(en) tussen Deelnemer en Dexia waarvoor het Dexia Aanbod geldt [ ]

[ ]

NDA-Effectenlease-overeenkomst: Niet Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst: de (eventuele) effectenlease-overeenkomst(en) tussen Deelnemer en Dexia waarvoor de verruimde mogelijkheden van het Dexia Aanbod niet gelden [ ]

[ ]

Artikel 5 Verklaringen van Deelnemer en afstand van recht

Artkel 5.1 Verklaringen van Deelnemer

5.1.1. Deelnemer verklaart dat hij een eventueel door of namens hem tegen Dexia [ ] gerichte klacht die betrekking heeft op, of verband houdt met, die effectenlease-overeenkomst(en) intrekt of doet intrekken.

5.1.2. Deelnemer verklaart dat hij terzake van de DA-Effectenlease-overeenkomst(en) en/of de NDA-Effectenlease-overeenkomst(en) afstand doet van alle door of namens hem of te zijnen behoeve door derden jegens Dexia [ ] gepretendeerde rechten (met inbegrip van maar niet beperkt tot enig recht op schadevergoeding of vernietiging) uit hoofde van of verband houdende met die effectenlease-overeenkomst(en) [ ].

5.1.3. Deelnemer verklaart dat hij op geen enkele wijze een beroep zal doen op een eventueel in het kader van of samenhangende met een groepsactie in de zin van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek tegen Dexia en/of enige tussenpersoon te wijzen rechterlijke uitspraak die betrekking heeft op of verband houdt met effectenlease. [ ]

5.1.4. Deelnemer verklaart dat hij rechthebbende is ten aanzien van de in de artikelen 5.1.1, 5.1.2 en 5.1.3 bedoelde vorderingen en rechten en dat hij ook overigens alle bevoegdheden bezit die zijn vereist om bovengenoemde verklaringen effectief te kunnen afleggen.

[ ]”.

2.9. [eiseres] heeft het Dexia Aanbod niet ondertekend.

2.10. Bij brief van 13 oktober 2005 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [eiseres] met een beroep op artikel 1:89 BW de lease-overeenkomst vernietigd.

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat de lease-overeenkomst door de vernietigingsbrief buitengerechtelijk is vernietigd, althans deze te vernietigen, en Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van de lease-overeenkomst is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling. Voorts vordert [eiseres] dat Dexia wordt gelast te bewerkstelligen dat de registratie van [persoon 1] bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom. Ten slotte vordert [eiseres] Dexia te veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten.

4. Standpunten [eiseres]

4.1. [eiseres] stelt, voor zover voor de beoordeling van belang, dat de lease-overeenkomst moet worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus haar toestemming behoefde ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat zij deze (schriftelijke) toestemming niet heeft verleend, heeft zij de lease-overeenkomst rechtsgeldig kunnen vernietigen.

5. Het verweer van Dexia

5.1. Dexia voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van [eiseres]. Zij stelt dat [eiseres] niet ontvankelijk is in haar vorderingen omdat [persoon 1] het Dexia Aanbod heeft aanvaard. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat de lease-overeenkomst niet kan worden aangemerkt als huurkoop bij gebrek aan aflevering van de aandelen. Dexia stelt dat artikel 1:88 BW dientengevolge niet op deze overeenkomst van toepassing is zodat van vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 1:89 BW geen sprake is. Voor zover artikel 1:88 BW wel van toepassing is op de lease-overeenkomst, stelt Dexia dat dit vernietigingsberoep is verjaard.

6. De beoordeling

Dexia Aanbod

6.1. Zoals hiervoor is vastgesteld, is het Dexia Aanbod door [persoon 1] ondertekend, maar niet door [eiseres]. Door de ondertekening van deze overeenkomst heeft [persoon 1] weliswaar afstand gedaan van zijn rechten, maar niet van de rechten van [eiseres]. Het recht om de lease-overeenkomsten op grond van artikel 1:89 BW te vernietigen, komt immers alleen de niet-handelende echtgenoot toe, zodat de handelende echtgenoot van dat recht geen afstand kan doen. Bovendien verzet ook de aard van artikel 1:88 BW zich ertegen dat de handelende echtgenoot door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met betrekking tot een overeenkomst waarop artikel 1:88 BW betrekking heeft, het beroep op de vernietigbaarheid van die overeenkomst op grond van artikel 1:89 BW van de andere echtgenoot onmogelijk maakt. Hiermee zou immers de aan artikel 1:88 BW ten grondslag liggende beschermingsgedachte worden ondergraven. [eiseres] is derhalve ontvankelijk in haar vorderingen.

Huurkoop; bevoegdheid en artikel 1:88/1:89 BW

6.2. Dexia heeft aangevoerd dat geen sprake is van aflevering van de aandelen aan [persoon 1] en derhalve niet van huurkoop. Zoals Dexia terecht opmerkt, moet in een geval van levering van aandelen onder de opschortende voorwaarde dat volledige betaling heeft plaatsgevonden onder aflevering worden verstaan dat aan de wederpartij van Dexia het genot van de aandelen wordt verschaft. Daarvan is in ieder geval sprake indien [persoon 1] het volledige risico van de waardeontwikkeling van de effecten droeg en hij krachtens de lease-overeenkomst recht had op het uit de aandelen voortvloeiende dividend (zie Hoge Raad 28 maart 2008, LJN BC2837). Naar het oordeel van de kantonrechter is dit in de onderhavige situatie het geval.

6.3. Dat [persoon 1], zoals Dexia heeft aangevoerd, naast de maandelijkse termijnen een premie verschuldigd is en de dividenden in mindering worden gebracht op deze premie, maakt dit niet anders. Immers, in dat geval geniet [persoon 1] het aan het dividend verbonden voordeel door middel van vermindering van zijn betalingsverplichting. Derhalve is sprake van verkrijging van het genot van de aandelen en mitsdien van aflevering. Hieruit volgt dat ook in dit geval sprake is van huurkoop en dat de kantonrechter derhalve bevoegd is.

6.4. Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomst van toepassing is. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende de daar bedoelde toestemming voor de lease-overeenkomst ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, rov 2.12.3 en het genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). Hieruit volgt dat [eiseres] de bevoegdheid had om een beroep te doen op de vernietigbaarheid van de lease-overeenkomst wegens het ontbreken van de in artikel 1:88 lid 1 onder d BW bedoelde toestemming daarvoor.

6.5. Dexia beroept zich er op dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. De verjaringstermijn voor dit beroep is drie jaar en vangt aan op het moment dat de echtgenoot bekend wordt met het bestaan van de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en het gerechtshof te Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI4359). Van belang is derhalve wanneer [eiseres] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomsten.

6.6. Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring.

6.7. Ter onderbouwing van haar beroep op verjaring heeft Dexia allereerst aangevoerd dat er in de Nederlandse gezinsverhoudingen van uitgegaan mag worden dat de echtgenoot er steeds van op de hoogte is wanneer de partner investeringen als de onderhavige doet. Deze stelling is echter naar het oordeel van de kantonrechter in haar algemeenheid onvoldoende om bekendheid van [eiseres] met de beslissing van [persoon 1] tot het aangaan van de lease-overeenkomst aan te nemen. De kantonrechter verwijst in dit verband naar het eerdergenoemde arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 19 mei 2009.

6.8. Ook heeft Dexia aangevoerd dat betalingen van de op grond van de lease-overeenkomst verschuldigde bedragen hebben plaatsgevonden vanaf een en/of-rekening die op naam van [eiseres] en [persoon 1] stond. Daaruit volgt volgens Dexia dat de echtgenoot op de hoogte was van de lease-overeenkomst, met ingang van de (oudste) ontvangstdatum van de bankafschriften waarop die betalingen staan vermeld. Het beroep op vernietiging, bij brief van 13 oktober 2005, is dan ook te laat gedaan.

6.9. Ten slotte heeft Dexia aangevoerd dat [persoon 1] eerdere lease-overeenkomsten heeft afgesloten die met een positief resultaat zijn geëindigd welk resultaat eveneens op de en/of-rekening is gestort. Dexia acht het aannemelijk dat [persoon 1] met [eiseres] gesproken moet hebben over die overeenkomsten en over de in de onderhavige procedure betrokken overeenkomsten.

6.10. [eiseres] heeft hiertegen aangevoerd dat zij geen bemoeienis had met het beheer van de en/of-rekening en de financiële gang van zaken binnen de huishouding. [persoon 1] hield zich hiermee bezig. Evenmin heeft [eiseres] bankafschriften van de en/of-rekening onder ogen gekregen.

6.11. Ter comparitie heeft de kantonrechter reeds aangegeven dat het voorgaande het bewijsvermoeden wettigt dat [eiseres] door kennisname van één of meer bankafschriften kennis heeft gekregen van het bestaan van de lease-overeenkomst, zodat Dexia voorshands in het bewijs van haar stelling is geslaagd. Tegen dit bewijsvermoeden staat tegenbewijs door [eiseres] open. Zij heeft hiertoe twee getuigen doen horen, te weten haarzelf en [persoon 1].

6.12. [eiseres] heeft onder meer het volgende verklaard:

“In oktober 2003 heeft mijn man mij op de hoogte gesteld van het bestaan van de overeenkomst ‘Beleggen met Bonus’. Dat was omdat hij zag aankomen dat er een restschuld zou ontstaan. Hij vond dat hij mij dat moest vertellen. Ik verzorg de kinderen. De boodschappen betaal ik door middel van pinpasbetalingen. Ik kijk nooit op de rekeningafschriften of naar het saldo als ik pin.

(…)

Mijn man deed altijd de belastingaangifte. Ik tekende die en keek er verder niet in. Ik heb nooit op televisie programma’s over Dexia gezien. U vraagt mij wanneer ik bekend werd met de overeenkomst. Dat was in juni 2003. Ik weet dat nog zo goed omdat tussen het moment van vertellen en het sturen van de brief in 2005 precies twee jaar zat.

(…)

Ik heb nooit brieven of post gezien van Legio Lease of Labouchere. Als er post komt leg ik dat voor mijn man neer en hij handelt dat verder af.

(…)

U vraagt mij of ik op de hoogte ben van een winstuitkering van ongeveer € 1.600,00 uit een andere overeenkomst. Nee, ik weet daar niets van. Ik houd mij niet bezig met de financiën.

(…)”

6.13. [persoon 1] heeft onder meer het volgende verklaard:

“U vraagt mij wanneer ik mijn vrouw op de hoogte heb gesteld van de overeenkomst ‘Beleggen met Bonus’. Dat was in 2003. Ik zag dat het met die overeenkomst niet goed ging aflopen en dat ik een aanzienlijk bedrag moest betalen. Daar zat ik mee. Ik vond dat ik het haar moest vertellen.

(…)

Alle betalingen voor de huishouding gaan bij ons van die en/of-rekening. We hebben beiden een pasje van die rekening. Ten aanzien van de belastingaangiftes doe ik de voorbereidingen en met behulp van de FNV worden ze ingevuld. Mijn vrouw kijkt daar niet naar.

(…)

De winstuitkering uit de overeenkomst ‘Beleggen met korting’ van ongeveer € 1.900,00 is direct gebruikt voor de overeenkomst ‘Beleggen met Bonus’.

(…)

Ik weet niet meer wat er met de opbrengst van € 1.600,00 uit de ‘Winstverdriedubbelaar’ is gebeurd. U vraagt mij waarom ik mijn vrouw wel informeer over de restschuld uit de ‘Beleggen met Bonus’ maar niet over de drie vooruitbetalingen. Ik weet het niet meer. Ik heb haar in ieder geval niet over de vooruitbetalingen verteld.

(…)”

6.14. Gelet op hetgeen de getuigen hebben verklaard, is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] er in is geslaagd het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Uit de verklaringen, alleen en in onderlinge samenhang bezien, volgt dat [persoon 1] [eiseres] in 2003 op de hoogte heeft gesteld van de onderhavige lease-overeenkomst. Dat [eiseres] op het ene moment verklaart dat dit moment in oktober 2003 was gelegen en later dat het in juni 2003 was, acht de kantonrechter van onvoldoende belang om hieraan andere conclusies te verbinden nu beiden hebben verklaard dat [persoon 1] [eiseres] op de hoogte heeft gesteld van de overeenkomst toen het zich liet aanzien dat deze met een restschuld zou eindigen en vaststaat dat de overeenkomst op 13 november 2003 is geëindigd. Deze tegenstrijdigheid in de verklaring van [eiseres] vormt voor de kantonrechter ook geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid van de getuige te twijfelen, zoals Dexia heeft betoogd. Ook de overigens door Dexia aangevoerde omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat [eiseres] eerder van het bestaan van de lease-overeenkomst op de hoogte was nu deze omstandigheden slechts veronderstellingen behelzen die door de getuigen zijn weerlegd. Dexia is er dan ook niet in geslaagd te bewijzen dat [eiseres] eerder dan drie jaar voor 13 oktober 2005 op de hoogte was van het bestaan van de lease-overeenkomst. Er moet derhalve vanuit worden gegaan dat [eiseres] de lease-overeenkomst tijdig heeft vernietigd.

6.15. Nu de lease-overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd dienen alle betalingen van [persoon 1] aan Dexia op grond van de lease-overeenkomst te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen [persoon 1] op grond van die overeenkomst van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden. Op grond van artikel 1:89 lid 5 BW kan [eiseres] alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtshandelingen instellen, die [persoon 1] ook zou kunnen instellen. De vordering van [eiseres] dat alle betalingen voortvloeiende uit het aangaan van de lease-overeenkomst dienen te worden terugbetaald komt derhalve voor toewijzing in aanmerking.

6.16. Op grond van de lease-overeenkomst heeft [persoon 1] in totaal € 4.833,60 (termijnen (vooruitbetaling) en restschuld) aan Dexia betaald. Er zijn door Dexia geen dividenden of andere uitkeringen aan [persoon 1] betaald, zodat Dexia dit bedrag dient te restitueren.

Wettelijke rente

6.17. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim is geraakt. De kantonrechter is van oordeel dat Dexia uit de inhoud van de vernietigingsbrief moest opmaken dat zij reeds met die brief aansprakelijk werd gehouden voor de niet-nakoming van de uit de vernietiging voortvloeiende verbintenissen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid mocht [eiseres] er in elk geval na ommekomst van een termijn van vier weken van uitgaan dat Dexia niet voornemens was deze verbintenissen na te komen. Van [eiseres] hoefde dan ook niet te worden verwacht dat zij Dexia nogmaals zou aansporen tot betaling, zodat Dexia vanaf dat moment, zijnde 10 november 2005, in verzuim is geraakt. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf 10 november 2005 over het totaal van de voor die datum door [persoon 1] aan Dexia gedane betalingen, zijnde het gehele door [persoon 1] aan Dexia betaalde bedrag.

Verrekening

6.18. Volgens Dexia heeft [persoon 1] de garantie van artikel 5.1.4 van het Dexia Aanbod geschonden. In verband met de schending van deze garantie zou Dexia een vordering tot schadevergoeding op [persoon 1] hebben, waarvan de omvang noodzakelijkerwijs gelijk is aan het bedrag dat [eiseres] in verband met de vernietiging zou worden toegewezen. Dexia heeft zich in dit verband beroepen op verrekening van deze vordering op [persoon 1] met de vordering die [eiseres] op Dexia heeft.

6.19. De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt. Zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, valt niet in te zien dat Dexia een tegenvordering op [persoon 1] zou hebben welke voor verrekening in aanmerking komt. Immers, onduidelijk is welke in artikel 5.1.4. van het Dexia Aanbod opgenomen garantie door [persoon 1] zou zijn geschonden, nu noch door, noch namens hem een vordering is ingesteld.

BKR-registratie

6.20. Nu Dexia onweersproken heeft gesteld dat er ten aanzien van de lease-overeenkomst geen registratie (meer) bestaat, wordt de vordering met betrekking tot de BKR-registratie afgewezen wegens gebrek aan belang.

Overige stellingen

6.21. De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling meer.

Proceskosten

6.22. Gelet op de uitslag van de procedure dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding. Wat betreft de aangehouden beslissing op de kosten van het incident, zal daarvoor een punt van het toepasselijke tarief worden gerekend.

Buitengerechtelijke kosten

6.23. Voor zover [eiseres] buitengerechtelijke kosten vordert worden deze afgewezen nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van processtukken en instructie van de zaak. Voor zover [eiseres] vergoeding vordert van kosten voor het bij derden opvragen van bescheiden behoren deze tot de in artikel 241 Rv bedoelde kosten, en derhalve tot de proceskosten.

Uitvoerbaar bij voorraad

6.24. Er is bij afweging van de belangen van beide partijen bij de onderhavige uitspraak onvoldoende aanleiding het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Beslissing

De kantonrechter:

I. verklaart voor recht dat de lease-overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd;

II. veroordeelt Dexia tot terugbetaling van € 4.833,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, vanaf 10 november 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen, inclusief de kosten van het incident, tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht € 208,00

- voor salaris van gemachtigde (3 ½ pnt. x € 200,00) € 700,00

totaal: € 908,00

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;

IV. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter