Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL9133

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
13-52006409
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie gedurende langere tijd heeft toegestaan dat door het Duitse ZKA op het Nederlands grondgebied gebruik werd gemaakt van de inzet van een criminele burgerinfiltrant, zonder dat aan de daarvoor in Nederland geldende wettelijke waarborgen was voldaan. De rechtbank is van oordeel dat ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dit leidt ertoe dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/520064-09

Datum uitspraak: 4 maart 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

wonende op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

18 december 2009 en 4 maart 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van het standpunt van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting van 4 maart 2010 is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft in het door de raadsman van verdachte [persoon 1] gevoerde preliminaire verweer aanleiding gezien in de onderhavige zaak ambtshalve de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te beoordelen.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie stelt zich desgevraagd door de rechtbank op het standpunt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. [persoon 1] is sinds begin 2008 werkzaam als informant voor de Duitse douanerecherche, te weten het Zoll Kriminal Ambt (ZKA) en heeft aan de Duitse douane informatie verschaft over cocaïne transporten.

Vanaf april 2008 bleek uit onderzoek dat [persoon 1] actief deelnam aan de voorbereiding van een cocaïne transsport van Zuid-Amerika naar Hamburg, waarbij gebruik gemaakt zou worden van een corrupte Duitse douanier genaamd [persoon 2]. Deze [persoon 2] bleek tevens aanwezig te zijn bij een bespreking tussen de Nederlandse politie en de Duitse douane over de raakvlakken tussen de in beide landen lopende onderzoeken. Naar aanleiding hiervan is door de recherche officier van justitie, via Eurojust, contact gelegd met de Duitse justitiële autoriteiten die bevestigden dat [persoon 1] als informant informatie verstrekte aan de Duitse douane en dat [persoon 2] daarbij optrad als zijn contactpersoon. Op 30 maart 2009 heeft op initiatief van het openbaar ministerie in Amsterdam een bespreking van de toenmalige zaaksofficier met de betrokkenen van de Duitse douane en justitie plaatsgevonden. De Duitsers hebben in dat gesprek van 30 maart 2009 bevestigd dat [persoon 1] als Vertrauensperson (VP), vergelijkbaar met de Nederlandse CIE-informant, voor het ZKA werkzaam was maar dat hij niet de toestemming of de opdracht heeft gekregen om strafbare feiten te begaan.

Na zijn aanhouding op 14 september 2009 heeft [persoon 1] verklaard dat hij in opdracht en met medeweten van de Duitse douane heeft gehandeld. Door tussenkomst van de rechter-commissaris zijn door de contactpersoon van het ZKA van [persoon 1] vragen van de verdediging en het openbaar ministerie op 2 maart 2010 schriftelijk beantwoord waarin nogmaals werd bevestigd dat de verdachte enkel als informant voor het ZKA werkte en niet als infiltrant.

Nu [persoon 1] zelfstandig heeft besloten om over te gaan tot het begaan van strafbare feiten is hij hiervoor zelf verantwoordelijk en kan hij geen beroep doen op zijn informantenstatus van de Duitse justitie.

De officier van justitie ziet dan ook geen aanleiding voor de rechtbank om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Dat de informatie omtrent de informantenstatus van [persoon 1] niet in het dossier terecht is gekomen is gelegen in de omstandigheid dat het beleid van het openbaar ministerie er op gericht is deze status zo veel mogelijk geheim te houden teneinde de informant te beschermen. Alleen de rechercheofficier wist hiervan. De officier van justitie ter terechtzitting is hierover pas sinds een week geïnformeerd. Dat deze informatie niet tijdig in het dossier terecht is gekomen kan dan ook - mede gelet op het voorgaande - niet tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden, aldus steeds de officier van justitie.

Beoordeling door de rechtbank.

Uit CIE-informatie van april 2008 en februari en maart 2009, zoals deze zich in het dossier bevindt volgt dat de verdachten [persoon 1] en [persoon 3] contact hebben gelegd met ene [persoon 2], een corrupte douane beambte te Hamburg en op die manier via Duistland verdovende middelen binnen Nederland willen brengen . Mede naar aanleiding van deze informatie worden [persoon 1] en [persoon 3] aangemerkt als verdachten en is er tegen hen een opsporingsonderzoek gestart.

Uit afgeluisterde telefoongesprekken en observaties komt in de eerste maanden van 2009 het beeld naar voren dat [persoon 1] samen met de verdachten [persoon 3], [persoon 4] en [verdachte] actief deel uitmaakt van, en zijn medewerking verleent aan een groep van personen die voorbereidingen treffen voor de invoer in Nederland via Hamburg van een container met daarin een grote hoeveelheid cocaïne. Uit de resultaten van het opsporingsonderzoek volgt ondermeer dat [persoon 1] zich actief bezig houdt met de voorbereiding van het vervoer van de cocaïne, de wijze van verpakking van de cocaïne, de hoeveelheid van de in te voeren cocaïne en de opslag van de cocaïne bij aankomst in Duitsland, terwijl uit afgeluisterde telefoongesprekken en een observatie blijkt dat [persoon 1] op 5 maart 2009 een ontmoeting heeft met de bij de voorgenomen invoer betrokken groep van personen.

Het nadien voortgezette opsporingsonderzoek leidt er vervolgens toe dat begin september 2009 het vermoeden bestaat dat spoedig een container met cocaïne in Hamburg zal aankomen. Op 14 september 2009 worden [persoon 1], [persoon 3], [persoon 4] en [verdachte] aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen.

[persoon 1] verklaart bij zijn eerste verhoor dat hij al een aantal jaren werkzaam is voor opsporingsdiensten uit diverse landen, waaronder het Zoll Kriminal Ambt (ZKA) uit Duitsland. Voorts verklaart hij dat hij in contact staat met een persoon van het ZKA en dat hij tegen beloning informatie verstrekt over de door hem en zijn medeverdachten geregelde invoer van cocaïne, zodat deze door de Duitse douane in beslag genomen kan worden.

Op verzoek van de raadsman van [persoon 1] is vervolgens door de rechter-commissaris verzocht of de contactpersoon [persoon 2] bij het Duitse ZKA bereid is een aantal op schrift gestelde vragen te beantwoorden. De schriftelijke antwoorden komen per fax van 2 maart 2010 bij de rechtbank binnen. Daaruit blijkt dat [persoon 1] sinds januari 2008 als Vertrauensperson werkzaam is voor het Duitse ZKA en inlichtingen verschaft over het voornemen van een groep rond [persoon 3] om een container met cocaïne uit Zuid-Amerika via Hamburg naar Nederland te brengen. Verder blijkt daaruit dat het ZKA de Nederlandse justitie van de activiteiten van [persoon 1] op de hoogte heeft gesteld. In dat kader heeft op 30 maart 2009 op het parket in Amsterdam een bespreking plaatsgevonden tussen de Nederlandse en Duitse officieren van justitie en een aantal bij de in Nederland en in Duitsland lopende onderzoeken betrokken personen.

De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie in ieder geval vanaf 30 maart 2009 wist dat [persoon 1] samenwerkte met het Duitse ZKA en dat hij informatie verstrekte over de voorgenomen invoer van drugs via Hamburg. Op dat moment was uit het in Nederland lopende opsporingsonderzoek bij het openbaar ministerie ook al bekend dat [persoon 1] actief deelnam aan de voorbereidingshandelingen die daarvoor in Nederland werden getroffen. Immers was uit de genoemde telefoontaps en observatie gebleken dat [persoon 1] samen met [persoon 3], [persoon 4] en [verdachte] actief deel uitmaakte van, en zijn medewerking verleende aan de groep van personen die in Nederland strafbare voorbereidingshandelingen verrichtte voor de invoer via Hamburg van een container met daarin een hoeveelheid cocaïne. Dit brengt mee dat, nu [persoon 1] eerder ter zake van onder meer een zeer ernstig geweldsmisdrijf is veroordeeld, voor het openbaar ministerie al op 30 maart 2009 kenbaar was dat in feite sprake was van een door het Duitse ZKA in Nederland gerunde criminele burgerinfiltrant die vervolgens ook na 30 maart 2009 met medeweten van het openbaar ministerie in Nederland strafbare voorbereidingshandelingen is blijven verrichten en dienaangaande informatie verschafte aan het Duitse ZKA.

De stelling van de officier van justitie dat het niet de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie is dat [persoon 1] strafbare feiten heeft begaan, aangezien hij werkzaam was als informant voor de Duitse autoriteiten en in dat kader zelfstandig heeft besloten om actief deel te nemen aan strafbare feiten, terwijl hem door de Duitse justitie uitdrukkelijk te verstaan is gegeven dit niet te doen, houdt naar het oordeel van de rechtbank geen stand.

Daarbij is van belang dat uit een faxbericht van de Duitse justitiële autoriteiten van 2 maart 2010 blijkt dat in een computer van [persoon 1] aangetroffen e-mails afkomstig zijn van zijn ZKA contactpersonen [persoon 2] en [persoon 5]. In een van deze e-mails van 30 april 2009, afkomstig van de rechercheur [persoon 5], deelt deze aan [persoon 1] mee dat hij zich afvraagt of de andere mensen een grotere hoeveelheid zouden sturen als [persoon 3] zou weigeren zich in te laten met een hoeveelheid van 50 kg. Daarnaast stelt [persoon 5] voor dat het beter zou zijn dat hij ([persoon 3]) een kleine hoeveelheid weigert en direct de hele grote hoeveelheid verzoekt. Verder staat in diezelfde e-mail dat [persoon 1] kan rekenen op een beloning van 10% van de besproken som. Uit een op dezelfde dag als de hiervoor genoemde e-mail gevoerd gesprek tussen [persoon 1] en [persoon 3] blijkt dat [persoon 1] [persoon 3] ontmoedigt om een transport te regelen voor 50 kg door tegen [persoon 3] te zeggen: “Ga jij 15 jaar riskeren alleen maar voor dat?” Waarop hij tegen [persoon 3] zegt: “dat hij moet zeggen dat 500 het minimum is”.

Verder is er een e-mail op de computer van de [persoon 1] aangetroffen waarin rechercheur [persoon 2] van de ZKA schrijft dat [persoon 1] het verhaal van de “corrupte douane ambtenaar” kan blijven gebruiken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ter zake van de deelname door [persoon 1] aan de in de onderhavige zaak ten laste gelegde in Nederland strafbare voorbereidingshandelingen wel degelijk sprake is geweest van sturing door de Duitse justitiële autoriteiten.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de inzet van een (criminele) burgerinfiltrant in Nederland slechts in zeer uitzonderlijke gevallen voor beperkte tijd is toegestaan en dat daarvoor gelet op de daaraan verbonden zeer aanzienlijk risico’s een groot aantal wettelijk voorgeschreven zorgvuldigheidsnormen geldt. Uit het dossier blijkt niet dat daaraan door het openbaar ministerie op enigerlei wijze invulling is gegeven. Sterker nog, in het door het openbaar ministerie voorafgaand aan de zitting aangeleverde dossier bevindt zich geen enkel stuk waaruit zou kunnen volgen dat het openbaar ministerie al vanaf in ieder geval 30 maart 2009 ervan op de hoogte was dat [persoon 1] werkzaam is voor de Duitse justitiële autoriteiten.

Deze informatie is pas twee dagen voor de inhoudelijke behandeling op 4 maart 2010 bekend geworden, toen uit de beantwoording door de contactpersoon van [persoon 1] van door tussenkomst van de rechter-commissaris op verzoek van de raadsman gestelde vragen bleek dat [persoon 1] inderdaad werkzaam was voor het ZKA. Pas daarna heeft de officier van justitie ter zitting kort mondeling toegelicht wat er op de bespreking van 30 maart 2009 tussen de Nederlandse en Duitse autoriteiten zou zijn besproken. Van die bespreking is, aldus de officier van justitie geen proces-verbaal opgemaakt en de bevindingen van de deelnemende opsporingsambtenaren zijn niet in het dossier gerelateerd.

De rechtbank stelt op grond van al het voorgaande vast dat het openbaar ministerie gedurende langere tijd heeft toegestaan dat door het Duitse ZKA op het Nederlands grondgebied gebruik werd gemaakt van de inzet van een criminele burgerinfiltrant, zonder dat aan de daarvoor in Nederland geldende wettelijke waarborgen was voldaan. Voorts heeft het openbaar ministerie ondanks dat zij daarvan al sinds 30 maart 2009 op de hoogte was verzuimd op enig moment in het dossier melding te doen van het feit dat zij wist dat [persoon 1] werkzaam was voor de Duitse justitie en verslag te doen van de daarover gevoerde besprekingen. Dit terwijl de verdenking tegen [persoon 1] en zijn medeverdachten grotendeels is gebaseerd op van [persoon 1] afkomstige informatie en uit afgeluisterde door [persoon 1] gevoerde telefoongesprekken. Dat deze informatie buiten het dossier is gehouden ter bescherming van de informant, is in het licht van het feit dat [persoon 1] zelf direct na zijn aanhouding op 14 september 2009 verklaart dat hij voor de Duitse justitie werkt, niet te begrijpen. Daarmee heeft het openbaar ministerie ten onrechte en in strijd met haar wettelijke plicht, voor alle verdachten in deze zaak cruciale potentieel ontlastende informatie aan het dossier onthouden.

De rechtbank is op basis van alle hiervoor genoemde omstandigheden van oordeel dat daarmee in het onderhavige geval een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Dit leidt ertoe dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Gelet op het voorgaande bestaat geen belang meer bij een beslissing op het verzoek tot aanhouding.

3. Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met een proeftijd van 2 jaar, zoals opgelegd bij vonnis van 27 november 2007 van de rechtbank Alkmaar.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A.M. van Oosten, voorzitter,

mrs. A.W.H. Vink en J.L. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2010.