Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL8956

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
AWB 08-5096 WET
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP2849, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Publicatie zakelijke weergave van een besluit op de website van verweerder is geen besluit in de zin van 1:3 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/5096 WET

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de Algemene Omroepvereniging AVRO en de besloten vennootschap

B.V. Programmabladen AKN,

beide gevestigd te Hilversum,

tezamen hierna: “eiseressen”,

gemachtigde mr. J.R. van Angeren,

en

het Commissariaat voor de Media,

verweerder,

gemachtigde mr. G.H.L. Weesing.

Tevens hebben aan dit geding deelgenomen:

de besloten vennootschap SBS Broadcasting B.V,

gevestigd te Amsterdam,

en

de besloten vennootschap Veronica Uitgeverij B.V,

gevestigd te Hilversum,

tezamen hierna: “Veronica c.s,”

gemachtigde mr. M.P. Hoogewerf.

1. Procesverloop

Verweerder heeft eiseressen bij brief van 20 november 2008 in kennis gesteld van zijn besluit van 18 november 2008, waarbij de door eiseressen verrichtte nevenactiviteit – het uitgeven van het omroepblad TV Film – niet langer wordt toegestaan, omdat dit niet kostendekkend zou zijn. Verweerder heeft voorts in zijn begeleidende brief van 20 november 2008 aangegeven dat alle besluiten worden gepubliceerd op verweerders website, en dat eiseressen, indien zij van mening zijn dat in het besluit van 18 november 2008 bedrijfsvertrouwelijke gegevens staan, zij dit binnen zeven dagen schriftelijk en gemotiveerd kenbaar dienen te maken.

Bij brief van 27 november 2008 hebben eiseressen verweerder verzocht het besluit niet te publiceren op verweerders website, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke gegevens bevat en de publicatie daarvan voor eiseressen zeer nadelig zal zijn.

Bij brief van 10 december 2008 heeft verweerder meegedeeld slechts de zakelijke weergave van het besluit van 18 november 2008 op de website te plaatsen. Verweerder heeft op die dag een kort persbericht met betrekking tot zijn besluit op de website geplaatst.

Eiseressen hebben diezelfde dag nog schriftelijk bezwaar gemaakt. Zij hebben verweerder daarbij dringend verzocht het bericht op de website per direct te verwijderen en verweerder aansprakelijk gesteld voor geleden en te lijden schade.

Bij fax van 10 december 2008 heeft verweerder eiseressen vervolgens bericht dat op korte termijn een standpunt ten aanzien van de stellingen en het verzoek van eiseressen ingenomen zal worden en dat zorgvuldigheidshalve de publicatie van de website wordt verwijderd, zonder dat verweerder hiermee aangeeft dat het besluit niet op de website zou moeten worden gepubliceerd.

Op 11 december 2008 heeft verweerder eiseressen in kennis gesteld van zijn voornemen de publicatie van het besluit per 12 december 2008 opnieuw op de website te plaatsen. Voorts heeft verweerder opgemerkt de algemene bekendmaking van het besluit niet te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eiseressen hebben tegen deze (door hen als beslissing op bezwaar geduide) brief beroep ingesteld.

Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 april 2009 hebben Veronica c.s. verzocht om als belanghebbende partijen aan het geding deel te mogen nemen. Bij brief van 28 mei 2009 hebben Veronica c.s. hun standpunt nader schriftelijk toegelicht.

De rechtbank heeft de zaak op 9 februari 2010 ter zitting behandeld.

Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en [persoon 1]. Verweerder zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [persoon 2]. Veronica c.s. hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en [persoon 3].

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank zal allereerst dienen te beoordelen of de brief van 11 december 2008, waartegen het beroep is gericht en waarin aan eiseressen is meegedeeld dat de zakelijke weergave van het besluit van 18 november 2008 (opnieuw) wordt gepubliceerd op de website, als een besluit ex artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt.

Voor de beantwoording van die vraag is doorslaggevend of de brief van 10 december 2008 van verweerder een besluit bevat waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

2.2. Eiseressen hebben aangevoerd - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 31 mei 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AX6362 - dat “het openbaar maken” een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Bij het ambtshalve openbaar maken van informatie neergelegd in documenten op voet van artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB), waarbij belangen zijn betrokken ex artikel 10 van de WOB, dient met het oog op die belangen een zorgvuldige besluitvorming plaats te vinden. Nu dat niet is geschiedt, kan de beslissing van 11 december 2008 niet in stand blijven, aldus eiseressen.

2.3. Verweerder heeft aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat zijn brieven van

10 en 11 december 2008 geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb zijn en dat hij evenmin heeft beoogd dergelijke besluiten te nemen.

De rechtbank overweegt het volgende.

2.4. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.5. De rechtbank stelt vast dat niet het - integrale - besluit van 18 november 2008 op de website van verweerder is geplaatst, maar een korte zakelijke weergave daarvan in de vorm van een persbericht. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

2.6. Overwogen wordt dat het plaatsen van een bericht op de website in beginsel heeft te gelden als een feitelijk handelen dat niet op enig rechtsgevolg is gericht. Gelet op de toelichting van verweerder en de inhoud en vorm van zijn correspondentie met eiseressen, heeft verweerder ook niet meer beoogd dan een dergelijke feitelijke handeling.

De keuze om besluiten - of een korte samenvatting daarvan - op de website te plaatsen, vloeit voort uit de wens om eventuele niet nader bekende belanghebbenden daarover te informeren, niet om te komen tot openbaarmaking in de zin van de WOB. In zoverre is sprake van een andere situatie dan die welke aan de orde was in de door eiseressen aangehaalde uitspraak van de AbRS van 31 mei 2006 (LJN: AX6362), waarin een dergelijke bedoeling wel uitdrukkelijk voorlag (in een situatie dat publieke twijfel was gerezen omtrent de integriteit van het openbaar bestuur in een gemeente).

Anders dan in de door eiseressen ter zitting aangehaalde uitspraak van de AbRS van 16 juli 2003 (LJN: AH9903) is geen sprake van een publicatiebeleid bij het betrokken bestuursorgaan (naar door verweerder is verklaard is slechts sprake van een bestendige praktijk), laat staan van een publicatiebeleid dat is gestoeld op de WOB.

Er is derhalve geen juridisch dwingende grond in engere zin aanwezig die noopt tot het oordeel dat in weerwil van de bedoeling van verweerder en de door verweerder gemaakte afwegingen, toch te komen tot een besluit.

2.7. Onder omstandigheden kan het besluitbegrip ruimer worden uitgelegd om zo een bestuursrechtelijke rechtsingang voor belanghebbenden te creëren.

Van een gat in de bestuursrechtelijke rechtsbescherming is echter geen sprake.

In dit verband wijst de rechtbank erop dat eiseressen in plaats van de duiding van het handelen van verweerder als een separaat besluitvormingstraject in de zin van de Awb, ook de mogelijkheid hadden om een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter te vragen hangende het – al aanhangige – bezwaar tegen het besluit van 18 november 2008. Daarbij hadden zij de rechter kunnen verzoeken om verweerder op te dragen, zolang het betreffende besluit nog niet onherroepelijk was, nadere bekendmaking (van de strekking) daarvan als uitvoeringshandeling achterwege te laten. Dat eiseressen van die mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt, maakt niet dat kan worden gesproken van een gat in de bestuursrechtelijke rechtsbescherming.

Voorts wijst de rechtbank er op dat een oordeel van de bestuursrechter in de bestuurs-rechtelijke bodemprocedure met betrekking tot het besluit van 18 november 2008 op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid van de Awb, zich niet behoeft te beperken tot het bestreden besluit, maar dat bij een vernietiging daarvan het bestuursorgaan ook kan worden opgedragen een andere handeling te verrichten dan het nemen van een nieuw besluit.

2.8. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat verweerders brief van 11 december 2008 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen beroep openstond bij de (bestuursrechter van de) rechtbank. Het beroep van eiseressen zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.9. Nu geen sprake is van een appellabel besluit, noch van een ontvankelijk beroep, ontvalt het praktisch belang aan de beantwoording van de vraag of Veronica c.s. als belanghebbende partijen zijn aan te merken bij het onderhavige geschil. De rechtbank zal dit daarom verder onbesproken laten.

2.10. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, als voorzitter,

mrs. H.J. Tijselink en N.R. Docter, als leden, in aanwezigheid van

mr. S.S.N. van Samson, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2010.

de griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB