Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL8530

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2010
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
HA RK 10.169
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking ingevolge art. 512 Sv. Verzoek toegewezen. Het wrakingsverzoek had betrekking op de leden de meervoudige strafkamer die zijn belast met de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte.

Het verzoek berust op de grond dat de voorzitter van de meervoudige kamer de officier van justitie heeft gewezen op een fout in de dagvaarding. Deze handelwijze is niet gepast en is schadelijk voor het vertrouwen in de onafhankelijke rechtspraak en de belangen van verzoeker. Daarnaast berust het verzoek op door de rechters ter zitting gedane negatieve uitlatingen over verzoeker. Verzoeker doelt hierbij op de opmerking dat er substantiële aanwijzingen zijn dat de terugtrekking van zijn vorige advocaat en het daaropvolgende aanhoudingsverzoek onderdeel uitmaken van een vooropgezet plan om de procedure te vertragen en dat verdachte wat dat betreft de schijn tegen heeft.

De wrakingskamer is van oordeel dat bij de beoordeling op de uitlatingen van de voorzitter meeweegt dat verzoeker daar zonder raadsman is verschenen en dat het in de strafzaken waarin hij verdachte is om omvangrijke dossiers gaat. De behandeling stond vrijwel geheel in het teken van zijn verzoek om aanhouding, dat uiteindelijk is toegewezen. Voordat het verzoek om aanhouding werd behandeld heeft de voorzitter zich tot de officier van justitie gericht met de vraag naar diens standpunt over een onderdeel van de dagvaarding, waarin volgens de voorzitter twee tegenstrijdige beschuldigingen leken te zijn opgenomen. Noch uit het proces-verbaal noch anderszins is gebleken dat ook verzoeker over dit punt is gehoord. Evenmin is gebleken dat hem is uitgelegd wat de voorzitter met zijn vraag aan de officier van justitie beoogde. Door aldus en onder deze omstandigheden op eigen initiatief de officier van justitie te wijzen op een tegenstrijdigheid in de dagvaarding heeft de voorzitter verzoeker de indruk gegeven dat hij de officier van justitie wilde behoeden voor een fout die aan een bewezenverklaring in de weg zou kunnen staan. Dat heeft bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees kunnen wekken dat de voorzitter niet onpartijdig is. Overwegingen van efficiency kunnen daaraan niet afdoen. In zoverre is het verzoek dan ook gegrond.

De wrakingskamer is daarnaast van oordeel dat het de rechter op zichzelf vrijstaat een verdachte te confronteren met bewijsmateriaal dat niet strookt met zijn verklaring en de rechter mag zich daarbij bedienen van een kritische vraagstelling. In deze zaak hebben de rechters zich daartoe echter niet beperkt, maar hebben zij bij de motivering van hun beslissing over het aanhoudingsverzoek van verzoeker er blijk van gegeven de geloofwaardigheid van verzoeker in twijfel te trekken, en dat op een moment dat de inhoudelijke behandeling van de zaak nog moest beginnen. Het uiten van twijfel over de geloofwaardigheid van verzoeker, maar ook de mededeling dat hij de schijn tegen heeft, kan bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees hebben gewekt dat de rechters niet onpartijdig zijn. Ook in dit opzicht is het verzoek gegrond.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 512
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking van 26 februari 2010 op de op 18 februari 2010 ter zitting gedane en onder rekestnummer Ha Rk 10.169 ingeschreven ver¬zoeken tot wra¬king van:

[ ],

verzoeker tot wraking,

raadsman: mr. H. Anker, advocaat te Leeuwarden,

welk verzoek strekt tot wraking van mrs. [ ](voorzitter), [ ] en [ ], leden van de meervoudige kamer, hierna: de voorzitter en gezamenlijk de rechters.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

- het op schrift gestelde wrakingsverzoek van 18 februari 2010 met bijlagen;

- een proces-verbaal verhoor van getuigen door de rechter-commissaris van 15 februari

2010;

- een proces-verbaal van de op 9 november 2009 gehouden terechtzitting, met bijlagen.

De rechters hebben bij monde van de voorzitter meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 18 februari 2010, waar de rechtbank verzoeker, zijn raadsman, de rechters en de officier van justitie heeft gehoord.

Vanwege het spoedeisend karakter zijn de belangrijkste overwegingen en de beslissing in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2010, waarbij is meegedeeld dat de schriftelijke uitwerking zou volgen. Deze beschikking vormt die uitwerking.

1. De feiten

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoeker is verdachte in bij deze rechtbank onder parketnummers [ ] en [ ] aanhangige strafzaken.

b) De zaak van verzoeker stond aanvankelijk op de zitting van 20 april 2009 en is toen aangehouden voor onbepaalde tijd. De inhoudelijke behandeling is vervolgens bepaald op 9 november 2009. Bij fax van 1 november 2009 heeft de toenmalige raadsman van verzoeker, mr. [ ], aan de rechtbank meegedeeld zich om hem moverende redenen terug te trekken als raadsman van verzoeker.

c) Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 november 2009 heeft de voorzitter, nadat de zaak was voorgedragen, de officier van justitie gevraagd naar diens standpunt met betrekking tot de tekst van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde in de dagvaarding met parketnummer [ ], nu daarin volgens de voorzitter twee tegenstrijdige beschuldigingen, te weten het “gewoontewitwassen” en het “schuldwitwassen” leken te zijn opgenomen. De officier van justitie heeft daarop verklaard dat de tekst van dat gedeelte van de tenlastelegging ziet op het verwijt dat verdachte zich aan witwassen schuldig heeft gemaakt.

d) De zitting van 9 november 2009 is voor het overige gewijd aan de behandeling van het verzoek om aanhouding van verzoeker, die heeft verklaard dat zijn voormalige advocaat zich had teruggetrokken en dat hij actief op zoek was naar een nieuwe advocaat.

De voorzitter heeft meegedeeld dat de rechters kennis hadden genomen van een proces-verbaal van bevindingen van 4 november 2009, opgemaakt door de verbalisant [ ], inhoudende – zakelijk weergegeven – bevindingen van de verbalisant naar aanleiding van bij verzoeker tijdens een huiszoeking aangetroffen correspondentie van [ ], gericht aan verzoeker.

De officier van justitie heeft daarop verklaard dat hij zich verzette tegen aanhouding van de behandeling van de strafzaken. Volgens hem plaatste het door de voorzitter voorgehouden proces-verbaal het verhaal van verzoeker in een dubieuze setting, omdat in het desbetreffende proces-verbaal kort gezegd was opgenomen dat tijdens een op 3 november 2009 in de woning van verzoeker gehouden doorzoeking correspondentie tussen verzoeker en de inmiddels veroordeelde [ ] was aangetroffen, waarin blijk werd gegeven van een vooropgezet plan - à la de aanhouding in de aanhangig zijnde strafzaak tegen [ ] - met betrekking tot de terugtrekking van de raadsman van verzoeker, dat erop gericht was om uitstel te creëren. De terugtrekking van de raadsman was volgens de officier van justitie opmerkelijk, te meer nu verzoeker in deze strafzaak al één jaar lang door de raadsman was bijgestaan.

Verzoeker heeft daarop verklaard dat er geen opzet in het spel is geweest en dat zijn voormalige advocaat zijn redenen had om zich terug te trekken. Eén van die redenen was dat hij het niet eens was met verzoeker over de getuigen die in de strafzaak met parketnummer [ ] moesten worden gehoord.

e) De rechters hebben blijkens het proces-verbaal bij monde van de voorzitter als hun beslissing op het verzoek tot aanhouding van verzoeker meegedeeld:

- gelet op de inhoud van het voornoemde proces-verbaal en – in relatie daarmee- de inhoud van de faxberichten van mr. [ ] en verdachte, zijn er substantiële aanwijzingen dat de terugtrekking van mr. [ ] en het daaropvolgende aanhoudingsverzoek van verdachte onderdeel uitmaken van een vooropgezet plan om de procedure te vertragen. Wat dat betreft heeft verdachte de schijn tegen;

- het op grond daarvan voortzetten van de behandeling van de strafzaak zonder bijstand van een raadsman, acht de rechtbank echter niet wenselijk, nu verdachte, mede gelet op de omvang van het dossier en de toevoeging van de nieuwe beschuldiging, in de gelegenheid moet worden gesteld een optimale verdediging te voeren;

- de voortzetting van de behandeling op 28 december 2009 wordt, gelet op de betrekkelijk korte periode waarin dan eventueel nader onderzoek zou moeten worden verricht en gelet op de in verband met de daarom heen liggende feestdagen te verwachte beperkte beschikbaarheid van betrokken partijen niet mogelijk geacht;

het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 18 februari 2010 om 9.30 uur, teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen zich van rechtsbijstand te voorzien. De voorzitter merkt daarbij op dat in beginsel sprake is van een eenmalige beslissing tot aanhouding om de voornoemde reden;

- de stukken worden in handen gesteld van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbang, teneinde in de strafzaak met parketnummer[ ] eventueel door de verdediging nader op te geven en door hem, de rechter-commissaris, noodzakelijk te achten getuigen te horen – zij het wel onder de voorwaarde dat een verzoek tot het horen van die getuigen uiterlijk binnen 30 dagen vanaf heden wordt gedaan – en voorts al datgene te verrichten wat hij in het belang van het onderzoek acht.

f) De vorige raadsman van verzoeker heeft de huidige raadsman van verzoeker bij brief van 5 december 2009 meegedeeld dat hij om hem moverende redenen op eigen initiatief de verdediging van verzoeker heeft neergelegd en dat daartoe van verzoeker nooit enig initiatief is uitgegaan.

g) Bij brief van 18 december 2009 heeft de raadsman van verzoeker aan de voorzitter van de meervoudige kamer verzocht om de zitting van 18 februari 2010 het karakter te geven van een regiezitting en de inhoudelijke behandeling te laten plaatsvinden in of omstreeks de maanden juni/juli a.s., omdat hij gelet op de omvang van het dossier en de grote belangen van verzoeker meer voorbereidingstijd nodig had.

h) Bij e-mail van 28 december 2009 heeft een medewerkster van de “Afdeling Verkeerstoren” van de rechtbank namens de voorzitter aan de raadsman van verzoeker meegedeeld dat “het verzoek niet wordt ingewilligd”.

i) In de daarop volgende briefwisseling tussen de raadsman van verzoeker en de voorzitter van de meervoudige kamer heeft de raadsman van verzoeker zich op het standpunt gesteld dat het initiatief om zich te ontrekken kort voor de zitting van 9 november 2009 is uitgegaan van de vorige raadsman van verzoeker en dat hij meer voorbereidingstijd nodig had, mede gelet op de omvang van het dossier. De voorzitter heeft zich bij brief van 12 januari 2010 op het standpunt gesteld dat een voorbereidingstijd van ruim twee maanden in deze zaak niet als onredelijk kort kan worden aangemerkt. Hij zag geen aanleiding om op voorhand in te stemmen met een derde aanhouding in de zaak en is niet ingegaan op het verzoek van de raadsman tot een persoonlijk onderhoud.

j) Verzoeker heeft in de zaak met parketnummer [ ] aan de rechter-commissaris drie getuigen voorgedragen. De rechter-commissaris heeft beslist dat twee getuigen zouden worden gehoord op 15 februari 2009. Naar aanleiding van contact met de raadsman van verzoeker op 8 februari 2010 is de rechter-commissaris ervan uitgegaan dat de behandeling op 18 februari 2010 zou worden aangehouden en heeft zij beslist dat het geplande getuigenverhoor geen doorgang zouden vinden en zou worden uitgesteld. Nadat de voorzitter van de meervoudige kamer haar had laten weten dat het verzoek om aanhouding niet op voorhand zou worden gehonoreerd, heeft de rechter-commissaris alsnog beslist dat de getuigenverhoren op 15 februari 2010 doorgang zouden vinden.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende vier gronden waardoor volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en die in onderling verband en samenhang moeten worden beschouwd.

2.1 De gang van zaken rond het verzoek tot aanhouding van de zaak.

Door het standpunt van de rechters wordt verzoeker in hoge mate in zijn belangen geschaad. Het gaat om een complexe en gevoelige zaak die aanmerkelijk meer voorbereidingstijd behoeft om de verdediging optimaal te doen zijn. Een inhoudelijke behandeling op 18 februari 2010 was voor de raadsman niet haalbaar. Er waren ook geen redenen die zich tegen aanhouding verzetten, nu het initiatief om zich te onttrekken is uitgegaan van de vorige raadsman, dit dus buiten de risicosfeer van verzoeker ligt en verzoeker niet preventief is gedetineerd. De botte wijze waarop het verzoek tot aanhouding is afgewezen en de afwijzing door de voorzitter van een persoonlijk onderhoud met de raadsman zijn ongepast. Hierdoor is het vertrouwen van verzoeker in de rechters geschaad.

2.2 De gang van zaken rond het horen van getuigen.

In de zaak met parketnummer [ ] heeft verzoeker drie getuigen voorgedragen. Twee daarvan zouden worden gehoord. Naar aanleiding van contacten met de raadsman heeft de rechter-commissaris besloten tot uitstel van het horen van de getuigen. Een dag na deze toezegging kwam de rechter-commissaris van haar beslissing terug en dienden de getuigen alsnog op 15 februari 2010 te worden gehoord. Verzoeker gaat ervan uit dat dit in opdracht van de rechters is gebeurd. Verzoeker acht dat niet juist, omdat het de rechter-commissaris is die is belast met de verhoren en bepaalt welke getuigen worden gehoord en wanneer. Ook door deze gang van zaken is het vertrouwen van verzoeker in de rechters geschaad.

2.3 De voorzitter van de meervoudige kamer heeft de officier van justitie op de zitting van 9 november 2009 gewezen op een fout in de dagvaarding. Deze handelwijze is niet gepast en is schadelijk voor het vertrouwen in de onafhankelijke rechtspraak en de belangen van verzoeker. Een innerlijke tegenstrijdigheid van de tenlastelegging kan immers leiden tot nietigheid van de dagvaarding. Een mogelijke nietigheid van de dagvaarding dient niet te worden “gerepareerd” door rechters die de steller van de dagvaarding expliciet wijzen op een dergelijke fout.

2.4 De negatieve uitlatingen door de rechters over verzoeker op de zitting van 9 november 2009. Verzoeker doelt hierbij op de opmerking zoals vermeld in het proces-verbaal dat er substantiële aanwijzingen zijn dat de terugtrekking van mr. [ ] en het daaropvolgende aanhoudingsverzoek van verdachte onderdeel uitmaken van een vooropgezet plan om de procedure te vertragen en dat verdachte wat dat betreft de schijn tegen heeft.

Het gaat om een zeer negatieve kwalificatie waarbij in feite wordt gesteld dat verzoeker waarschijnlijk onwaarheid spreekt met betrekking tot dit aspect. Ook verzoeker gaat het erom dat hij zo snel mogelijk van de zaak afkomt, maar wel na een behandeling waarin hij wordt bijgestaan door een optimaal voorbereide raadsman. De vorige raadsman heeft zich op eigen initiatief onttrokken. Een brief van [ ] waarin die aan verzoeker voorstelt op aanhouding aan te koersen, maakt dit niet anders. Het gaat immers niet om een brief van verzoeker. Verzoeker heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en hij stond er op 9 november 2009 plotseling alleen voor. De raadsman van verzoeker heeft het proces-verbaal van de zitting pas recent ontvangen en met verzoeker kunnen bespreken. Pas toen drong de inhoud daarvan tot hem door. Hij was op die zitting alleen gericht op een aanhouding van de behandeling in het belang van zijn verdediging.

2.5 Gezien het voorgaande is volgens verzoeker sprake van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker vrees daarover objectief gerechtvaardigd is.

3. De reactie van de rechters

3.1 De rechters hebben bij monde van de voorzitter het volgende aangevoerd.

De beantwoording van het oorspronkelijke aanhoudingsverzoek op 28 december 2009 was inderdaad een beetje bot, al is het bij dergelijke verzoeken gebruikelijk dat geen reden wordt gegeven als het verzoek tot uitstel wordt afgewezen. De redenen van de afwijzing, althans het niet op voorhand toewijzen, van het verzoek tot aanhouding staan vermeld in de brief van de voorzitter aan de raadsman van verzoeker van 12 januari 2010.

3.2 Het enige dat de voorzitter tegen de rechter-commissaris heeft gezegd is dat hij niet op voorhand heeft ingestemd met een verzoek tot aanhouding. Het was daarna aan de rechter-commissaris om wel of niet van haar eerdere beslissing terug te komen.

3.3 Over de vraag of een rechter de officier van justitie kan wijzen op inconsistenties in de dagvaarding kan men volgens de voorzitter van mening verschillen. Als er fouten in de dagvaarding staan heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang dat de officier van justitie daarop niet wordt gewezen. Niemand heeft immers belang bij onnodige appels. De voorzitter heeft dit niet speciaal in deze zaak gedaan. Hij pleegt het in alle zaken te doen wanneer hij dat nodig vindt. Blijk van vooringenomenheid geeft het in ieder geval niet.

3.4 Bij de huiszoeking zijn weliswaar brieven aangetroffen van een toenmalige medeverdachte van verzoeker, waarin een strategie wordt uiteengezet om aanhouding te verkrijgen, maar aan verzoeker is juist het voordeel van de twijfel gegeven. Zijn verzoek om aanhouding is

immers toegewezen en aan hem is dertig dagen de tijd gegeven voor het oproepen van de getuigen. Verzoeker heeft dus voldoende tijd gekregen om een nieuwe raadsman te zoeken.

4. Het standpunt van de officier van justitie

4.1 Volgens de officier van justitie is verzoeker niet-ontvankelijk, omdat het wrakingsverzoek niet onverwijld is ingediend na de zitting van 9 november 2009.

4.2 Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het verzoek ongegrond is. Uit de bewoordingen van de rechters in het proces-verbaal valt geen bevooroordeeldheid af te leiden. Zij hebben slechts hun beslissing verwoord.

5. De ontvankelijkheid van het verzoek

Op grond van de wet dient het verzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die tot de wraking aanleiding hebben gegeven aan de verzoeker bekend zijn geworden. Het proces-verbaal van de zitting van 9 november 2009 is eerst op 5 februari 2010 toegestuurd aan de raadsman van verzoeker. Hij heeft dat dus vrij kort voor de zitting van 18 februari 2010 ontvangen. Het is begrijpelijk dat de raadsman enige tijd heeft genomen om zich te beraden en hierover te overleggen met zijn cliënt alvorens het ingrijpende middel van wraking in te zetten. Hij heeft bovendien het verzoek direct na aanvang van de zitting ingediend, nog voor zijn verzoek tot aanhouding. Onder deze omstandigheden is het verzoek tijdig gedaan.

6. De beoordeling van het verzoek

6.1 Op grond van het bepaalde in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2 Daarbij moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een

zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het standpunt van een verzoeker daarover is wel belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

6.3 Onderzocht moet worden of de aangevoerde omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren – objectief – gerechtvaardigd is.

6.4 Het eerste bezwaar gaat over de gang van zaken rond het verzoek tot aanhouding, met name over de toon van de e-mail van 28 december 2009, waarin dat verzoek namens de voorzitter ongemotiveerd is afgewezen, en over de weigering van de voorzitter om hierover een onderhoud te hebben met de raadsman van verzoeker. Dat verzoek had inderdaad niet zonder motivering moeten worden afgewezen. Noch uit die ongemotiveerde afwijzing noch uit de weigering van de voorzitter om in te gaan op het verzoek van de raadsman om een onderhoud blijkt echter van vooringenomenheid van de voorzitter. Evenmin kan op grond daarvan bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat het de voorzitter aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

6.5 Het tweede bezwaar gaat over de interventie van de voorzitter bij de rechter-commissaris, nadat die aan de raadsman van verzoeker had toegezegd dat de getuigen later konden worden gehoord. Met die toezegging kwam de mogelijkheid dat de zitting op 18 februari 2010 zou doorgaan te vervallen, terwijl de rechtbank in beginsel aan die datum wilde vasthouden.

Het stond de voorzitter onder deze omstandigheden vrij de rechter-commissaris te verzoeken de getuigen nog tijdig vóór 18 februari 2010 te horen. Het was vervolgens aan de rechter-commissaris om aan dat verzoek wel of geen gehoor te geven. Ook hier blijkt niet van vooringenomenheid, noch kan bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees zijn ontstaan dat het de voorzitter aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

6.6 Het derde bezwaar heeft betrekking op uitlatingen van de voorzitter op de zitting van 9 november 2009. Bij de beoordeling weegt mee dat verzoeker daar zonder raadsman is verschenen en dat het in de strafzaken waarin hij verdachte is om omvangrijke dossiers gaat. De behandeling stond vrijwel geheel in het teken van zijn verzoek om aanhouding, dat uiteindelijk is toegewezen, met als dragende overweging dat de rechters het niet wenselijk achtten de behandeling voort te zetten zonder bijstand van een raadsman, nu verzoeker, mede gelet op de omvang van het dossier en de toevoeging van een nieuwe beschuldiging, in de gelegenheid moest worden gesteld een optimale verdediging te voeren.

Voordat het verzoek om aanhouding werd behandeld richtte de voorzitter zich blijkens het proces-verbaal echter tot de officier van justitie met de vraag naar diens standpunt over een onderdeel van de dagvaarding, waarin volgens de voorzitter twee tegenstrijdige beschuldigingen leken te zijn opgenomen, te weten “gewoontewitwassen” en “schuldwitwassen”.

Volgens de officier ging het daar om “schuldwitwassen”.

Noch uit het proces-verbaal noch anderszins is gebleken dat ook verzoeker over dit punt is gehoord. Evenmin is gebleken dat hem is uitgelegd wat de voorzitter met zijn vraag aan de officier van justitie beoogde.

Door aldus en onder deze omstandigheden op eigen initiatief de officier van justitie te wijzen op een tegenstrijdigheid in de dagvaarding gaf de voorzitter verzoeker de indruk dat hij de officier van justitie wilde behoeden voor een fout die aan een bewezenverklaring in de weg zou kunnen staan. Dat heeft bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees kunnen wekken dat de voorzitter niet onpartijdig is. Overwegingen van efficiency kunnen daaraan niet afdoen.

In zoverre is het verzoek dan ook gegrond.

6.7 Het laatste bezwaar heeft betrekking op het feit dat de voorzitter volgens het proces-verbaal van 9 november 2009 na gehouden beraad als beslissing van de rechtbank heeft meegedeeld dat, gelet op de stukken, er substantiële aanwijzingen zijn dat de terugtrekking van mr. [ ] en het daarop volgende aanhoudingsverzoek van verdachte onderdeel uitmaken van een vooropgezet plan om de procedure te vertragen en dat verdachte wat dat betreft de schijn tegen heeft.

Het staat de rechter op zichzelf vrij een verdachte te confronteren met bewijsmateriaal dat niet strookt met zijn verklaring en de rechter mag zich daarbij bedienen van een kritische vraagstelling. In deze zaak hebben de rechters zich daartoe echter niet beperkt, maar hebben zij bij de motivering van hun beslissing over het aanhoudingsverzoek van verzoeker er blijk van gegeven de geloofwaardigheid van verzoeker in twijfel te trekken, en dat op een moment dat de inhoudelijke behandeling van de zaak nog moest beginnen. Het uiten van twijfel over de geloofwaardigheid van verzoeker, maar ook de mededeling dat hij de schijn tegen heeft, kan bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees hebben gewekt dat de rechters niet onpartijdig zijn. Ook in dit opzicht is het verzoek gegrond.

7. De slotsom is dat het verzoek om wraking van de rechters van de meervoudige strafkamer wordt toegewezen.

B E S L I SS I NG

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking toe;

- bepaalt dat het gesloten onderzoek ter zitting wordt heropend en op een nader te bepalen

datum wordt hervat door een meervoudige kamer in een andere samenstelling.

Aldus gegeven door mrs. A.J. Beukenhorst, voorzitter, en mrs E.D. Bonga-Sigmond en Y.A.A.G. de Vries, leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van 26 februari 2010, in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.