Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL6910

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
AWB 07/4496 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 28, tweede lid, aanhef en sub b, van Verordening 1408/71: welk land dient een bijdrage te heffen? Interpretatie tekst, doel en context. Met ‘de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest’ wordt gedoeld op de wettelijke pensioenregeling, en niet op de wettelijke regeling inzake ziektekosten, noch op het hele wettelijke sociaal zekerheidsstelsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/4496 AOW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

eiser,

en

de Raad van bestuur van het College voor zorgverzekeringen,

verweerder,

gemachtigden mr. M. van Dijen en mr. M.G. van der Linde - de Jager.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2006 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2006 een bijdrage verschuldigd is ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Verweerder heeft het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij beslissing op bezwaar van 18 oktober 2007 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak op een enkelvoudige zitting behandeld op 1 april 2009. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [gemachtigde]. Verweerder heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. van Dijen en mr. M.G. van der Linde - de Jager.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 9 april 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De behandeling door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 januari 2010. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door [gemachtigde]. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M. van Dijen en mr. M.G. van der Linde - de Jager.

Overwegingen

1. De feiten

1.1. Eiser is geboren op [1932] en woont in Frankrijk. Hij ontvangt sinds 1 augustus 1997 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Naast dit pensioen ontvangt eiser ook een ouderdomspensioen uit Finland en een ouderdomspensioen uit Groot-Brittannië.

1.2. Sinds de invoering van de Zvw op 1 januari 2006 houdt verweerder op grond van deze wet en verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de Verordening) een bijdrage in op het AOW-pensioen van eiser.

1.3. De vraag of die bijdrage terecht is ingehouden vormt het punt van geschil in dit geding.

2. Het juridische kader

Artikel 28 van de Verordening, voor zover van belang, luidt als volgt:

Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van een of meer lidstaten, terwijl in het land van de woonplaats geen recht op prestaties bestaat

1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf recht op deze prestaties, voorzover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde lidstaat, of van ten minste één van de voor deze verzekering bevoegde lidstaten recht op verstrekkingen zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken staat woonde.

De prestaties worden verleend op de volgende voorwaarden:

a) de verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verleend door het orgaan van de woonplaats, alsof de betrokkene recht had op een pensioen of een rente krachtens de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan hij woont, en hij recht op verstrekkingen had;

b) de uitkeringen worden in voorkomend geval verleend door het overeenkomstig lid 2 bepaalde bevoegde orgaan volgens de wettelijke regeling welke door dit orgaan wordt toegepast. Deze uitkeringen kunnen evenwel, in overleg tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woonplaats, door dit laatste orgaan voor rekening van het eerste worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde staat.

2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:

a) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één lidstaat recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze staat;

b) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest; ingeval de toepassing van deze regel ertoe leidt dat de verstrekkingen voor rekening van meer dan een orgaan komen, komen zij voor rekening van dat orgaan, dat de wettelijke regeling toepast waaraan de rechthebbende het laatst onderworpen is geweest.

Artikel 33, eerste lid, van Verordening luidt als volgt:

Bijdragen of premies voor rekening van pensioen- of rentetrekkers

Het orgaan van een lidstaat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde lidstaat komen.

3. De standpunten van partijen

3.1. Eiser erkent uitdrukkelijk dat hij valt onder het bepaalde in het eerste lid van artikel 28 van de Verordening. Hij maakt ook gebruik van de Franse wettelijke voorzieningen. Daarnaast heeft hij een aanvullende Nederlandse ¨woonlandpolis¨. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder op een onjuiste wijze toepassing geeft aan artikel 28, tweede lid, aanhef en sub b, van de Verordening. Dit artikel heeft betrekking op het hoofdstuk ‘ziekte en moederschap’ van de Verordening. Op grond van dat artikel is dan ook van belang in welke lidstaat eiser het langst aan de wettelijke regeling voor ziektekosten onderworpen is geweest. In het geval van eiser is dat niet Nederland, maar Finland, zodat Finland ook het land is voor wiens rekening de verstrekkingen dienen te komen. In dit verband heeft eiser er ook op gewezen dat prof. mr. F.J.L. Pennings in zijn studie “Grondslagen van het Europese sociale zekerheidsrecht” concludeert dat wanneer een betrokkene op grond van artikel 28, tweede lid van de Verordening recht heeft op verstrekkingen in de woonstaat, de staat waar betrokkene het langst verzekerd is geweest voor ziektekosten de kosten moet vergoeden, en anders de lidstaat waar betrokkene het meest recent aangesloten is geweest. Verweerder houdt dan ook ten onrechte een bijdrage voor de Zvw in op het AOW-pensioen van eiser. Eiser heeft ook gesuggereerd dat het stellen van prejudiciële vragen wellicht is aangewezen.

3.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en sub b, van de Verordening niet bepalend is aan welke nationale wettelijke regeling voor ziektekosten eiser het langst onderworpen is geweest, maar aan welk nationaal sociaal zekerheidsstelsel. Verweerder wijst hiertoe, onder meer, naar de definitiebepalingen in artikel 1 van de Verordening. Eiser, die weliswaar in Finland wettelijk langer voor ziektekosten verzekerd is geweest dan in Nederland (eiser was in Nederland voor het grootste deel particulier verzekerd tegen ziektekosten), is langer aan het totale Nederlandse sociale zekerheidsstelsel onderworpen geweest. Nederland is dan ook de lidstaat voor wiens rekening de verstrekkingen komen. Op grond van artikel 33, eerste lid, van de Verordening mag verweerder daarom een bijdrage inhouden op het AOW-pensioen van eiser.

3.3. Niet in geschil tussen partijen is dat eiser in Nederland meer tijdvakken voor ouderdomspensioen verzekerd is geweest dan in Finland (en Groot-Brittannië). Evenmin is in geschil dat eiser ook langer aan de sociale zekerheidswetgeving van Nederland dan aan die van Finland (en Groot-Brittannië) onderworpen is geweest, noch dat eiser langer in Finland dan in Nederland wettelijk verzekerd is geweest voor ziektekosten.

3.4. Zoals partijen ter zitting hebben bevestigd, is het geschil beperkt tot de vraag op welke wijze artikel 28, tweede lid, aanhef en sub b, van de Verordening dient te worden uitgelegd.

4 De beoordeling door de rechtbank

4.1. Inleidende overwegingen

4.1.1. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat bij de uitleg van gemeenschapsrechtelijke bepalingen niet alleen rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van de betreffende bepaling, maar ook met de context en de doelstellingen ervan (zie onder meer het arrest Piatkowski van 9 maart 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AV7649).

4.2. De bewoordingen van artikel 28, tweede lid, aanhef en sub b, van de Verordening

4.2.1. Artikel 28, tweede lid, aanhef en sub b, van de Verordening spreekt over ‘de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest’ en de Engelse tekst spreekt van ‘to whose legislation the pensioner has been subject for the longest period of time’. Er is derhalve sprake van algemene en abstracte bewoordingen die tekstueel voor meer dan één uitleg vatbaar zijn.

4.2.2. De rechtbank stelt vast dat de interpretaties van beide partijen niet in strijd zijn met de tekst van artikel 28, tweede lid, aanhef en sub b, van de Verordening. Aan de bewoordingen van die bepaling kan dan ook geen grond worden ontleend om het voorliggende geschil te beslechten.

4.2.3. Mede onder verwijzing naar de (genoemde) vaste jurisprudentie van het Hof is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling dient te worden uitgelegd vanuit de context en de aan deze bepaling ten grondslag liggende doelstelling die daarmee wordt beoogd.

4.3. Context en doel van artikel 28, tweede lid, aanhef en sub b, van de Verordening

4.3.1. Het Hof heeft in het arrest Sulo Rundgren van 10 mei 2001 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AL3613) geoordeeld over doel en context van artikel 28 van de Verordening. In dit arrest heeft het Hof (voor zover hier van belang) het volgende overwogen:

44 De artikelen 27, 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 hebben tot doel in de verschillende daarin bedoelde situaties het orgaan aan te wijzen, dat aan de rechthebbenden op pensioenen of renten de prestaties bij ziekte en moederschap moet uitkeren, en het orgaan voor wiens rekening dit komt.

45 Wanneer de staat waarin de rechthebbende op een pensioen of rente woont, voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden inzake verzekering of arbeid stelt, komen volgens artikel 28 bis van verordening nr. 1408/71 deze verstrekkingen in beginsel voor rekening van het orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde lidstaten, zodat deze kosten niet enkel op grond van de woonplaats ten laste komen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokkene woont. Deze bepaling wil beletten dat lidstaten waarvan de wetgeving enkel op grond van het wonen op hun grondgebied een recht op verstrekkingen verleent, worden benadeeld, door het orgaan voor rekening waarvan in die staten verleende verstrekkingen komen, te bepalen volgens dezelfde regels als die welke krachtens artikel 28 van de verordening van toepassing zijn in het geval van lidstaten die een dergelijk recht niet toekennen. Op grond van deze regels verleent het orgaan van de woonplaats de pensioen- of rentetrekkenden verstrekkingen voor rekening van het orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde lidstaten.

46 In het aldus bij de artikelen 27, 28 en 28 bis van verordening nr. 1408/71 ingevoerde stelsel komen de verstrekkingen altijd voor rekening van een orgaan van een ter zake van het pensioen bevoegde lidstaat, voorzover de pensioen- of rentetrekker op grond van de wettelijke regeling van deze lidstaat recht op deze verstrekkingen heeft, indien hij op diens grondgebied woont. Wanneer verscheidene lidstaten ter zake van het pensioen bevoegd zijn, komen de verstrekkingen voor rekening van een van deze staten, die wordt bepaald aan de hand van concrete criteria, zoals de woonplaats van de betrokkene of, indien de betrokkene in geen van deze lidstaten woont, de tijd gedurende welke hij aan de wettelijke regeling van elk van deze lidstaten onderworpen is geweest.

47 (…)

48 Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat artikel 33, lid 1, van verordening nr. 1408/71 onder meer bepaalt, dat in de gevallen waarin krachtens de artikelen 27, 28 en 28 bis van deze verordening de verstrekkingen voor rekening komen van een orgaan van een lidstaat, dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een rechthebbende op dit pensioen of deze rente bijdragen of premies voor ziekte en moederschap worden ingehouden, dit orgaan gemachtigd is deze bedragen [...] in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is"(…),

49 Uit deze bepaling van artikel 33, lid 1, van verordening nr. 1408/71 volgt, dat deze verordening, anders dan de Finse regering stelt, de lidstaat op het grondgebied waarvan de pensioen- of rentetrekker woont, niet toestaat van hem betaling te verlangen van de krachtens zijn nationale wetgeving vastgestelde ziektekostenpremies, die worden berekend op basis van de inkomsten van de betrokkene uit door een andere lidstaat betaalde pensioenen of renten. Artikel 33, lid 1, staat in de daarin vermelde gevallen het betrokken orgaan van een lidstaat alleen toe om voor de dekking van de kosten van onder meer de prestaties bij ziekte een bedrag in te houden op het pensioen of de rente die dit orgaan verschuldigd is, en die het dus daadwerkelijk heeft uitgekeerd.

4.3.2. Uit overweging 44 blijkt dat artikel 28 van de Verordening in twee opzichten coördinerend werkt tussen lidstaten:

a. allereerst wijst dat artikel de lidstaat aan ten opzichte waarvan de betrokkene aanspraken heeft op prestaties;

b. daarnaast (en daarna) wijst artikel 28 het orgaan aan voor wiens rekening deze prestaties komen.

4.3.3. De lidstaat ten opzichte waarvan de betrokkene aanspraken verkrijgt op prestaties (onderdeel a) is de staat waarin de betrokkene woont. Dat is in lijn met artikel 13, tweede lid, aanhef en sub f, van de Verordening, dat ook uitgaat van het woonlandbeginsel. Onder artikel 28, eerste lid, onder a, van de Verordening geldt daarbij als bijkomende voorwaarde voor de aanspraak op prestaties dat betrokkene op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde lidstaat, of van ten minste één van de voor deze verzekering bevoegde lidstaten, recht op verstrekkingen zou hebben indien hij op het grondgebied van de betrokken staat woonde. In dat opzicht is het pensioen dus het aanknopingspunt, maar het woonelement komt terug in de eis van een fictieve actuele verzekering in het pensioenland.

4.3.4. Bij de bepaling van de lidstaat voor wiens rekening deze prestaties komen op grond van artikel 28, tweede lid, van de Verordening (onderdeel b) is het betaalde pensioen of de betaalde rente het aanknopingspunt, en wel zo dat de verstrekkingen volgens het Hof altijd (cursivering van de rechtbank) voor rekening van een orgaan van een ter zake van het pensioen bevoegde lidstaat komen. Wel geldt ook hier als extra eis dat de pensioen- of rentegerechtigde op grond van de wettelijke regeling van de pensioenstaat recht op deze verstrekkingen heeft, indien hij op diens grondgebied woonde. Hier is dus de pensioenstaat het aanknopingspunt.

4.3.5. Omdat bij gepensioneerden op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en sub f, van de Verordening de woonstaat de bevoegde lidstaat is, wijkt artikel 28 van de Verordening (met de keuze voor het pensioenland) in dit opzicht uitdrukkelijk af van de hoofdsystematiek die is neergelegd in Titel II van de Verordening.

Zoals het Hof heeft overwogen, wordt met de systematiek van een aanspraak op verstrekkingen in de ene lidstaat en het voor rekening brengen van de hiermee samenhangende kosten in de pensioenstaat (niet zijnde het woonland) voorkomen dat het woonland van de gepensioneerde zich wel geconfronteerd ziet met de ziektekosten van betrokkene, zonder dat daar inkomsten tegenover staan.

4.3.6. Dat voor de financiering wordt aangesloten bij de pensioenstaat is in lijn met het gegeven dat ziektekostenstelsels (zoals verweerder ter zitting ook heeft betoogd) worden bekostigd uit bijdragen op grond van het inkomen dat de betrokkene ontvangt. Bij een werknemer bestaat dat uit loon; bij een gepensioneerde uit pensioen. Bij werknemers vindt de financiering van de kosten van prestaties bij ziekte vaak plaats door middel van inhoudingen op het loon; een eenvoudige en efficiënte wijze van inning. Het door het Hof ook uitdrukkelijk genoemde artikel 33 van de Verordening kent parallel daaraan (dan ook) de mogelijkheid van inhouding van de verschuldigde bijdrage op het pensioen. Die inhouding dient te geschieden door de instantie die het pensioen verschuldigd is en uitbetaalt. Ook zo bezien ligt het voor de hand om de staat waar het pensioen afkomstig is tot uitgangspunt te nemen, en niet de staat waar de pensioengerechtigde woont.

4.3.7. Bij geen van beide in artikel 28 neergelegde coördinatieaspecten is relevant waar betrokkene in het verleden wettelijk verzekerd was tegen ziektekosten.

Voor zover het aspect van de ziektekostenverzekering daarin aan de orde is, gaat het bij beide aspecten niet om de historische, maar om de actuele (en bovendien fictieve) ziektekostenverzekering. Volledigheidshalve wijst de rechtbank er daarbij nog op dat (zoals ook blijkt uit het arrest Sulo Rundgren) de door het woonland te leveren prestaties als genoemd in het eerste lid van artikel 28 juist niet zijn gebaseerd op een (wettelijke) verzekering, maar op dat artikel zelf. Daarvoor worden ook geen premies geheven, maar bijdragen op grond van artikel 33 van de Verordening.

Ook waar het betreft het pensioen wordt in artikel 28 uitdrukkelijk aangesloten bij de actuele situatie (het actuele pensioeninkomen, waarop wordt ingehouden). Dit lijkt op het eerste gezicht merkwaardig, omdat pensioenen (zoals de AOW) veelal een opbouwstelsel kennen, waarbij (ook in de coördinatie in de Verordening) een historische aanpak wordt gehanteerd. Dat betreft dan de coördinatiesystematiek ten aanzien van opbouwstelsels.

Bij het tweede coördinatieaspect van artikel 28 gaat het echter niet om de coördinatie van pensioenaanspraken, maar om de bepaling van de lidstaat voor wiens rekening de kosten van prestaties bij ziekte komen. Omdat die prestaties centraal staan, ligt juist aansluiting bij het risicokarakter van de ziektekostenverzekeringen in de rede, en bij de coördinatie van risicostelsels onder de Verordening is juist de actuele situatie beslissend. Waar de ziektekostenverzekering een risicostelsel kent, ligt het dus ook in de rede dat voor de aanspraak op verstrekkingen niet de historische, maar de actuele situatie beslissend is.

Hiervan uitgaande ligt het voor de hand dat met de in artikel 28 laatstgenoemde wettelijke regeling niet wordt gedoeld op de historische ziektekostenverzekering, maar op de pensioenverzekering die de basis vormt van het actuele pensioeninkomen.

4.3.8. Indien de term “pensioenverzekering” uitdrukkelijk was opgenomen, zou dat binnen artikel 28 ook een tamelijk overbodige herhaling zijn. Die term komt daarin immers al uitdrukkelijk voor.

Anderzijds zou in de situatie dat met die term wel degelijk wordt gedoeld op de (historische) ziektekostenverzekering, dit een in meerdere opzichten wezensvreemd element binnen artikel 28 vormen. Dan had dit expliciet opgenomen moeten zijn in de tekst ervan, of had het voor de hand gelegen dat het Hof in het arrest Sulo Rundgren in overweging 46 daarvan uitdrukkelijk melding had gemaakt.

Ook het ontbreken van een nadere omschrijving van wettelijke regeling wijst er dus op dat de interpretatie van eiser niet klopt.

4.3.9. Dat het tweede lid van artikel 28 ook teruggrijpt op het element van de ziektekostenverzekering in het eerste lid, vormt geen grond voor de door eiser bepleite uitleg, alleen al omdat het bij die term (zoals hiervóór is overwogen) niet om de historische en reële, maar om de actuele (en bovendien fictieve) ziektekostenverzekering gaat.

4.3.10. Eisers verwijzing naar hoofdstuk 1 van titel III van de Verordening: “ziekte en moederschap”, leidt evenmin tot een andere conclusie. Zoals hiervoor is overwogen, zijn in artikel 28 van de Verordening twee coördinatieprincipes neergelegd. Het eerste regelt de aanspraak op verstrekkingen. Dat sluit geheel aan bij de plaatsing in hoofdstuk 1. Het tweede (de bekostiging) ziet op een geheel andere problematiek en is inhoudelijk heel anders vormgegeven met de keuze voor de pensioenstaat als (absoluut) uitgangspunt. Dat sluit aan bij de titel van de afdeling binnen hoofdstuk 1 van titel III die ziet op de specifieke situatie van gepensioneerden: “Afdeling 4, Aanvragers van een pensioen of rente”. Voor de interpretatie van het specifieke in geschil zijnde onderdeel is het aansluiten bij die afdelingstitel dus veel meer voor de hand liggend dan een aansluiting bij het opschrift boven het hoofdstuk waarbinnen het is geplaatst.

4.3.11. Ook eisers verwijzing naar de studie van prof. Pennings baat hem niet. Daarin wordt het arrest Sulo Rundgren van het Hof in het geheel niet genoemd. De conclusie dat bij de toepassing van artikel 28, tweede lid, van de Verordening gaat om de staat waar betrokkene het langst verzekerd is geweest voor ziektekosten, is in die studie verder ook niet van enige argumentatie voorzien.

4.3.12. Uit het vorenoverwogene blijkt dat er geen aanleiding bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen als door eiser gesuggereerd.

4.3.13. Verweerder stelt dat de laatste term “wettelijke regeling” in artikel 28 van de Verordening overeenkomstig de in artikel 1 van de Verordening gegeven definitie dient te worden uitgelegd als het gehele wettelijke sociale zekerheidsstelsel.

De rechtbank volgt verweerder niet in die brede uitleg. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot doel en context van artikel 28 van de Verordening wordt naar het oordeel van de rechtbank (binnen het gehele wettelijke sociale zekerheidsstelsel) specifiek gedoeld op de wettelijke pensioenregelingen. De mogelijke relevantie van andere wettelijke regelingen is door verweerder overigens ook niet onderbouwd.

5. Conclusie

5.1. Hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke en kenbare motivering. Dat besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

5.2. Nu eiser in Nederland gedurende meer tijdvakken voor ouderdomspensioen verzekerd is geweest dan in Finland (en Groot-Brittannië), is Nederland de lidstaat voor wiens rekening de verstrekkingen op grond van ‘ziekte en moederschap’ aan eiser komen. Eiser is dan ook op grond van artikel 33, eerste lid, van de Verordening (en de Zvw) een bijdrage verschuldigd en verweerder is gerechtigd die in te houden op het pensioen van eiser.

De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand laten.

5.3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken van kosten van aan eiser door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, noch van andere in aanmerking te nemen kosten als genoemd in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.4. Verweerder dient wel aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- laat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht ad € 39,- (lees: negenendertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Tijselink, voorzitter, en H.J.M. Baldinger en S.J. Riem, rechters, in aanwezigheid van P.H. Broier, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2010.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB