Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL6903

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
AWB 09/3060 WRB en 09/5374 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wanneer verweerder zich op het standpunt stelt dat sprake is van een feitelijk en/of juridisch complexe zaak, maar niet geheel met de begroting instemt, dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank te motiveren met welk deel van de begroting niet wordt ingestemd en om welke reden. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd waarom de begrotingen van de tijdbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten extra werkzaamheden niet volledig zijn goedgekeurd en waarom 15 uur extra per zaak in redelijkheid voldoende zou zijn om de zaken te behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 09/3060 WRB en 09/5374 WRB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

kantoorhoudend te Amsterdam,

eiser,

gemachtigde: mr. E.J.W. Verhaagh,

en

de Raad voor Rechtsbijstand,

verweerder,

gemachtigde mr. E.J.W. Reijnders.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2009 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser om meer uren te mogen besteden in de strafzaak met toevoegnummer 4HE7691/A afgewezen.

Bij besluit van 21 februari 2009 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiser om meer uren te mogen besteden in de strafzaak met toevoegnummer 4HB8032 afgewezen.

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft verweerder, conform het advies van de bezwarencommissie, primair besluit I herroepen en toestemming verleend voor besteding van 15 extra uren aan de zaak met toevoegnummer 4HE7691/A (bestreden besluit I).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (geregistreerd met nummer AWB 09/3060 WRB).

Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft verweerder, conform het advies van de bezwarencommissie, primair besluit II herroepen en toestemming verleend voor besteding van 15 extra uren aan de zaak met toevoegnummer 4HB8032 (bestreden besluit II).

Ook tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld (geregistreerd met nummer AWB 09/5374 WRB).

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken ter zitting behandeld op 16 februari 2010.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en standpunten

1.1. In bestreden besluit I heeft verweerder overwogen dat op grond van hetgeen eiser omtrent de redenen van bewerkelijkheid van de zaak heeft aangevoerd, in onderling verband en samenhang bezien, in redelijkheid niet kan worden verwacht dat de rechtsbijstand binnen de forfaitaire tijdsgrens kan worden verleend. Daarbij noemt verweerder met name het feit dat van de afgelegde verklaring van de dochter van de politiefunctionaris geen proces-verbaal is opgemaakt en op grond hiervan een onderzoek moest worden gestart en getuigen dienden te worden gehoord. Verweerder is van oordeel dat objectief gezien een aantal van 15 extra uren in redelijkheid voldoende is om de zaak te behandelen.

1.2. In beroep heeft eiser aangevoerd dat aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een bewerkelijke zaak waaraan hij – samen met zijn voorganger – in redelijkheid 54 uren heeft besteed. Er had daarom volgens eiser toestemming voor 30 extra uren verleend moeten worden. Eiser wijst op de omvang van het dossier, de veelheid aan juridisch relevante (ten laste gelegde) feiten, de omstandigheid dat de verdachte deels ontkende, de omstandigheid dat van de afgelegde ontlastende verklaring van de partner van eiser – de dochter van een politiefunctionaris – geen proces-verbaal was opgemaakt, de vele getuigenverhoren en het aantal en de omvang van de zittingen. De gemaakte kosten van rechtsbijstand zijn volgens eiser proportioneel gezien het feit dat het om ernstige strafbare feiten ging met een hoge gevangenisstrafbedreiging bij een ontkennende verdachte die niet eerder in zijn leven in een gevangenis had gezeten. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom 15 extra uren toereikend moet worden geacht, en waarom de 30 uren die extra zijn besteed niet noodzakelijk zouden zijn geweest.

1.3. In bestreden besluit II heeft verweerder overwogen dat eiser in zijn bezwaarschrift voldoende heeft onderbouwd en toegelicht dat en waarom de omstandigheden van deze zaak maakten dat de noodzakelijke rechtsbijstand niet verleend kon worden binnen de bandbreedte van het forfaitaire tijdsbestek. Aangetoond is volgens verweerder dat de zaak feitelijk complex is. Verweerder is van oordeel dat objectief gezien een aantal van 15 extra uren in redelijkheid voldoende is om de zaak te behandelen.

1.4. In beroep heeft eiser hiertegen aangevoerd dat aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een bewerkelijke zaak waaraan hij in totaal 111 uren heeft besteed. Aan hem had toestemming voor het besteden van 29,7 uren in plaats van 15 uren extra verleend moeten worden. Met betrekking tot de complexiteit van de zaak wijst eiser onder andere op de aard van de zaak, de omvang van het dossier, de duur van de procedure, het aantal getuigen en de vele foto’s en filmpjes waarvan de bestudering veel tijd vergde. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom 15 extra uren toereikend moet worden geacht, en waarom de 44,7 uren die extra zijn besteed niet noodzakelijk zouden zijn geweest.

2. Wettelijk kader

2.1. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr) wordt, indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan driemaal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits de raad voor rechtsbijstand (de raad) de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31 Bvr heeft goedgekeurd.

2.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Bvr, voor zover hier van belang, dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de tijdgrens een aanvraag in bij de raad tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. Ingevolge het tweede lid van dat artikel stemt de raad geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien hij van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

2.3. De rechtbank overweegt dat verweerder volgens het Handboek Vergoedingen 2000 (tweede druk, 2006; hierna: het Handboek Vergoedingen) als beleid hanteert dat de begroting van de tijdbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten extra werkzaamheden, bedoeld in artikel 31 van het Bvr 2000, wordt goedgekeurd, wanneer de zaak in vergelijking met andere soortgelijke zaken zodanig feitelijk en/of juridisch gecompliceerd is, dat de behandeling daarvan in redelijkheid niet binnen de tijdsgrens heeft kunnen plaatsvinden en alsnog de begrote tijd vergt. Een zaak is feitelijk gecompliceerd, indien zich een veelheid van juridisch relevante feiten voordoet.

2.3. In de door verweerder daarnaast als beleid gehanteerde Leidraad extra urenzaken worden de begrippen feitelijke en juridische complexiteit nader toegelicht.

3. Beoordeling

3.1. De rechtbank overweegt dat verweerder in beide bestreden besluiten op geen enkele wijze heeft gemotiveerd waarom de begrotingen van de tijdbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten extra werkzaamheden niet volledig zijn goedgekeurd en waarom 15 uur extra per zaak in redelijkheid voldoende zou zijn om de zaken te behandelen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat niet per post op de begrotingen is beoordeeld of deze al dan niet als doelmatig verleende rechtsbijstand kan worden aangemerkt, maar dat gelet op de complexiteit van de zaken is geoordeeld dat 15 extra uren in redelijkheid voldoende is. Hoe tot 15 uur is gekomen, heeft de gemachtigde niet nader kunnen toelichten.

3.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de begroting, die een rechtsbijstandverlener op grond van artikel 31 van het Bvr moet overleggen, wel bij zijn besluitvorming dient te betrekken. Wanneer verweerder zich op het standpunt stelt dat sprake is van een feitelijk en/of juridisch complexe zaak, maar niet geheel met de begroting instemt, dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank te motiveren met welk deel van de begroting niet wordt ingestemd en om welke reden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende deugdelijk zijn gemotiveerd. De rechtbank zal daarom beide bestreden besluiten vernietigen.

3.3. Nu de regelgeving en het beleid verweerder een zekere beoordelingsvrijheid bieden ten aanzien van de afhandeling en beoordeling van bewerkelijke zaken zal de rechtbank niet zelf in de zaken voorzien. Verweerder zal nieuwe besluiten op de bezwaren van eiser dienen te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3.4. Nu de beroepen gegrond zullen worden verklaard dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. Verder ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser die forfaitair worden begroot op 1 punt à € 322 voor het beroepschrift tegen bestreden besluit I, 1 punt à € 437 voor het beroepschrift tegen bestreden besluit II en 1 punt à € 437 voor de zitting.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I en het bestreden besluit II;

- draagt verweerder op binnen 3 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren tegen primair besluit I en primair besluit II met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 82 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1196, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.W. Speksnijder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB