Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL6821

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
AWB 10-268 WRO en AWB 10-269 WRO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO2705, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en binnenplanse ontheffing voor balkons. Afwijking van negatief welstandsadvies is voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10/268 WRO en AWB 10/269 WRO

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaatss],

verzoeker,

gemachtigde mr. H.A.M. Lamers,

en

het dagelijks bestuur van stadsdeel Oud-Zuid van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. S.C.H. Overwater-Fiedeldeij.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder]., gevestigd te [woonplaats],

vergunninghouder,

vertegenwoordigd door mr. K.R. Pauw.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 22 december 2009 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2010.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. Namens vergunninghouder is verschenen [vergunninghouder], bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. De rechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzetten. De rechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1. Bij besluit van 6 mei 2009 heeft verweerder aan vergunninghouder bouwvergunning verleend voor het maken van balkons aan de achtergevel ter hoogte van de tweede en vierde verdieping van het gebouw [adres 1]. Daarbij is tevens ontheffing verleend als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro), in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder e, van de voorschriften bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Noord-Zuidlijn” (hierna: planvoorschriften).

2.2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.3. Op 1 juli 2009 heeft vergunninghouder gewijzigde bouwtekeningen ingediend, waarop privacyschermen op het balkon op de tweede verdieping zijn ingetekend.

2.4. De welstandscommissie heeft met betrekking tot het gewijzigde bouwplan op

20 juli 2009 als volgt geadviseerd:

Bezwaar. Door het dichtzetten van de zijkanten is het volume geen ondergeschikte toevoeging meer. Het balkon verliest zijn transparantie en wordt een pregnant zichtbaar object.

2.5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, ondanks het negatieve welstandsadvies, het besluit van 6 mei 2009 in stand gelaten, met dien verstande dat bouwvergunning wordt verleend voor het gewijzigde bouwplan conform de bouwtekeningen van 1 juli 2009.

3.1. Verzoeker stelt in beroep dat verweerder niet aan het negatieve welstandsadvies mocht voorbijgaan. Het balkon wordt door de privacyschermen dichtgezet, wat grote ruimtelijke gevolgen heeft. Verweerder heeft de belangen van verzoeker onvoldoende meegewogen. De privacyschotten zorgen voor een ernstige verkokering op het perceel van verzoeker en ontnemen daaraan licht en lucht.

4.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels: van bij het plan aan te geven regels ontheffing kunnen verlenen

4.2. Ter plaatse is van kracht het bestemmingsplan “Noord-Zuidlijn”. Ingevolge de plankaart behorende bij dit bestemmingsplan rust op de betrokken gronden de bestemmingen “Ondergronds railtracé waarboven woningen” en “Ondergronds railtracé waarboven tuinen”.

4.3. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming “Ondergronds railtracé waarboven tuinen” aangewezen voor - voor zover hier van toepassing - bovengronds tuinen en erven. Op grond van artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften mag op gronden met deze bestemming uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, met dien verstande dat bovengronds slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan.

4.4. Ingevolge artikel 20, aanhef en onder e, van de planvoorschriften is het dagelijks bestuur bevoegd vrijstelling van de voorschriften van het bestemmingsplan te verlenen in dier voege dat de bebouwingsgrenzen en/of bestemmingsgrenzen worden overschreden met ten hoogste 2 meter ten behoeve van balkons, erkers, buitentrappen, bordessen, galerijen, lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte delen van al dan niet binnen het plangebied gelegen gebouwen.

4.5. In de “Beleidsregels voor de toepassing van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening” (hierna: Beleidsregels) van verweerder is onder 7 bepaald dat voor balkons aan de hoofdbebouwing ontheffing wordt verleend indien:

a. deze zich bevinden aan de achterzijde van de oorspronkelijke achtergevel van de hoofdbebouwing;

b. de balkons maximaal 2 meter diep zijn, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel;

c. de privacy van omwonenden voldoende gewaarborgd blijven.

5.1. De rechter stelt allereerst vast dat verzoeker als belanghebbende moet worden aangemerkt, aangezien hij - als huurder – de begane-grondverdieping van het pand aan de [adres 2] bewoont. Ter zitting heeft verzoeker een uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker op genoemd adres woont.

5.2. Vergunninghouder heeft een gewijzigd bouwplan ingediend. Met verweerder is de rechter van oordeel dat de wijziging van het bouwplan, bestaande uit het aanbrengen van privacyschotten, van ondergeschikte aard is, zodat deze door verweerder in het bestreden besluit kon worden meegenomen.

5.3. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat zijn bezwaren zich alleen richten tegen het balkon op de tweede verdieping. Voorts heeft verzoeker aangegeven dat hij bezwaar heeft tegen het balkon, zowel met als zonder privacyschotten.

5.4.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d van de Woningwet, voorzover van belang, moet de bouwvergunning worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de welstandsnota, tenzij verweerder van oordeel is dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend. Het afwijken van een welstandsadvies is een besluit waarbij aan verweerder beoordelingsvrijheid toekomt, zodat de rechter de afweging van verweerder slechts terughoudend kan beoordelen.

5.4.2. Verweerder is in dit geval afgeweken van het negatieve welstandsadvies omdat verweerder een positieve grondhouding heeft ten aanzien van het mogelijk maken van buitenruimtes bij appartementen in de (krappe) binnenstad en een zwaarder gewicht toekent aan het belang van de bewoner(s) van een verdieping bij een buitenruimte dan aan het belang van derden aan privacy, te meer waar die privacy in buitenruimten in de binnenstad toch al beperkt is. Dit geldt zeker voor de tuin van verzoeker, die aan drie zijden wordt ingeklemd door bebouwing zodat al sprake is van een situatie waarin andere omwonenden op de tuin uitkijken. Verweerder meent dat de strikte toepassing van de welstandseisen daarvoor moet wijken. Verweerder heeft voorts overwogen dat zonder de plaatsing van de privacyschermen een afstand van twee meter tot de erfgrens dient te worden aangehouden, hetgeen er toe leidt dat in een dichtbebouwde omgeving als de onderhavige het praktisch nauwelijks mogelijk zou zijn om een balkon met een redelijke grootte te realiseren. Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder hiermee deugdelijk gemotiveerd waarom van het welstandsadvies is afgeweken.

5.5. Het betoog van verzoeker dat verweerder de belangen van verzoeker niet deugdelijk heeft afgewogen slaagt evenmin. Verweerder heeft mede aan de hand van ter zitting getoonde foto’s erop gewezen dat de privacy in de achtertuin van verzoeker reeds beperkt is omdat derden reeds op de tuin uitkijken. De stelling van verzoeker dat zijn privacy nu niet reeds wordt aangetast omdat de bewoners boven zijn appartement goede kennissen zijn en altijd met hun rug naar het raam zitten neemt niet weg dat de privacy van verzoeker in zijn tuin reeds beperkt is.

Voorts wordt de privacy van verzoeker niet onevenredig aangetast door het balkon, aangezien er na plaatsing van het privacyscherm geen sprake is van rechtstreeks uitzicht op de tuin van verzoeker.

Voor wat betreft de licht- en luchttoetreding heeft verweerder erop gewezen dat het balkon op de tweede verdieping van het aangrenzende pand wordt gerealiseerd, dus niet pal boven de begane grondverdieping waar verzoeker woont. Bovendien bevindt het balkon zich ten oosten van de woning van verzoeker en is het aan de noordkant van de woning gelegen, zodat niet aannemelijk is dat er sprake zal zijn van ernstige afname van zonlichttoetreding.

De rechter is van oordeel dat verweerder hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd dat het balkon geen onevenredige vermindering van privacy, licht en lucht in de tuin van verzoeker zal teweegbrengen.

5.6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak wijst de rechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.

5.7. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

17 februari 2010.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen, voor zover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak (reg.nr. AWB 10/269 WRO) een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na de datum van toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB