Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL6816

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
AWB 10-242 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om buiteninvorderingstelling van lesgeld bij IBG. Ook als iemand niet tot de doelgroep van de door de IBG vastgestelde beleidsregel behoort, moet worden bezien of op basis van artikel 9b van de Les- en cursusgeldwet (LCW) buiteninvorderingstelling of kwijtschelding van het lesgeld kan worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/242 WET

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. A. Caddeo,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IBG),

verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 8 juni 2009 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2010.

Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is – met kennisgeving – niet verschenen.

Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

2.1. Verzoeker heeft verweerder op 7 augustus 2008 verzocht om buiteninvorderingstelling van het lesgeld voor het schooljaar 2008-2009.

2.2. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat niet is gebleken dat verzoeker op de datum van inschrijving, 1 augustus 2008, rechtmatig in Nederland verbleef als bedoeld in artikel 8, onder f, g, h, j, of k, van de Vreemdelingenwet . Verzoeker voldoet daardoor niet aan de in artikel 2 van de Beleidsregel buiteninvorderingstelling lesgeld asielzoekers en bepaalde categorieën vreemdelingen (de beleidsregel) gestelde voorwaarde voor toepassing van de in artikel 9b van de Les- en cursusgeldwet (LCW) neergelegde hardheidsclausule. Verweerder heeft op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht afgezien van het houden van een hoorzitting.

2.4. Bij brief van 15 januari 2010 heeft de deurwaarder in opdracht van verweerder verzoeker bericht dat beslag gelegd zal worden op zijn roerende zaken indien verzoeker niet uiterlijk 20 januari 2010 een bedrag van € 700 voldoet.

2.5. Verweerder heeft bij brief van 26 januari 2010 aangevoerd dat verzoeker niet tot de doelgroep van de beleidsregel behoort, omdat uit de Gemeentelijke Basisadministratie blijkt dat verzoeker per 29 augustus 2007 geen verblijfstitel (meer) heeft.

3.1. Verzoeker heeft de rechter verzocht het bestreden besluit te schorsen in die zin dat het verweerder wordt verboden executoriale maatregelen dan wel vergelijkbare maatregelen te treffen zolang de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan op het beroep. Verzoeker heeft hiertoe aangevoerd dat de beslaglegging vexatoir is en nergens toe kan leiden, omdat verzoeker geen inkomsten en/of vermogen heeft. Verzoeker woont bij derden in, die last zullen ondervinden van de beslaglegging, waardoor de kans bestaat dat verzoeker door hen uit de woning zal worden gezet.

4.1. Ingevolge artikel 9b van de LCW kan de IBG voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

4.2. Ter invulling van de beleidsvrijheid die verweerder op grond van artikel 9b van de LCW toekomt, heeft zij de beleidsregel vastgesteld.

4.3. Volgens artikel 2 van de beleidsregel is de beleidsregel van toepassing op lesgeldplichtige vreemdelingen die a) op grond van artikel 8, onder f, g, h, j of k van de Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland verblijven en b) niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in het lesgeld op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten of de Wet studiefinanciering 2000.

5.1. In navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 februari 2008, te vinden op de website www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BD6083, is de rechter van oordeel dat de beleidsregel slechts op een deel van de in artikel 9b van de LCW gegeven bevoegdheid betrekking heeft, zodat verweerder, in het geval verzoeker niet tot de doelgroep van de beleidsregel zou behoren, afzonderlijk dient te bezien of op basis van artikel 9b van de LCW alsnog buiteninvorderingstelling of kwijtschelding van het lesgeld kan worden verleend. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder heeft onderzocht of aanleiding bestaat voor het toepassen van de hardheidsclausule buiten de beleidsregel om. Dientengevolge betwijfelt de rechter of het bestreden besluit in beroep zal standhouden.

5.2. Nu vaststaat dat verzoeker niet over inkomsten en/of vermogen beschikt, is de rechter van oordeel dat voorts niet valt uit te sluiten dat toepassing van de LCW in het geval van verzoeker zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5.3. Gelet hierop is de rechter van oordeel dat het belang van verzoeker bij het treffen van een onverwijlde voorziening, gelegen in het voorkomen van executoriale maatregelen dan wel vergelijkbare maatregelen, zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van het besluit.

5.4. Gelet hierop dient het verzoek te worden toegewezen en zal het bestreden besluit worden geschorst.

5.5. Verweerder wordt opgedragen het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden. Voorts wordt verweerder veroordeeld in de kosten die verzoeker voor de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 874,-

(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

€ 437,- per punt).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 150 (honderdvijftig euro) aan verzoeker dient te betalen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van verzoeker van deze procedure tot een bedrag van € 874 (achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

17 februari 2010.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB