Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL6806

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
AWB 09-620 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek terug te komen van eerder besluit. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Psychische gesteldheid van eiser en evidente onjuistheid van eerder besluit niet relevant voor een beoordeling in het kader van artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/620 ZW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. P. Goettsch

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde].

1. Procesverloop

Op 20 maart 2008 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek de ingangsdatum en het dagloon op basis waarvan aan hem vanaf 11 oktober 2005 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is toegekend, met terugwerkende kracht te herzien. Tegen het uitblijven van een beslissing op dit verzoek is namens eiser bij brief van 19 mei 2008 bezwaar ingesteld.

Bij besluit van 12 januari 2009 (hierna ook te noemen: het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek om het ZW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien en de eerste datum van de ziekte te vervroegen, afgewezen. Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

Bij besluit van 4 november 2005 heeft verweerder aan eiser met ingang van 11 oktober 2005 een ZW-uitkering toegekend naar een dagloon van € 74,77 bruto in verband met zijn ziekmelding met ingang van 12 oktober 2004. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van eiser van 20 maart 2008 strekt ertoe dat verweerder van dit eerdere besluit terugkomt voor wat betreft de vaststelling van het dagloon en de eerste ziektedag.

Eiser is met ingang van 10 oktober 2006 grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) een zogeheten WGA-uitkering toegekend naar een dagloon van € 65,03. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Daarbij heeft eiser loonstroken overhandigd. Op grond van deze informatie heeft verweerder bij besluit van 21 december 2007 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het WIA-dagloon vastgesteld op € 115,69.

2.1 Standpunten partijen

2.1.1. Het verzoek om herziening met terugwerkende kracht van de ZW-uitkering die eiser vanaf 11 oktober 2005 heeft ontvangen, is door verweerder aangemerkt als een verzoek om terug te komen op de inmiddels onherroepelijk geworden beslissing van 4 november 2005. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de omstandigheid dat het WIA-dagloon in een bezwaarprocedure is verhoogd niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

2.1.2. Eiser meent dat de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit hem desondanks niet kan worden tegengeworpen. Allereerst omdat hij vanwege ernstige psychische problemen destijds niet in staat was zijn belangen te behartigen en tijdig tegen het besluit van 4 november 2005 bezwaar te maken. Eiser heeft tevens aangegeven dat hij eerder telefonisch heeft aangegeven dat het ZW-dagloon onjuist is vastgesteld. Eiser is van mening dat er in zijn geval aanleiding is om artikel 4:6 van de Awb te passeren, omdat duidelijk blijkt dat de aanvankelijke beslissing niet juist kán zijn. Eiser stelt dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, omdat hij alle juiste loongegevens heeft kunnen overleggen waarover hij ten tijde van de beslissing op het ZW-dagloon niet kon beschikken.

2.2 Wettelijk kader

2.2.1. De rechtbank stelt voorop dat van een belanghebbende die een bestuursorgaan verzoekt om van een eerder genomen besluit terug te komen mag worden verlangd dat hij bij dit verzoek dan wel bij de indiening van het bezwaarschrift nieuw gebleken feiten en omstandigheden vermeldt die het terugkomen op het eerdere besluit rechtvaardigen. Wanneer dit laatste achterwege wordt gelaten, kan het bestuursorgaan het verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit.

2.3 Beoordeling

2.3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ter onderbouwing van zijn verzoek geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden aangedragen.

2.3.2. Het standpunt van eiser dat hij destijds in het geheel niet meer in staat was zijn belangen zelf te behartigen of door een ander te doen of laten behartigen is niet relevant voor een beoordeling in het kader van artikel 4:6 van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juli 2007, 05/5420 WAO, LJN BA9628). Daarvoor is evenmin relevant de stelling dat eiser telefonisch heeft aangegeven dat het ZW-dagloon onjuist is vastgesteld.

2.3.3. De rechtbank merkt voorts op dat de (evidente) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol speelt bij de vraag of toepassing gegeven mag worden aan artikel 4:6 van de Awb. Het gaat er in de thans aanhangige procedure uitdrukkelijk niet om of destijds het dagloon op grond van de juiste gegevens is vastgesteld.

2.3.4. De rechtbank acht het onaannemelijk dat eiser ten tijde van belang niet kon beschikken over de loonstroken die aan hem persoonlijk waren gericht. Voor zover eiser destijds nog niet over alle thans aanwezige loonstroken kon beschikken, merkt de rechtbank op dat het voor risico van eiser dient te komen dat hij deze loonstroken destijds kennelijk niet heeft opgevraagd en dus met deze informatie toen nog niet bekend was.

2.3.5. De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding is om terug te komen op het besluit van 4 november 2005.

2.3.6. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of veroordeling van verweerder tot vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.J. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van B.O. Schaafsma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2010.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B