Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL6798

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
08-03-2010
Zaaknummer
13-999166-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zij binnen de territoriale wateren van Nederland en/of te Vlissingen, al dan niet opzettelijk gasolie met een te hoog zwavelgehalte heeft gebruikt. De aanduiding “binnen de territoriale wateren” is ongenoegzaam om te kunnen vaststellen of de rechtbank Amsterdam tot kennisneming van het feit bevoegd is. De plaatsaanduiding in de dagvaarding voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 261 Sv, zodat de dagvaarding nietig moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/999166-08

Datum uitspraak: 19 februari 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de economische politierechter, in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd op het adres [adres] (Bondsrepubliek Duitsland).

De economische politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 november 2009 en 5 februari 2010.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 12 januari 2008, binnen de territoriale wateren van Nederland en/of te Vlissingen, al dan niet opzettelijk gasolie en/of gasolie voor de zeescheepvaart heeft gebruikt voor de (hulp)motor(en) van haar onder de vlag van [A & B] varend motorschip genaamd "[motorschip]", met een zwavelgehalte van 0,164 % massa althans meer dan 0,10 % massa;

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging gebezigd in de zin van de Wet inzake de luchtverontreiniging en het Besluit zwavelgehalte brandstoffen.

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding.

Krachtens artikel 261 Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd met, voor zover hier van belang, vermelding waar ter plaatse het begaan zou zijn.

Die opgave is niet alleen van belang voor de verdachte, opdat deze kan weten om welke gedraging het gaat en voor de vraag of het ten laste gelegde kan worden bewezen, maar kan ook een rol spelen bij de beantwoording van de vraag welke rechter bevoegd is van de zaak kennis te nemen.

Dit betekent dat de dagvaarding een zo nauwkeurige opgave van de plaats waar het ten laste gelegde zou zijn begaan moet bevatten, dat de rechter bij wie het feit is aangebracht, voor zover zijn bevoegdheid niet op andere gronden kan berusten, aan de hand van die opgave moet kunnen vaststellen of hij tot kennisneming van het feit bevoegd is.

In de onderhavige zaak is als plaatsaanduiding waar het feit zou zijn begaan, opgenomen: “Binnen de territoriale wateren van Nederland en/of Vlissingen”.

Nu de verdachte geen woon- of verblijfplaats had of heeft gehad in het arrondissement Amsterdam, of zich daar bevond, geen vervolging ter zake een ander feit tegen de verdachte is aangevangen voor de rechtbank Amsterdam, en de dagvaarding niet stelt dat het feit is begaan binnen het rechtsgebied van de rechtbank Amsterdam, of dat het feit gepleegd werd aan boord van een vaartuig dat buitengaats werd gebracht, kan ingevolge artikel 2 Sv de bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam slechts aan de orde zijn indien het feit begaan is ter zee, buiten het rechtsgebied van een rechtbank.

Uit de plaatsbepaling in de dagvaarding kan dat echter niet worden vastgesteld of het feit buiten het rechtsgebeid van een rechtbank heeft plaatsgevonden. Het kan overigens ook niet worden uitgesloten.

Weliswaar zijn de territoriale wateren van Nederland de zee, maar daarmee staat nog niet vast dat de pleegplaats gelegen is buiten het rechtsgebied van een rechtbank. De Wet regeling provincie- en gemeentegrenzen langs de Noordzeekust van Den Helder tot en met Sluis en wijziging van de Financiële-Verhoudingswet 1984, laatstelijk gewijzigd bij wet van 2 november 1990, houdt immers in dat van de Noordzee delen gemeentelijk zijn ingedeeld bij de kustgemeenten. Gemeentelijke indeling brengt met zich mee dat het betreffende gebied valt binnen het rechtsgebied van de rechtbank waarbinnen de gemeente valt (Wet op de rechterlijke indeling, artikelen 2, 5, 7, 9 en 11) .

De aanduiding “binnen de territoriale wateren” is zodoende ongenoegzaam om te kunnen vaststellen of de rechtbank Amsterdam tot kennisneming van het feit bevoegd is.

De plaatsaanduiding in de dagvaarding voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 261 Sv, zodat de dagvaarding nietig moet worden verklaard.

De economische politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

Verklaart de dagvaarding nietig.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, economische politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. L.M. Kroon, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de economische politierechter van 19 februari 2010.