Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL6113

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
AWB 09-5377 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand; eisers zijn niet gelijk te stellen met een Nederlander; door het COA aan eisers aangeboden woonvoorziening voor de minderjarige kinderen niet passend en toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/5377 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eisers],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde: mr. J. van Bennekom,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde].

1. Procesverloop

Bij primair besluit van 20 april 2009 heeft verweerder de aanvraag van eisers van 26 februari 2009 om bijstand voor het gezin op grond van de Wet werk en Bijstand (hierna: WWB) afgewezen. Eisers hebben tegen deze afwijzing op 7 mei 2009 bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 7 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam (reg.nr.: AWB 09/2948 WWB) het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, hangende de bezwaarprocedure tegen het primaire besluit tot afwijzing van de bijstandsuitkering, afgewezen.

Bij het bestreden besluit van 17 november 2009 is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is namens eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2010. Eiser is verschenen bijgestaan door

mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. Overwegingen

Eisers zijn in 2001 vanuit Afghanistan naar Nederland gekomen. De kinderen zijn in 2001 respectievelijk 2004 geboren. In 2004 is de asielaanvraag van het gezin afgewezen en vervolgens is het gezin in mei 2005 uit de COA-opvang gezet. Sedertdien woont het gezin in [woonplaats].

Tussen partijen is niet in geding dat eisers en hun kinderen vreemdeling zijn in de zin van artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000.

2.1 Standpunten partijen

2.1.1. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard op basis van een advies van de Commissie Bezwaarschriften Kamer II, waarop verweerder zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd. Eisers zijn vreemdeling in de zin van artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000, zodat zij niet op grond van het bepaalde in artikel 11, tweede lid of derde lid, van de WWB met een Nederlander gelijk worden gesteld. Voorts is gesteld dat onverkorte toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB in het geval van eisers niet in strijd is met het IVRK, omdat eisers aanspraak hebben op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) welke wordt beschouwd als een voorliggende voorziening. Verweerder acht de door het COA aan eisers aangeboden voorziening in de vorm van huisvesting, passend en toereikend, ook indien deze huisvesting niet nabij [woonplaats] plaats kan vinden.

2.1.2. Eisers hebben verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2006, waarin is uitgesproken dat ook al stond het koppelingsbeginsel daaraan in de weg toch ten behoeve van de kinderen een uitkering diende te worden verstrekt. Eisers stellen voorts dat de door het COA geboden huisvesting ongewenst is en niet in het beste belang van de kinderen. Zij hebben gesteld dat de familie in [woonplaats] het middelpunt van bestaan heeft, maar erg kwetsbaar en afhankelijk van hulp zijn. De hulp wordt hun gegeven in de gemeente [woonplaats]. Het zou erg slecht zijn als zij zouden moeten verhuizen. Eisers hebben overgelegd brieven van de huisarts, van de regiomanager van Versa Welzijn, van een medewerker van de Dagbehandeling Jongere Jeugd 't Gooi, van het Orthopedagogisch Centrum Trompendaal en van de directie van de Da Costaschool.

2.2 Wettelijk kader

2.2.3. In artikel 11, eerste lid, WWB is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

In het tweede lid is bepaald dat met de Nederlander bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

In het derde lid van artikel 11 WWB is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander kunnen worden gelijkgesteld:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig verblijf in Nederland hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

2.2.4. In het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna: het Besluit gelijkstelling vreemdelingen) is bepaald in artikel 1, eerste lid, - voorzover hier van belang - dat voor de toepassing van de WWB met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l van de Vreemdelingenwet 2000.

In het tweede lid is bepaald dat de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:

a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist of

b de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

2.2.5. In artikel 15 van de WWB is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

2.3 Beoordeling

2.3.1. Mede gezien de uitleg van eisers gemachtigde ter zitting begrijpt de rechtbank de aanvraag van eisers om bijstand van 25 februari 2009 aldus dat deze niet slechts ertoe strekte dat in aanvulling op de uitkering van het COA de woonkosten uit de WWB worden voldaan, maar dat subsidiair, voor het geval gezinsbijstand niet mogelijk zou zijn, de woonkosten ten behoeve van de kinderen worden toegekend.

2.3.2. Tussen partijen is niet in geding dat eisers en hun kinderen vreemdeling zijn in de zin van artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000, zodat zij niet op grond van het bepaalde in artikel 11, tweede lid of derde lid, van de WWB juncto de bepalingen van het Besluit met een Nederlander gelijk worden gesteld.

2.3.3. De rechtbank overweegt dat de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), reeds meerdere malen, onder andere op 26 juni 2001 (LJN AB2276), heeft geoordeeld dat de in de koppelingswetgeving neergelegde doelstelling, te weten het wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen, met het oog op het voeren van een consistent vreemdelingenbeleid aanvaardbaar is en dat dit ook geldt voor toepassing van het koppelingsbeginsel op vreemdelingen die toelating tot Nederland hebben verzocht en de beslissing op dit verzoek in Nederland mogen afwachten.

2.3.4. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor bijstand. Het primaire betoog van eisers faalt derhalve.

2.3.5. Met betrekking tot de weigering van verweerder om een woonkostenuitkering ingevolge de WWB ten behoeve van de kinderen te verstrekken, overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2006 heeft deze onder meer overwogen dat onverkorte toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB in het geval van minderjarige kinderen die rechtmatig in Nederland verblijven, in strijd is met – in het bijzonder - artikel 2 van het IVRK, mede gezien in samenhang met de artikelen 3 en 27 van het IVRK.

2.3.6. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) is bepaald dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) is belast met het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor een minderjarige vreemdeling die, samen met tenminste één ouder of verzorger, rechtmatig in Nederland verblijft, maar aan wie (nog) geen verblijfsvergunning is verleend.

2.3.7. Partijen zijn het er over eens dat de Rvb een voorliggende voorziening is in de algemene bestaansvoorwaarden. De Rvb voorziet echter niet in de dekking van de woonkosten. De rechtbank gaat ervan uit dat niet in geschil is dat de kinderen van de maandelijkse toelage van de Rvb niet in de woonkosten kunnen voorzien. In geschil is de vraag of de door het COA aan eisers aangeboden woonvoorziening passend en toereikend is.

2.3.8. Verweerder heeft gesteld dat eisers om hen moverende redenen ten tijde van de aanvraag geen gebruik wilden maken van de in AZC Crailo aangeboden woonvoorziening. Daaraan doet volgens verweerder niet af dat blijkens de hierna genoemde brief van 1 december 2009 er kennelijk inmiddels geen plaats meer voor het gezin van eisers is in AZC Crailo. Namens eisers is ter zitting gezegd dat zij geen aanbod hebben afgewezen; eisers zijn administratief gezien ingeschreven in AZC Crailo, maar een woonvoorziening is hun in AZC Crailo niet aangeboden. De rechtbank stelt vast dat in de rapportage van 15 april 2009 op de derde bladzijde wordt vermeld dat [persoon 1] aan verweerder heeft bevestigd dat de [eisers] nog steeds op eigen verzoek in [woonplaats] verblijft; zij hebben zelf te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van de woonvoorziening die de COA hun aanbiedt, maar kunnen op ieder moment aangeven dat zij wel van een aangeboden woonvoorziening gebruik willen maken en de COA zal hun dan woonruimte aanbieden, aldus [persoon 1]. De rechtbank kan uit het hiervoor vermelde niet afleiden dat aan eisers woonruimte in AZC Crailo is aangeboden, maar slechts dát er desgewenst een woonvoorziening op een niet nader aangeduide locatie zal worden aangeboden.

2.3.9. In een brief van 1 december 2009 heeft [persoon 1], programmabegeleider van het COA, het volgende meegedeeld:

“Gezien de fase waarin de [eisers] zich bevindt, kan ik hun niet terugplaatsen op AZC Crailo. Dit omdat AZC Crailo een oriëntatie en inburgering locatie is. Het COA beschikt niet over een terugkeer locatie in de omgeving van de school waar de kinderen van de [eiser] gaan. Indien de [eiser] geen gebruik meer wil maken van zijn huidige administratief plaatsing, dan kan ik hem en zijn familie terugplaatsen op de terugkeer locatie in Limburg.”

Gelet op deze informatie concludeert de rechtbank dat huisvesting door het COA niet in het nabij [woonplaats] gelegen Crailo plaats kan vinden.

2.3.10. Namens eisers is, ten aanzien van de door het COA aangeboden huisvesting in Limburg, gewezen op de verklaringen van de kring van hulpverleners rond het gezin. De rechtbank wijst met name op de inhoud van de brief van 1 december 2009 van [ maatschappelijk werkster] maatschappelijk werkster / gezinsbegeleidster OC ’t Gooi:

“Mijn inziens is het voor de kinderen, met name [kind], zeer schadelijk te verhuizen, helemaal naar een AZC. Dit omdat [kind] al geruime tijd in een onzekere situatie leeft met zijn ouders. [kind] heeft eerder op een AZC gewoond en heeft daar een traumatische ervaring opgedaan welke jarenlang invloed heeft gehad op zijn welbevinden.

[……]

Middels intensieve thuisbegeleiding van ouders en de kinderen en middels de dagbehandeling van [kind], hebben ouders en [kind] (nét) voldoende veiligheid weten te creëren waardoor [kind] weer kan slapen.

[……]

Wanneer de kinderen nu zouden verhuizen naar een AZC wordt [kind] bevestigd in zijn gevoelens dat zijn ouders niet in staat zijn hem te beschermen waar nodig. Wanneer [kind] daarin wordt bevestigd zullen alle stappen vooruit die ouders en [kind] het afgelopen jaar hebben gemaakt teniet gedaan worden. En zal [kind] weer terugveranderen in een heel angstig kind dat vanuit zijn angst ongewenst gedrag laat zien. ”

2.3.11. Onder de onder punt 2.3.9. omschreven omstandigheden moet het naar het oordeel van de rechtbank ernstig worden betwijfeld of de door het COA aangeboden woonvoorziening in een AZC in Limburg in ieder geval voor [kind] passend en toereikend is. De rechtbank stelt vast dat de stelling van verweerder, dat de door het COA aangeboden huisvesting passend en toereikend is, slechts berust op de overweging dat eisers zelf verantwoordelijk zijn voor de financiële gevolgen van het zelfstandig elders wonen. In het primaire besluit noch in het besluit op bezwaar is aandacht besteed aan de vraag waarom de door het COA aangeboden huisvesting in het licht van de overgelegde verklaringen passend en toereikend is.

2.3.12. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep zal gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu verweerder zijn standpunt over de al dan niet passendheid van de aangeboden woonvoorziening nog helemaal niet heeft gemotiveerd, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaarschrift moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.3.13. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht met betrekking tot het beroep te vergoeden. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van eisers, welke zijn begroot op € 874,00 als kosten van verleende rechtsbijstand. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1), € 437,00 per punt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak een nieuwe beslissing neemt op de bezwaren van eisers met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,00 (zegge: eenenveertig euro) aan eisers vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eisers begroot op € 874,00 (zegge: achthonderd vierenenzeventig euro), te betalen door verweerder aan de griffier van de rechtbank .

Deze uitspraak is gedaan door C.J. Polak, rechter, in tegenwoordigheid van B.O. Schaafsma, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2010.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B