Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL5490

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
09.873
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking op grond van art. 36 Rv. Het verzoek is afgewezen. Het wrakingsverzoek heeft betrekking op een kantonrechter. Het verzoek berust op de gedachte dat de rechter door de door hem ingenomen houding ter comparitie bevooroordeeld is. De rechter was niet op de hoogte van de stukken die verzoekers in het geding hadden gebracht. Verzoekers kregen amper de kans om te reageren op de zitting. De rechter heeft niet ter zake doende opmerkingen gemaakt en niet-relevante vragen gesteld. De rechter heeft laten blijken dat hij het eens is met de tegenpartij, terwijl de feiten waarop de vordering is gebaseerd, nog niet eens bewezen zijn. Volgens verzoekers blijkt hieruit dat zij geen eerlijk proces krijgen.

De rechtbank heeft overwogen dat de door verzoekers genoemde omstandigheden geen grond opleveren voor de vrees dat de rechter in dit geval de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen, dan wel dat het hem aan onpartijdigheid ontbreekt. Verzoekers hebben hun stellingen niet nader onderbouwd en zijn niet ter zitting verschenen om hun stellingen toe te lichten.

Het staat een rechter vrij op basis van het aan hem voorgelegde dossier en hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht tijdens een mondelinge behandeling, een voorlopige visie op de zaak te geven. Daardoor lijdt de rechterlijke onpartijdigheid nog geen schade. In het bijzonder kan daaruit niet worden afgeleid dat de rechter niet meer onpartijdig zal zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 147

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beschikking op het op 13 november 2009 gedane en onder rekestnummer 09.873 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[ ] en [ ],

wonende te [ ],

verzoekers,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

? het wrakingsverzoek met producties,

? het schriftelijk antwoord in de kantonprocedure,

? de aantekeningen van de griffier van de comparitie.

De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter open¬bare te¬recht¬zit¬ting van 21 januari 2010 alwaar de rechtbank de rechter heeft gehoord, bijgestaan door mr. [ ]. Verzoekers zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De uitspraak is bepaald op 28 januari 2010.

1. Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

a) Verzoekers zijn gedaagde partij in een bij de rechtbank onder rolnummer [ ] aanhangige zaak.

b) Op 9 november 2009 heeft in die zaak een comparitie plaatsgevonden. De uitspraak is bepaald op 8 december 2009.

c) Op 13 november 2009 hebben verzoekers een tot de rechter gericht verzoek tot wraking gedaan.

2. Het verzoek en de gronden daarvan

Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de navolgende - verkort - zakelijk weergegeven gronden:

2.1 Volgens verzoekers ontbreekt het de rechter aan de noodzakelijke onpartijdigheid.

Verzoekers vrezen dat de zaak jegens hen daardoor niet eerlijk (onafhankelijk en onpartijdig) zal

worden behandeld. Dat de rechter bevooroordeeld is, blijkt uit zijn houding op de comparitie waar zich bovendien ook een aantal onregelmatigheden heeft voorgedaan.

2.2 De rechter was niet op de hoogte van de stukken die verzoekers in het geding hadden gebracht. Verzoekers kregen amper de kans om te reageren op de zitting. De rechter maakte niet ter zake doende opmerkingen en stelde niet-relevante vragen. De rechter heeft laten blijken dat hij het eens is met de tegenpartij, terwijl de feiten waarop de vordering is gebaseerd, nog niet eens bewezen zijn. De rechter heeft verzoekers op een denigrerende, onrespectvolle en familiaire toon aangesproken. Volgens verzoekers blijkt hieruit dat zij geen eerlijk proces krijgen.

3. Het verweer van de rechter

3.1 De rechter heeft het verzoek bestreden. De rechter heeft aangevoerd dat zich geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor zijn onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2 Tijdens de comparitie was zijn toonzetting correct. Beide partijen hebben hun standpunt weergegeven. De houding van de rechter was onderzoekend en vragend en de behandeling van de zaak is ter comparitie geschorst voor overleg vanwege het door verzoekers gedane schikkingsvoorstel. Nadat de behandeling was hervat, heeft de rechter gezegd dat hij zou nadenken over een bewijsopdracht. Hij heeft ter comparitie dus geen oordeel over de vordering gegeven. Wel heeft hij enkele vragen gesteld aan verzoeker over diens mogelijke betrokkenheid bij de totstandkoming van de gestelde overeenkomst. De rechter heeft benadrukt dat hij toen niet heeft gezegd dat hij de vordering zou toewijzen.

3.3 De rechter heeft op de comparitie aan de zijde van verzoekers geen ergernis gevoeld of ervaren. Verzoekers maakten op hem een serieuze indruk en waren in staat om hun mening te verwoorden. Ook zijn griffier, die hem op de comparitie heeft bijgestaan, heeft dit bevestigd aldus de rechter.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal

de rechtbank het verzoek beoordelen.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoekster genoemde omstandigheden geen grond op voor de vrees dat de rechter in dit geval de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen, dan wel dat het hem aan onpartijdigheid ontbreekt. Het staat een rechter zelfs vrij op basis van het aan hem voorgelegde dossier en hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht tijdens een mondelinge behandeling, een voorlopige visie op de zaak te geven. Daardoor lijdt de rechterlijke onpartijdigheid nog geen schade. In het bijzonder kan daaruit niet worden afgeleid dat de rechter niet meer onpartijdig zal zijn.

4.3 Verzoekers hebben hun stellingen niet nader onderbouwd en zijn niet ter zitting verschenen om hun stellingen toe te lichten.

5. Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken en evenmin gebleken is dat verzoekers hun zaak niet voldoende voor het voetlicht hebben kunnen brengen (integendeel, ook uit de aantekeningen van de griffier op de comparitie blijkt dat verzoekers voldoende aan het woord zijn geweest), dient het wrakingsverzoek als zijnde ongegrond te worden afgewezen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G :

De rechtbank:

? wijst het wrakingsverzoek af;

? bepaalt dat de zaak met het rolnummer [ ] wordt voortgezet in de

stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. F. Salomon, Y.A.A.G. de Vries en M.V. Ulrici, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.:

Tegen deze beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.