Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL5259

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
13.497.901-09 RK nummer: 09/7218
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verweer dat er door de Duitse justitiële autoriteiten ten onrechte geen terugkeergarantie ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt, slaagt niet. De opgeëiste persoon heeft geen ononderbroken, rechtmatig verblijf van minstens vijf jaren in Nederland gehad. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2009 in de zaak Wolzenburg (zaaknummer C-123/08) heeft dit tot gevolg dat hij niet met een Nederlander wordt gelijkgesteld en de Duitse justitiële autoriteiten geen terugkeergarantie behoeven te verstrekken.

Uit het dossier blijkt voorts dat de feiten waarvoor de justitiële autoriteiten in Duitsland de opgeëiste persoon willen vervolgen, gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat de overlevering op grond van artikel 13, eerste lid, van de OLW moet worden geweigerd en de officier van justitie niet in redelijkheid tot haar vordering op grond van artikel 13, tweede lid, van de OLW heeft kunnen komen. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat zij, marginaal toetsend, van oordeel is dat de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. In dit verband wordt overwogen dat het Openbaar Ministerie hier te lande het vervolgingsmonopolie heeft. Het feit dat er in Nederland ook een strafrechtelijk onderzoek is gestart, is geen reden om te concluderen dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Er bestaan voldoende aanknopingspunten met de Bondsrepubliek Duitsland, onder meer omdat vele van de mogelijk gedupeerden daar verblijven of zijn gevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.901-09

RK nummer: 09/7218

Datum uitspraak: 23 februari 2010

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 december 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op

12 oktober 2009 door de Oberstaatsanwalt van de Staatsanwaltschaft Köln (Bondsrepubliek Duitsland). Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedatum] 1952,

ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 februari 2010. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. A.W.T. Klappe, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Duitse taal.

De rechtbank heeft op de zitting voorts de termijn genoemd in artikel 22, eerste lid, van de OLW op grond van het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de OLW met 30 dagen verlengd. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat het zittingsrooster van de rechtbank dusdanig vol is dat de rechtbank niet binnen de termijn van 60 dagen uitspraak zal kunnen doen.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een Untersuchungshaftbefehl van het Amtsgericht Köln van 12 oktober 2009 ten grondslag, met Aktenzeichen 503 Gs 2414/09.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan 114 naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Duitse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 20 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Oplichting

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Verweren

5.1 Weigeringgrond als bedoeld in artikel 6 van de OLW

Door de opgeëiste persoon is, zakelijk weergegeven, betoogd dat er door de Duitse justitiële autoriteiten ten onrechte geen terugkeergarantie is verstrekt. De opgeëiste persoon is in Nederland geworteld en dient als zodanig met een Nederlander gelijkgesteld te worden. Hij verblijft immers al vanaf oktober 2005 in Nederland en heeft zich hier op 1 mei 2006 in de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) ingeschreven. Voorts heeft hij geen banden met Duitsland noch familie daar en heeft hij in Nederland een vriendin. Nu er geen terugkeergarantie is verstrekt, dient de overlevering te worden geweigerd.

Kort weergegeven heeft de officier van justitie hiertegen aangevoerd dat het verweer van de opgeëiste persoon niet kan slagen nu hij minder dan vijf jaar in Nederland verblijft en daarmee niet aan de materiële eisen van artikel 6 van de OLW voldoet. Een eventuele geworteldheid van de opgeëiste persoon in Nederland maakt dit niet anders.

De rechtbank overweegt als volgt.

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij zich sinds oktober 2005 in Nederland bevindt en dat hij zich op 1 mei 2006 heeft ingeschreven in de GBA. Hiermee heeft hij niet een ononderbroken, rechtmatig verblijf van minstens vijf jaren in Nederland gehad. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 oktober 2009 in de zaak Wolzenburg (zaaknummer C-123/08) heeft dit tot gevolg dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander wordt gelijkgesteld en de Duitse justitiële autoriteiten geen terugkeergarantie behoeven te verstrekken. Het verweer slaagt daarom niet.

5.2 Weigeringgrond als bedoeld in artikel 9 van de OLW

Ambtshalve vermeldt de rechtbank het navolgende.

Blijkens de brief van het IRC Amsterdam-Utrecht van 25 januari 2010 heeft de Nederlandse politie in het onderzoek naar de strafbare feiten waar de opgeëiste persoon en zijn medeverdachten van worden verdacht, nauw samengewerkt met de Duitse politie. Met de Duitse justitiële autoriteiten is afgesproken dat zij de vervolging van de opgeëiste persoon, die de Duitse nationaliteit heeft, ter hand zullen nemen, terwijl de Nederlandse verdachten in Nederland zullen worden berecht. Om overlevering ter fine van vervolging van de opgeëiste persoon in Duitsland mogelijk te maken, heeft de Minister van Justitie bij brief van 2 februari 2010 de opdracht gegeven om de vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland op grond van artikel 9, tweede lid, van de OLW te staken. Gelet hierop zijn er geen beletselen op grond van artikel 9 van de OLW voor de overlevering van de opgeëiste persoon aan de Duitse justitiële autoriteiten.

5.3 Weigeringgrond als bedoeld in artikel 13 van de OLW

Uit het dossier blijkt dat de feiten, bedoeld onder 4, waarvoor de justitiële autoriteiten in Duitsland de opgeëiste persoon willen vervolgen, gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd.

Artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond.

Zij heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

? de opsporing van de opgeëiste persoon alsmede de vervolging zijn in de Bondsrepubliek Duitsland aangevangen;

? in de Bondsrepubliek Duitsland is reeds een strafrechtelijk onderzoek naar de medeverdachten gaande en eventueel in Nederland aanwezig bewijs zal aan de Duitse justitiële autoriteiten worden overgedragen;

? de rechtsorde in de Bondsrepubliek Duitsland is rechtstreeks aangetast nu de mogelijke slachtoffers daar woonachtig zijn;

Gelet hierop is de overlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar.

Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat de overlevering op grond van artikel 13, eerste lid, van de OLW moet worden geweigerd om de navolgende redenen.

Het strafrechtelijk onderzoek is op 1 mei 2009 door het Openbaar Ministerie in Maastricht gestart, op basis van aangiftes door tien bedrijven uit 2008. Het dossier beslaat intussen vier ordners en er zijn huiszoekingen in Nederland gedaan. De bedrijven waarbij de opgeëiste persoon betrokken was zijn inmiddels failliet verklaard, waarbij een curator te Maastricht is benoemd.

De Nederlandse rechtsorde is geschokt. Alle betrokken firma’s waren in Nederland gevestigd, overeenkomsten zijn aangegaan naar Nederlands recht en eventuele conflicten dienen voor de Nederlandse rechter te worden gebracht. Voorts zijn er al civiele gedingen in Nederland gevoerd.

Onduidelijk is wanneer de Duitse justitiële autoriteiten een strafrechtelijk onderzoek hebben gestart.

Het bewijs bevindt zich in overwegende mate in Nederland, gelet op hetgeen reeds inzake het onderzoek hier te lande is meegedeeld.

De medeverdachten van de opgeëiste persoon, zeven in totaal, worden in Nederland berecht.

De benadeelden waarover het EAB spreekt, komen uit het klantenbestand van de firma van de opgeëiste persoon. Zij hebben niet alle aangifte gedaan en ook zijn het niet allemaal Duitse klanten; er zijn ook Belgische, Kroatische en Luxemburgse klanten.

Ten slotte is de brief van de Duitse justitiële autoriteiten van 26 januari 2010, waarin wordt aangegeven waarom de opgeëiste persoon in Duitsland moet worden vervolgd, buitengewoon summier.

De rechtbank overweegt als volgt.

Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

De rechtbank overweegt in dit verband dat het Openbaar Ministerie hier te lande het vervolgingsmonopolie heeft. Het feit dat er in Nederland ook een strafrechtelijk onderzoek is gestart, is geen reden om te concluderen dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Er bestaan voldoende aanknopingspunten met de Bondsrepubliek Duitsland, onder meer omdat vele van de mogelijk gedupeerden daar verblijven of zijn gevestigd. Gelet hierop dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, van de OLW bedoelde weigeringsgrond. Hetgeen namens de opgeëiste persoon voor het overige is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

6. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikelen 2, 5 en 7 van de OLW.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Oberstaatsanwalt van de Staatsanwaltschaft Köln ten behoeve van het in de Bondsrepubliek Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. J.W. Vriethoff en W.H. van Benthem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 23 februari 2010.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[C]