Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL4969

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
13.528350-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft twee verdachten veroordeeld tot gevangenisstraf van resp. 30 maanden en 4 jaar voor het bezit van grote hoeveelheden cocaïne en witwassen. Het gaat om politie-invallen in mei 2009 in Zuidoost waarbij personen via balkons probeerden te vluchten. Enkelen raakten ernstig gewond, één hoofdverdachte heeft de vluchtpoging met de dood moeten bekopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/528350-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 22 februari 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak (mega 13Quartair) tegen

[verdachte],

geboren op een onbekende plaats in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

opgegeven verblijfadres [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

13 augustus 2009, 2 en 10 november 2009 en 1, 2 en 8 februari 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. E.M.M. Gabel en S.M. Hoogerheide en van hetgeen op de zittingen van 13 augustus,

2 en 10 november 2009 door verdachte en door de raadsman van verdachte, mr. E. Manders, naar voren is gebracht en op hetgeen door de raadsman in zijn hoedanigheid van bepaaldelijk gemachtigd raadsman op 1, 2 en 8 februari 2010 is aangevoerd en bepleit.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging op 13 augustus 2009, tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode gelegen van 9 mei 2009 tot en met 13 mei 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- (in een pand gelegen aan [adres 1])

(ongeveer) 56 slikkersbollen cocaïne (met een totale hoeveelheid van -ongeveer- 1,08 kilogram cocaïne), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

- (in een pand gelegen aan [adres 2])

(ongeveer) 576 slikkersbollen cocaïne (met een totale hoeveelheid van -ongeveer- 10,70 kilogram cocaïne) en/of diverse zakjes en/of tasjes en/of koffiefilters met (daarin) diverse hoeveelheden cocaïne (met een totale hoeveelheid van -ongeveer- 2,22 kilogram cocaïne), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

- (in een pand gelegen aan [adres 3])

(ongeveer) 950 slikkersbollen cocaïne (met een totale hoeveelheid van -ongeveer- 43,81 kilogram cocaïne) en/of 59 zakjes cocaïne (met een totale hoeveelheid van -ongeveer- 4,31 kilogram cocaïne) en/of 1 tas met (ongeveer) 1,97 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

- (in een pand gelegen aan de [adres 4])

(ongeveer) 11 (plastic) tasjes met daarin (ongeveer) 2,04 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(Artikel 2 onder C Opiumwet)

2.

hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2009 tot en met 13 mei 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, te Amsterdam en/of elders in Nederland, een voorwerp, te weten:

- (in een pand gelegen aan [adres 1])

een geldbedrag (van ongeveer 4100 euro)

- (in een pand gelegen aan [adres 2])

een geldbedrag (van ongeveer 34200 euro) en/of een geldbedrag (van ongeveer 112 dollar)

- (in een pand gelegen aan de [adres 3])

een geldbedrag (van ongeveer 9040 euro)

- (in een pand gelegen aan de [adres 4])

een geldbedrag (van ongeveer 10000 euro)

heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of hiervan gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl zij en/of (één of meer van) haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(Artikel 420bis, 420quater Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 13 mei 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, in elk geval

- (in een pand gelegen aan [adres 5])

een hoeveelheid versnijdingsmiddel, te weten fenacetine (met een totale hoeveelheid van -ongeveer- 108 gram) en/of

- (in een pand gelegen aan [adres 2])

een hoeveelheid versnijdingsmiddel, te weten fenacetine (met een totale hoeveelheid van - ongeveer- 161 gram) en/of

- (in een pand gelegen aan [adres 3])

een hoeveelheid versnijdingsmiddel, te weten fenacetine (met een totale hoeveelheid van -ongeveer- 46,09 kilogram),

voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

(Artikel 10a Opiumwet)

4.

hij in of omstreeks de periode van 30 maart 2009 tot en met 13 mei 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie -gevormd door (onder meer) verdachte, en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of een of meer (nog) onbekende perso(o)n(en),waaronder een man genaamd [naam 5]- welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde en vijfde lid en/of 10A eerste lid van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 aanhef en onder A en/of B en/of C van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne, in elk geval van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

welke deelneming (onder meer) bestond uit:

- het voorhanden hebben van een of meer panden van waaruit en/of waarin voornoemde misdrijven gepleegd konden worden en/of

- het (mede)ontwikkelen en/of bespreken van plannen om bedoeld misdrijven te plegen en/of

- het leggen en/of onderhouden van (onder meer telefonische) contacten met leverancier(s) en/of afnemer(s) van die cocaïne, in elk geval die middel(en) en/of

- het organiseren van en/of afspraken maken over het regelen van koeriers die die cocaïne, in elk geval die middel(en) naar Nederland moesten brengen en/of vanuit Nederland naar andere landen moesten brengen

- het (mede) organiseren van de (verschillende) leverantie(s) en/of verstrekkingen van die cocaïne, in elk geval die middel(en) en/of

- het bijeenbrengen van de benodigde (financiële) middelen teneinde die misdrijven te plegen, welke middelen (geheel of ten dele) bestond(en) uit de opbrengst van eerdere soortgelijke gepleegde misdrijven en/of

- het regelen van betalingen ten aanzien van de kosten welke ten behoeve van de organisatie en/of de te plegen of de gepleegde misdrijven was/waren gemaakt en/of

- het geven van opdrachten en/of inlichtingen en/of aanwijzingen ten behoeve van de uitvoering van die misdrijven en/of ten behoeve van betalingen en/of het bijeenbrengen van de benodigde middelen, verband houdende met die misdrijven en/of

- het slikken van bollen, in elk geval verpakkingen met daarin geld teneinde deze naar Nederland en/of vanuit Nederland naar andere landen te brengen en/of

- het naar Nederland en/of vanuit Nederland naar andere landen brengen van (grote) geldsbedragen teneinde die misdrijven te kunnen financieren en/of

- het (laten) brengen en/of ophalen en/of wegbrengen, in elk geval vervoeren van die cocaïne, in elk geval die middel(en), naar afnemer(s) -waaronder zijn mededader(s)- en/of- het in ontvangst nemen en/of bewaren en/of afdragen van geldbedrag(en) afkomstig van betaling(en) van die leverantie(s) en/of verstrekking(en) en/of

- het bewaren, in elk geval aanwezig hebben van (verschillende) hoeveelheden cocaïne, in elk geval middel(en) en/of

- het slikken van bollen met cocaïne, in elk geval die middel(en) teneinde deze naar Nederland en/of vanuit Nederland naar andere landen te brengen en/of

- (mede)plegen van, in elk geval meedoen aan die misdrijven en/of

- het aankopen en/of bewaren en/of gebruiken van een of meer versnijdingsmiddel(en) (onder meer fenacetine) voor het bewerken en/of verwerken van die cocaïne, in elk geval die middel(en) en/of

- het verrichten van hand- en spandiensten met betrekking tot voornoemde misdrijven en/of

- het witwassen (als bedoeld in artikel 420 bis Wetboek van Strafrecht) van de financiële opbrengsten van dat/die misdrijv(en);

(art 11a Opiumwet)

De rechtbank leest de in de vierde regel van het vierde telastegelegde feit vermelde naam “[naam 3]” als “[naam 6]”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Overweging

Vordering van het Openbaar Ministerie.

De officieren van justitie hebben bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van alle tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bij pleidooi het volgende aangevoerd.

Nu de rechtbank reeds op 2 november 2009 heeft geoordeeld dat het verhoor van verdachte op 3 juni 2009 onder dusdanige omstandigheden heeft plaatsgevonden dat het daarvan opgemaakte proces-verbaal (C 99) geen bruikbaar bewijsmiddel oplevert terwijl bovendien het criterium als bedoeld in het arrest van het Europees Hof d.d. 27 november 2008 (Salduz versus Turkije, nummer 36391/02) was geschonden, is er geen enkel wettig bewijs tegen verdachte. Derhalve dient verdachte te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

Verdachte verbleef in de woning [adres 3] te Amsterdam Zuidoost. In dit pand is een hoeveelheid verdovende middelen en geld in beslag genomen. Betrokkenheid van verdachte bij deze verdovende middelen is niet aangetoond, er zijn geen vingerafdrukken van hem gevonden, er bevonden zich geen drugs in de kamer waarin hij de nacht had doorgebracht, niet is vastgesteld dat zich sporen van drugs op verdachte’s lichaam of kleding bevonden. Verdachte komt niet voor in de observaties en neemt niet deel aan afgeluisterde telefoongesprekken. Hij is niet de “[naam 7]” die over de gesprekken komt.

Alleen de medeverdachte [naam 3] kent verdachte, hetgeen voor de hand ligt: hij had verdachte voor de nacht van 12 op 13 mei 2009 een slaapplaats geboden op het adres waar de beslagneming heeft plaatsgevonden. De herziene plattegrond van de woning ondersteunt de verklaring van verdachte dat hij uit de woning heeft kunnen vluchten zonder in de ruimte te komen waar de cocaïne zichtbaar aanwezig was.

De raadsman heeft verzocht om teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag à € 9.040,- aan verdachte. Hij heeft gesteld dat het colbert waaruit het geld in beslag is genomen, toebehoort aan verdachte en dat het geld was bestemd voor de autobandenhandel. Dat verdachte niet eerder heeft gemeld dat het geld hem toebehoort is te wijten aan de moeizame communicatie met verdachte nadat deze gewond en getraumatiseerd in het penitentiair ziekenhuis was opgenomen.

De raadsman heeft verzocht het geldbedrag te storten op de derdenrekening van zijn kantoor, ten behoeve van de verdachte die thans na uitzetting in Spanje verblijft.

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

Tegen inwilliging van het verzoek om teruggave hebben de officieren van justitie zich verzet aangezien zij van mening zijn dat het allerminst vaststaat dat het aangetroffen colbert van verdachte is. De bewering dat het inbeslaggenomen geld verdachte zou toebehoren is pas in een heel laat stadium van het onderzoek gedaan, namelijk tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte in februari 2010.

Oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de verdenking.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de stukken en het onderzoek ter zitting is gebleken dat verdachte op 13 mei 2009 aanwezig was in een pand gelegen aan de [adres 3] te Amsterdam Zuidoost. In dit pand woonde een andere verdachte in deze strafzaak, te weten [naam 3].

Op 13 mei 2009 heeft er een inval door de politie plaatsgevonden op dit adres. In de woning werden grote hoeveelheden verdovende middelen aangetroffen die her en der zichtbaar in de woning aanwezig waren.

Verdachte heeft getracht zich bij de inval uit de voeten te maken via het balkon en is daarbij ten val gekomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij alleen de nacht van 12 op 13 mei 2009 in de woning heeft doorgebracht. De bewoner, [naam 3], heeft dit bevestigd.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van de cocaïne in de woning en dat hij niet in de ruimte, waar de cocaïne is aangetroffen, is geweest. Ook bij zijn vlucht uit de woning heeft hij de cocaïne niet gezien, aldus verdachte. De in opdracht van de rechtbank gecorrigeerde plattegrond van de woning laat deze mogelijkheid open.

Dat verdachte de “[naam 7]” is met wie één van de hoofdverdachten telefonisch in contact heeft gestaan met betrekking tot de handel in cocaïne, is niet vast komen staan.

Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte enige beschikkingsmacht heeft gehad over de in het kader van dit strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen verdovende middelen en/of geldbedragen. Zelfs kan niet worden vastgesteld, of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen op het adres [adres 3] te Amsterdam Zuidoost. Verdachte heeft dit zelf altijd ontkend.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 aan verdachte ten laste is gelegd, zodat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Gelet op dit oordeel zal de rechtbank hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de stemherkenning in deze zaak onbesproken laten.

Ten aanzien van het beslag

De rechtbank overweegt het volgende.

De Kennisgeving van inbeslagneming (D4 66) vermeldt dat het colbert van waaruit het geld in beslag is genomen, is aangetroffen in kamer VII, [adres 3] te Amsterdam Zuidoost. Dit is de kamer waarin verdachte heeft overnacht, zo is door de verdediging verklaard, de slaapkamer links voor.

De rechtbank is van oordeel dat niet correct vermeld is in welke kamer het colbert met daarin het geld is aangetroffen en gaat bij dit oordeel uit van de volgende waarnemingen.

In de fotobijlage, behorende bij het proces-verbaal nr. 09-145864/2009-0033, [adres 3], bevinden zich foto’s van de slaapkamer links voor. Op deze foto’s (met name de foto’s 17, 18 en 19) is te zien dat in deze kamer geen kast staat.

Op foto’s 14 en 15 is de andere slaapkamer van de woning zichtbaar. Hierin bevindt zich een kledingkast. Op een foto (D4 39) is het colbert te zien met het daarin aangetroffen geld. Deze foto vertoont een met deze kast overeenkomstige achtergrond. Op foto D4 40 is nogmaals het geld te zien en bovendien een deel van een tafeltje dat naast de kast staat. Het hangertje waarop het colbert gestoken is, is gelijk aan de kledinghangers in de kast. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande van uit, dat het colbertje niet in de slaapkamer links voor, maar in de andere slaapkamer in beslag is genomen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet in de andere kamers op het adres is geweest. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat het colbert aan verdachte toebehoort zodat de rechtbank het verzoek tot teruggave van het in het colbert aangetroffen geldbedrag zal afwijzen.

4. Beslissing

Verklaart de aan verdachte ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst af het verzoek tot teruggave van een geldbedrag à € 9.040,- aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. Bianchi, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en A.J. Wesdorp, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 februari 2010.