Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL4957

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
13.528347-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 9 en 13 mei 2009 hebben in Amsterdam Zuidoost invallen plaatsgevonden in het kader van een onderzoek naar Afrikaanse smokkelaars van verdovende middelen.

Daarbij heeft een aantal personen geprobeerd aan arrestatie te ontkomen door via de balkons van de woningen naar beneden te klauteren of te springen. Hierbij is een aantal mensen ten val gekomen. Eén van hen heeft deze vluchtpoging met de dood moeten bekopen; anderen zijn ernstig gewond geraakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/528347-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 22 februari 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak (mega 13Quartair) tegen

[verdachte],

geboren op een onbekende plaats in [land] op [geboortedatum] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Detentieboten’,

te Zaandam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

13 augustus 2009, 2 en 10 november 2009 en 1, 2 en 8 februari 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. E.M.M. Gabel en S.M. Hoogerheide en van hetgeen op de zittingen van 13 augustus,

2 en 10 november 2009 en 1, 2 en 8 februari 2010 door verdachte en door de raadsman van verdachte, mr. R. Gardeslen, dan wel zijn waarnemer op 2 februari 2010 mr. E.J. van Gils, naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging op 13 augustus 2009, tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 13 mei 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

(ongeveer) 576 slikkersbollen cocaïne (met een totale hoeveelheid van -ongeveer- 10,70 kilogram cocaïne) en/of diverse zakjes en/of tasjes en/of koffiefilters met (daarin) diverse hoeveelheden cocaïne (met een totale hoeveelheid van -ongeveer- 2,22 kilogram cocaïne), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(Artikel 2 onder C Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 13 mei 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, te Amsterdam en/of elders in Nederland, een voorwerp, te weten:

- een geldbedrag (van ongeveer 34200 euro) en/of

- een geldbedrag (van ongeveer 112 dollar)

heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of hiervan gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(Artikel 420bis, 420quater Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 13 mei 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een hoeveelheid versnijdingsmiddel,

te weten fenacetine (met een totale hoeveelheid van 161 gram), in elk geval een hoeveelheid fenacetine, voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

(Artikel 10a Opiumwet)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Overweging

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officieren van justitie hebben bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van alle tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken. Zij hebben daarnaast aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de teruggave van een inbeslaggenomen portemonnee aan verdachte.

Standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van de gehele tenlastelegging.

Hij heeft benadrukt dat verdachte op 13 mei [adres] in de woning [adres] met geen andere reden dan om een DVD speler te repareren. Met verdovende middelen had verdachte niets te maken. Dat de bewoners van deze woning zich met drugshandel bezig zouden houden was verdachte wel eens ter ore gekomen, maar hij was daar niet bij betrokken. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] die met hem mee was gegaan. Sporenonderzoek aan de DVD speler is niet verricht. Er zijn telefoongesprekken afgeluisterd waaraan ene ‘[naam 1]’ deelneemt. Deze gesprekken hebben mogelijk betrekking op de handel in verdovende middelen. Het staat echter geenszins vast dat verdachte deze ‘[naam 1]’ is. In het dossier komt de naam ‘[naam 1]’ een aantal keer voor, maar deze verwijzingen hebben betrekking op anderen die deze naam dragen of gebruiken.

Opzet, ook in voorwaardelijke vorm, op het voorhanden hebben van verdovende middelen en/of geld in de woning [adres], is niet komen vast te staan.

De raadsman heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen portemonnee en jas van verdachte.

Oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de verdenking.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de stukken en het onderzoek ter zitting is gebleken dat verdachte op 13 mei 2009 aanwezig was in een woning op het adres [adres].

Dit pand is enige tijd door de politie geobserveerd geweest in het kader van een onderzoek naar grootschalige handel in verdovende middelen, te weten cocaïne.

Op 13 mei 2009 heeft er een inval door de politie plaatsgevonden op dit adres.

In de woning werden aanzienlijke hoeveelheden cocaïne aangetroffen en een grote hoeveelheid geld.

Verdachte heeft bij de inval getracht zich samen met anderen uit de voeten te maken via het balkon. Hij is twee verdiepingen lager aangetroffen op het balkon van [nummer] en vervolgens aangehouden. Eén van de vluchtenden, door het Openbaar Ministerie aanvankelijk beschouwd als een hoofdverdachte, heeft de vluchtpoging met de dood moeten bekopen. Anderen zijn ernstig gewond geraakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij op de ochtend van 13 mei 2009 op verzoek van iemand die hij kende als [naam 2] naar diens woning is gegaan om geluidsapparatuur en/of een dvd-speler te repareren. Verdachte heeft een vriend, medeverdachte [medeverdachte 1], gevraagd mee te komen.

De aanwezigheid van cocaïne en geld in de woning is hem ontgaan, aldus verdachte.

De rechtbank heeft niet veel meer kunnen vaststellen dan dat verdachte op het moment van de politie-inval samen met anderen aanwezig was op het adres [adres] en dat er in die woning verdovende middelen en aanzienlijke geldbedragen aanwezig waren. Verdachte heeft zijn leven op het spel gezet bij zijn poging aan arrestatie te ontkomen door vanaf grote hoogte naar een lager gelegen balkon te klauteren.

Deze constatering is echter onvoldoende om vast te stellen dat verdachte enige beschikkingsmacht heeft gehad over de in het kader van dit strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen verdovende middelen en/of geldbedragen. Zelfs kan niet met zekerheid worden vastgesteld of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen en/of geld op het adres [adres]. Verdachte heeft zelf altijd ontkend drugs in de woning te hebben gezien.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2 en 3 aan verdachte ten laste is gelegd, zodat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het beslag

Uit de kennisgeving van inbeslagneming (D3 32) blijkt dat op het balkon van de woning [adres 2] (de rechtbank begrijpt: [nummer]) te Amsterdam Zuidoost een portemonnee is aangetroffen, onder een aantal lege kartonnen dozen. Verdachte is op dit balkon aangehouden, nadat hij was gevlucht uit woning met [adres]. De portemonnee is niet onder een persoon in beslag genomen.

De rechtbank is van oordeel dat het zeer aannemelijk is dat de portemonnee aan verdachte toebehoort en zal de teruggave daarvan gelasten aan verdachte.

Hoewel verdachte ter terechtzitting op de foto’s genomen van de woonkamer van [adres] een donkerkleurige leren jas heeft aangewezen als de zijne is de rechtbank niet gebleken dat deze jas in beslag is genomen zodat zij geen teruggave daarvan zal kunnen gelasten.

4. Beslissing

Verklaart de aan verdachte ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van een zwarte portemonnee, met metalen puntjes, merk Diesel, inhoud diverse visitekaartjes en vijf briefjes van elk twintig euro (beslagnummer 3600134).

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. Bianchi, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en A.J. Wesdorp, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 februari 2010.