Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL4435

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
1069068 DX EXPL 09-295
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

effectenlease; zorgplicht; eigen schuld; billijkheidscorrectie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

zaak- en rolnummer: 1069068 DX EXPL 09-295

vonnis van: 17 februari 2010

f.no.: 605

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiser 1],

[eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

nader te noemen: [eiser 1] respectievelijk [eiser 2], en samen [eisers].,

gemachtigde: mr. J.C. Th. Papeveld,

t e g e n

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: Swier & Van der Weijden Gerechtsdeurwaarders.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 juli 2009, met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie van Dexia, met producties;

- het tussenvonnis van 21 oktober 2009 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie van 4 december 2009, met de daarin genoemde stukken.

Daarop is vonnis bepaald op heden.

De rechter die de zaak ter comparitie heeft behandeld, is om organisatorische redenen niet in staat om dit vonnis te wijzen en uit te spreken.

Gronden van de beslissing

In conventie en in reconventie

1. De feiten

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

1.2. [eisers]. hebben, via SpaarSelect, de volgende overeenkomst tot effectenlease (hierna: de lease-overeenkomst) ondertekend waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij Dexia:

Contractnr. Datum Naam overeenkomst Leasesom Looptijd

39784308 15-06-2000 Allround Effect Vooruitbetaling € 54.453,60 240 mnd.

1.3. [eisers]. hebben de eerste 60 maandtermijnen van de lease-overeenkomst, te weten een bedrag van € 10.890,60, vooruitbetaald op 30 juni 2000. Daarna hebben [eisers]. geen maandtermijnen meer betaald. Zij hebben op grond van de lease-overeenkomst geen dividenden of andere voordelen ontvangen.

1.4. Dexia heeft per 21 februari 2006 met betrekking tot de lease-overeenkomst een eindafrekening opgesteld. Aan deze eindafrekening ontleent de kantonrechter, voor zover van belang, de volgende gegevens:

Eindafrekening:

Waarde effecten € 17.473,55

Beëindigingskosten 110,00

Restant hoofdsom (af) 19.085,54

Achterstallige termijnen (af) 1.815,12

Subtotaal (af) 21.010,66

Nog te voldoen € 3.537,11

[eisers]. hebben dit bedrag niet aan Dexia betaald.

1.5. Ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst was de inkomens- en vermogenspositie van [eisers]. als volgt:

Leeftijd Middelbare leeftijd

Gezinssamenstelling 2 volwassenen, 1 thuiswonend kind

Netto maandinkomen € 1.888,-

Netto woonlast per maand € 300,-

Vermogen € 28.088,-

Verplichtingen uit eerdere lease-overeenkomst € 405,33

Rente- en aflossing van andere leningen € 0,-

2. Het geschil in conventie en in reconventie

2.1. [eisers]. vorderen op gronden als vermeld in de processtukken dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Dexia veroordeelt om bij wijze van schadevergoeding aan [eisers]. te betalen een bedrag van € 9.448,-, althans enig ander in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, vanaf de dag van de betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling door Dexia. Voorts vorderen [eisers]. dat de kantonrechter Dexia beveelt om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eisers]. bij het BKR te Tiel, althans de aan die registratie gekoppelde achterstandcodering, ongedaan wordt gemaakt, zulks op straffe van een dwangsom. Ten slotte vorderen [eisers]. dat de kantonrechter Dexia veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

2.2. [eisers]. hebben aan deze vorderingen – voor zover van belang – ten grondslag gelegd dat Dexia de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. [eisers]. menen dat zij, vanwege de onjuiste informatievoorziening door SpaarSelect in combinatie met hun geringe inkomen en lage opleidingsniveau, recht hebben op vergoeding van 90% van de door hen geleden schade.

2.3. Dexia heeft de vorderingen en de grondslag daarvan bestreden op gronden die, voor zover van belang, hierna aan de orde zullen komen. In reconventie vordert Dexia betaling van de restschuld uit de lease-overeenkomst ten bedrage van € 3.537,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de eindafrekening althans vanaf de datum van de eis in reconventie, met veroordeling van [eisers]. in de proceskosten.

3. Beoordeling van de vorderingen in conventie

Aansprakelijkheid voor tussenpersonen

3.1. Een effecteninstelling is op grond van artikel 6:76 BW aansprakelijk voor gedragingen van een tussenpersoon door wiens toedoen een overeenkomst als de onderhavige tot stand is gekomen (zie ook gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2007, LJN: AZ9722). Het verweer van Dexia dat zij niet aansprakelijk is voor gedragingen van de tussenpersoon wordt derhalve verworpen.

Zorgplicht, causaal verband en eigen schuld

3.2. In zijn arrest van 5 juni 2009 (LJN: BH 2815) heeft de Hoge Raad voor soortgelijke geschillen uitgangspunten en een beoordelingskader geformuleerd wat betreft de volgende vragen:

(i) heeft Dexia de op haar rustende bijzondere zorgplicht geschonden?

(ii) zo ja, in hoeverre bestaat er causaal verband (als bedoeld in artikel 6:162 BW) tussen deze onrechtmatige daad van Dexia en de door [eisers]. geleden schade?

(iii) welk deel van deze schade moet op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) voor rekening van [eisers]. blijven?

In een viertal op 1 december 2009 uitgesproken arresten, heeft het Amsterdamse hof deze uitgangspunten en dit beoordelingskader van een nadere invulling voorzien (zie LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983). De kantonrechter neemt de in deze rechtspraak neergelegde overwegingen en beslissingen tot leidraad voor de verdere beoordeling van het voorliggende geschil. Dit betekent voor de onderhavige zaak het volgende.

3.3. Op Dexia rust als professionele dienstverlener jegens haar wederpartij als particuliere belegger met wie zij voornemens is een overeenkomst tot effectenlease aan te gaan een uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortkomende bijzondere zorgplicht. Deze bijzondere zorgplicht strekt ertoe particuliere wederpartijen te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. Deze bijzondere zorgplicht is tweeledig en brengt allereerst mee dat Dexia degene met wie zij een overeenkomst tot effectenlease aangaat tevoren indringend in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen moet waarschuwen voor het bijzondere, aan het risicovolle en complexe effectenlease-product verbonden, gevaar van een restschuld bij (tussentijdse) beëindiging van de overeenkomst (de waarschuwings¬plicht). Gelet op de ratio van de waarschuwingsplicht moet onder ‘restschuld’ worden verstaan het verschil tussen (het restant van) de hoofdsom en de waarde van de geleaste effecten bij verkoop op het moment van beëindiging van de lease-overeenkomst, vermeerderd met hetgeen eventueel overigens is verschuldigd wegens (voortijdige) beëindiging. Tevens brengt de bijzondere zorgplicht mee dat Dexia voorafgaande aan het aangaan van de overeenkomst onderzoek moet doen naar de inkomens- en vermogenspositie van haar wederpartij, ten einde zich er rekenschap van te geven dat deze over voldoende bestedingsruimte beschikt om naar redelijke verwachting aan zijn betalingsverplichtingen uit de overeenkomst te kunnen voldoen (de onderzoeksplicht).

3.4. Op grond van hetgeen hieromtrent uit de gedingstukken en de stellingen van partijen blijkt, stelt de kantonrechter vast dat Dexia ook jegens [eisers]. de waarschuwingsplicht en de onderzoeksplicht heeft geschonden. Nu de waarschuwingsplicht erop is gericht [eisers]. te behoeden voor het lichtvaardig aangaan van de lease-overeenkomst, moet het ervoor worden gehouden dat [eisers]. de lease-overeenkomst niet zouden hebben afgesloten als Dexia wel aan haar waarschuwingsplicht had voldaan. Dexia heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat ervan kan worden uitgegaan dat er causaal verband (in de zin van condicio sine qua non verband als bedoeld in artikel 6:162 BW) bestaat tussen de schending van de waarschuwingsplicht en het aangaan van de lease-overeenkomst. Dit betekent tevens dat niet alleen de restschuld, maar ook de op grond van de lease-overeenkomst betaalde rente en eventuele periodieke aflossingen worden aangemerkt als schade ten gevolge van deze onrechtmatige daad van Dexia. Deze schade kan ook aan Dexia worden toegerekend als schade die het gevolg is van schending van de waarschuwingsplicht (zoals bedoeld in artikel 6:98 BW), nu Dexia geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.5. Op de schade die Dexia aldus – behoudens eigen schuld (zie hierna) – dient te vergoeden dient ingevolge artikel 6:100 BW (verrekening van voordeel) in mindering te worden gebracht mogelijk voordeel dat [eisers]. ingevolge de lease-overeenkomst hebben genoten, zoals aan [eisers]. betaalde of toekomende dividenden. In onderhavig geval zijn echter geen dividenden of andere bedragen aan [eisers]. uitgekeerd.

Dit betekent dat voor zover het de verschuldigde termijnen betreft een bedrag van

€ 10.890,60 in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt en daarnaast tevens schade in de vorm van restschuld resteert.

3.6. Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre de door [eisers]. geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door henzelf veroorzaakt voor hun rekening moet blijven.

3.7. Wat betreft de verschuldigde maandelijkse termijnen (rente en eventuele aflossingen) geldt het volgende. Indien nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat de lease-overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [eisers]. zou hebben gelegd was Dexia gehouden het aangaan van de lease-overeenkomst te ontraden. Dit betekent dat in dat geval ook een deel van de schade bestaande uit verschuldigde maandelijkse termijnen voor vergoeding in aanmerking komt. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter van oordeel dat van deze schade in beginsel 1/3 deel vanwege eigen schuld voor rekening van [eisers]. behoort te blijven. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts de ‘betaalde’ termijnen omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.

3.8. Indien nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht daarentegen niet zou hebben uitgewezen dat de lease-overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [eisers]. zou hebben gelegd, was Dexia niet gehouden het aangaan van de lease-overeenkomst te ontraden. In een dergelijk geval moet de schade wat betreft de verschuldigde maandelijkse termijnen geheel voor rekening van [eisers]. blijven. In die situatie kan die schade immers geheel worden toegeschreven aan de omstandigheid dat [eisers]. de lease-overeenkomst zijn aangegaan terwijl zij wisten of behoorden te weten dat met geleend geld werd belegd (zie Hoge Raad 5 juni 2009, LJN: BH 2815, r.ov. 5.6.3).

3.9. Thans moet worden vastgesteld of de lease-overeenkomst een onaanvaardbare financiële last voor [eisers]. met zich bracht. Op grond van de berekening zoals weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage I is de kantonrechter van oordeel dat nakoming van de onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat de lease-overeenkomst niet een onaanvaardbare financiële last op [eisers]. zou leggen. Deze berekening is gebaseerd op hetgeen het Amsterdamse hof dienaangaande in zijn arresten van 1 december 2009 heeft overwogen. De kantonrechter heeft daarbij, in navolging van het Amsterdamse hof, in aanmerking genomen de zogenoemde “Nibud-basisnorm” (Y) en het door Nibud gehanteerde basisbedrag met betrekking tot de (netto) woonlasten, behorende bij de gezinssamenstelling van [eisers]. ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst (voor de normbedragen die het Nibud met betrekking tot de verschillende gezinssituaties door de jaren heen heeft gepubliceerd, verwijst de kantonrechter naar het op rechtspraak.nl gepubliceerde zaaksdossier “Effectenlease” (URL: http://www.rechtspraak.nl/Gerechten/Rechtbanken/Amsterdam/Actualiteiten/Basis+en+woonlastnormen.htm).

3.10. Ten aanzien van de restschuld stelt de kantonrechter voorop dat uit de lease-overeenkomst zelf voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat [eisers]. over het geleende bedrag rente waren verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Hieruit volgt reeds dat geen sprake kon zijn van een risicoloos product, zoals de tussenpersoon volgens [eisers]. zou hebben gezegd. Voorts wordt overwogen dat het op de weg van [eisers]. had gelegen om, voorzover zij de lease-overeenkomst niet begrepen, zich beter te verdiepen in die overeenkomst en de daaruit voor hen voortvloeiende risico’s, alvorens deze te ondertekenen. Op de gronden zoals door de Hoge Raad en het Amsterdamse hof is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat wat betreft de schade bestaande uit restschuld in beginsel 1/3 deel daarvan vanwege eigen schuld voor rekening van [eisers]. behoort te blijven.

3.11. Gezien de hierna te noemen omstandigheden eist de billijkheid naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval een andere verdeling van de schade wat betreft de verschuldigde maandtermijnen dan hiervoor (onder 3.8 en 3.9) is overwogen. In het onderhavige geval bedraagt volgens de berekening in bijlage I het verschil tussen een aanvaardbare financiële last en een onaanvaardbare financiële last slechts minder dan € 12,-. Daarbij komt dat het vermogen waarmee [eisers]. de eerste 60 maandtermijnen hebben vooruitbetaald afkomstig was van een erfenis. Voorts had [eiser 1], de enige kostwinner, lage inkomsten en zou hij halverwege de looptijd van de overeenkomst met pensioen gaan, waardoor zijn inkomsten naar verwachting nog zouden verminderen. Ten slotte hebben [eisers]. slechts een lagere school opleiding genoten. In het licht van deze bijzondere omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de kantonrechter van oordeel dat [eisers]. de uit maandelijkse termijnen bestaande schade slechts voor 1/3 deel behoeven te dragen.

3.12. Al het voorgaande betekent dat zowel de uit restschuld bestaande schade als ook de uit de maandelijkse termijnen bestaande schade voor 2/3 deel voor rekening van Dexia moet blijven.

Onder verwijzing naar de in de aan dit vonnis gehechte bijlage II weergegeven berekening, brengt het voorgaande mee dat Dexia € 7.260,49 als schadevergoeding aan [eisers]. dient te betalen.

Wettelijke rente

3.13. Dexia is over de door haar te betalen schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat zij dienaangaande in verzuim is. Ingevolge artikel 6:83 aanhef en onder b BW treedt verzuim ter zake van een schadevergoedingsplicht als de onderhavige van rechtswege in als zij niet terstond wordt nagekomen. Het verzuim kan echter pas intreden op het moment dat een opeisbare verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan. In dit geval kon pas worden vastgesteld dat schade was geleden op het moment van beëindiging van de lease-overeenkomst, zodat Dexia op de dag van de eindafrekening in verzuim is geraakt en dus vanaf die datum wettelijke rente is verschuldigd.

Proceskosten

3.14. Dexia wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in conventie.

In reconventie

3.15. Onder verwijzing naar de berekening als weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II, betekent het voorgaande dat [eisers]. in reconventie nog een bedrag van € 1.179,04 aan restschuld aan Dexia zullen moeten betalen. De reconventionele vordering zal derhalve tot dit bedrag worden toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen als gevorderd, vanaf het moment dat [eisers]. in verzuim waren met het voldoen van de eindafrekening, derhalve vanaf 7 maart 2006.

3.16. Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij ook worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie.

In conventie en in reconventie

BKR registratie

3.17. De vordering met betrekking tot de BKR-registratie wordt afgewezen omdat [eisers]. ingevolge dit vonnis nog betalingsverplichtingen jegens Dexia hebben.

3.18. De overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling meer.

4. Beslissing

De kantonrechter:

In conventie

I. veroordeelt Dexia om aan [eisers]. te betalen een bedrag van € 7.260,40, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia in de kosten van het geding aan de zijde van [[eisers]. gevallen, tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht € 208,-

- voor het exploot van dagvaarding € 85,95

- voor salaris van gemachtigde € 625,-

In totaal: € 918,95

III. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af;

In reconventie

V. veroordeelt [eisers]. om aan Dexia te betalen een bedrag van € 1.179,04;

VI. veroordeelt Dexia in de kosten van het geding aan de zijde van Dexia gevallen, tot op heden begroot op € 100,- aan salaris gemachtigde;

VII. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VIII. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Bijlage I

Beoordeling (on)aanvaardbaar zware last

Afnemer [eisers].

Contractnummer 39784308

Rolnummer: DX 09-295

samenstelling huishouden 2vw 1k

Y. nibudbasisnorm 901,66

X. netto maandinkomen 1.888,00

In aanmerking te nemen vermogen 18.088,00

V. vermogen per maand 33,70

netto woonlasten 300,00

norm woonlast Nibud 162,00

W. Woonlasten boven Nibud 138,00

leasesom 54.453,60

looptijd in maanden 240

A. verplichting leaseovereenkomst 226,89

B. verpl. eerdere leaseovereenk 405,33

C. verpl. eerdere overig krediet 0,00

besteedbaar inkomen

X + V - W - A - B - C 1.151,48

bestedingsnorm

Y + (0,1xY) + 0,15x(X-Y) 1.139,78

SLOTSOM aanvaardbare last

Bijlage II

Berekening schade, voordeelstoerekening, verdeling restschuld

Afnemer [eisers].

Contractnummer 39784308

Rolnummer: DX 09-295

reconventionele vordering ingesteld ja

A. Betaalde leasetermijnen 10.890,60

saldo eindafrekening 3.537,11

af: achterstallige termijnen 1.815,12

B. in aanmerking te nemen restschuld 1.721,99

totale schade exclusief voordeelstoerekening 14.427,71

af: batig saldo voorgaande lease-overeenkomsten 0,00

af: uitgekeerde dividenden c.a. 0,00

af: verrekende dividenden c.a. 0,00

C. totale schade minus voordeel 14.427,71

schade m.b.t. betaalde termijnen minus voordeel 10.890,60

eigen schuld afnemer 1/3

D. door Dexia te dragen schade m.b.t. betaalde termijnen 7.260,40

schade m.b.t. achterstallige termijnen minus voordeel 1.815,12

eigen schuld afnemer 1/3

E. door Dexia te dragen schade m.b.t. achterstallige termijnen 1.210,08

schade wat betreft restschuld minus voordeel 1.721,99

eigen schuld afnemer 1/3

F. door Dexia te dragen schade m.b.t. restschuld 1.147,99

door afnemer volgens eindafrekening verschuldigd 3.537,11

af: door Dexia te dragen schade m.b.t. restschuld (F) 1.147,99

af: door Dexia te dragen schade m.b.t. achterstallige termijnen (E) 1.210,08

af: verrekende dividenden c.a. 0,00

af: door afnemer reeds betaald 0,00

G. door afnemer te betalen: 1.179,04