Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BL3168

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
13-470001-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak na art. 12 Sv procedure. Arrestant komt om na worsteling in cel met arrestantenverzorgers. Rechtbank kan, gelet op verschillende theorieën over doodsoorzaak die beide niet met objectieve gegevens te staven zijn, geen causaal verband aanwijzen tussen handelen verdachten en het intreden van de dood bij het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/470001-07

Datum uitspraak: 9 februari 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [woonplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1974,

voor deze zaak domicilie kiezende op het adres Keizersgracht 332, 1016 EZ Amsterdam ten kantore van zijn raadsvrouw mr. L. Mannheims.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2010.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

hij op of omstreeks 12 juni 2003 (op het Hoofdbureau van de politie Amsterdam-Amstelland gevestigd aan de Elandsgracht) te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet:

- die [slachtoffer] (met kracht) naar/tegen de grond geduwd/gebracht en/of;

- die [slachtoffer] op zijn buik geduwd en/of gedraaid en/of vervolgens gedurende enige tijd

- (terwijl die [slachtoffer] op zijn buik lag) het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) op/tegen/in een matras waarop die [slachtoffer] lag gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of;

- die [slachtoffer] in/bij zijn nek/hals vastgegrepen/vastgehouden en/of

- de armen van die [slachtoffer] op zijn rug gedraaid en/of op zijn rug gehouden en/of

- de benen van die [slachtoffer] geboeid en/of getracht te boeien en/of

- (met kracht )zijn, verdachtes en/of zijn mededader(s) handen en/of knieën op de rug en/of schouders en/of armen van die [slachtoffer] geduwd/gedrukt en/of

- (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] (ernstig) heeft/hebben belemmerd/belet, tengevolge waarvan die [slachtoffer] op 16 juni 2003 is overleden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 12 juni 2003 (op het Hoofdbureau van de politie Amsterdam-Amstelland gevestigd aan de Elandsgracht) te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten hartfalen en/of hersenschade, tengevolge van adembelemmering en/of zuurstoftekort) heeft/hebben toegebracht, door opzettelijk:

- die [slachtoffer] (met kracht) naar/tegen de grond te duwen/brengen en/of;

- die [slachtoffer] op zijn buik te duwen en/of te draaien en/of vervolgens gedurende enige tijd

- (terwijl die [slachtoffer] op zijn buik lag) het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) op/tegen/in een matras waarop die [slachtoffer] lag te drukken en/of gedrukt gehouden en/of;

- die [slachtoffer] in/bij zijn nek/hals vast te grijpen/vast te houden en/of

- de armen van die [slachtoffer] op zijn rug te draaien en/of (strak) op zijn rug te houden en/of

- de benen van die [slachtoffer] te boeien en/of trachten te boeien en/of

- (met kracht) zijn, verdachtes en/of zijn mededader(s) handen en/of knieën op de rug en/of schouders en/of armen van die [slachtoffer] te duwen/drukken en/of

- (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] (ernstig) heeft/hebben belemmerd/belet terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] op 16 juni 2003 tengevolge heeft gehad;

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 12 juni 2003 (op het Hoofdbureau van de politie Amsterdam-Amstelland gevestigd aan de Elandsgracht) te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon te weten [slachtoffer]:

- (met kracht) naar/tegen de grond heeft/hebben geduwd/gebracht en/of;

- die [slachtoffer] op zijn buik heeft/hebben geduwd en/of gedraaid en/of vervolgens gedurende enige tijd

- (terwijl die [slachtoffer] op zijn buik lag) het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) op/tegen/in een matras waarop die [slachtoffer] lag heeft/hebben gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of;

- die [slachtoffer] in/bij zijn nek/hals heeft/hebben vastgegrepen/vastgehouden en/of

- de armen van die [slachtoffer] op zijn rug heeft/hebben gedraaid en/of op zijn rug heeft/hebben gehouden en/of

- de benen van die [slachtoffer] heeft/hebben geboeid en/of getracht te boeien en/of

- (met kracht) zijn, verdachtes en/of zijn mededader(s) handen en/of knieën op de rug en/of schouders en/of armen van die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd/gedrukt en/of;

- (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] (ernstig) heeft/hebben belemmerd/belet;

waardoor [slachtoffer] pijn en/of letsel heeft ondervonden tengevolge waarvan deze op 16 juni 2003 is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel hartfalen en/of hersenschade, tengevolge van adembelemmering en/of zuurstoftekort) heeft bekomen;

Meest subsidiair:

hij op of omstreeks 12 juni 2003 (op het Hoofdbureau van de politie Amsterdam-Amstelland gevestigd aan de Elandsgracht) te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend [slachtoffer]:

- (met kracht) naar/tegen de grond geduwd/gebracht en/of;

- die [slachtoffer] op zijn buik geduwd en/of gedraaid en/of vervolgens gedurende enige tijd en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op zijn buik lag) het hoofd van die [slachtoffer] (met kracht) op/tegen/in een matras waarop die [slachtoffer] lag gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of;

- die [slachtoffer] in/bij zijn nek/hals vastgegrepen/vastgehouden en/of

- de armen van die [slachtoffer] op zijn rug gedraaid en/of op zijn rug gehouden en/of

- de benen van die [slachtoffer] geboeid en/of getracht te boeien en/of

- (met kracht) zijn, verdachtes en/of zijn mededader(s) handen en/of knieën op de rug en/of schouders en/of armen van die [slachtoffer] geduwd/gedrukt en/of

- (aldus) de ademhaling van die [slachtoffer] (ernstig) heeft/hebben belemmerd/belet

waardoor het aan zijn/hun schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zodanig letsel, te weten: hartfalen en/of hersenschade (tengevolge van adembelemmering en/of zuurstoftekort) heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden op 16 juni 2003;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn om de vervolging te schorsen.

3. Waardering van het bewijs

Inleiding

Op 12 juni 2003 heeft er een ernstig en uiterst betreurenswaardig incident plaatsgevonden tussen zes politieambtenaren, waaronder verdachte, en [slachtoffer] die op dat moment vast zat op het hoofdbureau van politie te Amsterdam. [slachtoffer] is op 16 juni 2003 aan de gevolgen van dit incident komen te overlijden.

Na een onderzoek door de rijksrecherche werd aanvankelijk besloten de zes politieambtenaren voor dit incident niet te vervolgen. Op 28 februari 2005 werd echter door de nabestaanden van [slachtoffer] een klacht ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ingediend. Op 3 november 2006 heeft vervolgens een eerste zitting bij het gerechtshof plaatsgevonden waarna bij beschikking van 12 december 2006 een gerechtelijk vooronderzoek werd bevolen. Vanaf dat moment zijn de betrokken politieambtenaren ook als verdachten aangemerkt. In het kader van dat gerechtelijk vooronderzoek zijn verdachten alsmede getuigen door de rechter-commissaris gehoord. Ook vond er een reconstructie plaats en werd naar aanleiding daarvan een aanvullende deskundigenrapportage over de doodsoorzaak van [slachtoffer] opgesteld. Op 26 mei 2008 vond vervolgens een tweede zitting bij het gerechtshof plaats. Bij tussenbeschikking van 20 juni 2008 heeft het gerechtshof de deskundige J.H. Zwaveling benoemd met het verzoek een rapport op te stellen over zijn bevindingen omtrent de doodsoorzaak van [slachtoffer]. De verdediging heeft daarop besloten een eigen deskundige in de persoon van C. Das in te schakelen en ook hij heeft gerapporteerd. Beide rapportages zijn op 16 oktober 2008 op de derde zitting van het gerechtshof besproken. Ondanks het verzoek van de advocaat-generaal, zoals ook eerder al gedaan bij de tweede zitting, te bewilligen in een kennisgeving van niet verdere vervolging, heeft het gerechtshof bij beschikking van 10 november 2008 de vervolging van verdachten bevolen wegens verdenking van doodslag subsidiair dood door schuld.

Het verdient naar het oordeel van de rechtbank aanbeveling om bij dergelijk ernstige incidenten, waarbij mogelijk als gevolg van geweldsgebruik door overheidsdienaren een burger is komen te overlijden, niet lichtvaardig te besluiten niet tot vervolging van de betrokken overheidsdienaren over te gaan. Hierbij speelt ook de reeds door het gerechtshof gememoreerde publieke verantwoordingsplicht een rol. Mede in het licht van artikel 2 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens rechtvaardigt zulks een onafhankelijk, zorgvuldig en nauwgezet strafrechtelijk onderzoek. Met de opsomming van bovengenoemde gang van zaken kan worden vastgesteld dat een dergelijk onderzoek in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden.

Desalniettemin hecht de rechtbank er belang aan op te merken dat het, achteraf bezien, te betreuren valt dat deze zaak eerst na ruim zesenhalf jaar tot klaarheid kon komen. Gedurende die lange periode hebben zowel de nabestaanden van [slachtoffer] als de verdachten in onzekerheid verkeerd, hetgeen door alle betrokkenen als buitengewoon bezwarend is ervaren.

Waar het nu in dit geding om gaat is om te beoordelen of er aan de zijde van verdachten strafrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, als gevolg waarvan de dood van [slachtoffer] is ingetreden. Om die vraag te beantwoorden zullen eerst de feiten en omstandigheden worden besproken.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank zal zich voor wat betreft de bespreking van de feiten en omstandigheden goeddeels beperken tot die feiten en omstandigheden die betrekking hebben op het fatale incident in de politiecel op 12 juni 2003. Het dossier houdt dienaangaande het volgende in.

Op 11 juni 2003 is [slachtoffer] aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Omdat [slachtoffer] zowel voor als na zijn aanhouding een onrustige en verwarde indruk maakte, is na overleg met een arts besloten hem nog diezelfde dag in een observatiecel op het hoofdbureau van politie te Amsterdam te plaatsen. Het gedrag van [slachtoffer] heeft vanaf dat moment een wisselend beeld te zien gegeven, nu eens was hij rustig en redelijk aanspreekbaar dan weer onrustig en verward. [slachtoffer] is op 11 en 12 juni 2003 diverse keren door de medische diensten van de GG en GD bezocht die, afgezien van bovenbeschreven beeld van zijn gedrag, geen reden tot onrust over de gezondheid van [slachtoffer] hadden.

Tijdens het verblijf op het hoofdbureau hebben een viertal incidenten plaatsgevonden waarvan het laatste met de fatale afloop hier thans ter beoordeling voorligt. Op 12 juni 2003 omstreeks 14.00 uur is de mededeling gekomen dat [slachtoffer] moest worden overgebracht naar een verhoorruimte omdat de recherche hem wilde verhoren. Verdachten [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich daarop naar de cel van [slachtoffer] begeven. Indachtig de eerdere incidenten van die dagen hadden verdachten weliswaar hun bedenkingen, maar [slachtoffer] maakte op dat moment een rustige indruk en was goed aanspreekbaar zodat zij besloten toch uitvoering te geven aan de opdracht tot vervoer naar de verhoorruimte. Wel werd besloten [slachtoffer] voor vervoer te boeien. Vanaf dat moment is het volledig uit de hand gelopen. [slachtoffer] ging zich plotseling hevig verzetten. Er is een worsteling ontstaan en men had grote moeite om [slachtoffer] onder controle te krijgen. Uit de verklaringen van de verdachten komt naar voren dat [slachtoffer] door hen naar de grond is gebracht, waarbij hij op zijn buik op een matras kwam te liggen, terwijl de verdachten met name zijn hevig spartelende armen en benen onder controle probeerden te krijgen en moeite deden om te verhinderen dat [slachtoffer] zich oprichtte. Het verzet was zo hevig dat ook de verdachten [medeverdachte 4], en later ook [medeverdachte 5], hierbij te hulp moesten schieten. Die laatsten wilden samen de enkels van [slachtoffer] boeien waartoe zijn rechterbeen naar zijn rug toe werd getrokken.

Vrijwel direct daarna werd geconstateerd dat [slachtoffer] zijn verzet ineens staakte. Zijn lichaam verslapte en tevens constateerden verdachten dat zijn huidskleur veranderde in een witte of gelige kleur. Om 14.16 uur werd met spoed door verdachten om assistentie van een ambulance gevraagd en zijn, naar later bleek vergeefse, pogingen gestart om [slachtoffer] te reanimeren. Op 16 juni 2003 is [slachtoffer] in het ziekenhuis overleden.

Tijdens de worsteling is naar zeggen van verdachten weliswaar forse druk uitgeoefend op [slachtoffer], maar nooit zodanig dat hem dit zou hebben belemmerd in zijn ademhaling. Zowel verdachten als getuigen hebben verklaard dat er tijdens de worsteling voortdurend aandacht was voor het feit dat het gezicht van [slachtoffer] in zodanig positie lag dat hij vrij kon ademhalen. De uitgeoefende druk op [slachtoffer] heeft ook nooit direct van bovenaf op de romp plaatsgevonden maar vooral van opzij op de flanken, en was vooral gericht op het onder controle brengen van zijn armen en benen.

Hoewel de exacte duur van de worsteling moeilijk is vast te stellen gaat de rechtbank er van uit dat die inderdaad, zoals verdachten hebben verklaard, gelet ook op de beschikbare tijd, naar alle waarschijnlijkheid hooguit één minuut heeft geduurd. Na verslapping van [slachtoffer] was aldus verdachten geen sprake meer van uitoefenen van serieuze druk op het lichaam.

Causaal verband

De vraag waarvoor de rechtbank zich in de eerste plaats gesteld ziet is of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs aan het handelen van verdachten kan worden toegerekend. Met andere woorden: heeft het door de verdachten naar de grond duwen en op de grond gedrukt houden van [slachtoffer] geleid tot zijn dood?

Voor beantwoording van deze vraag zijn twee medische theorieën voorhanden. De ene is gebaseerd op de rapportage van Prof. Dr. J.H. Zwaveling (september 2008) de andere op de rapportages van Dr. mr. C. Das (oktober 2008 en december 2009). Er is in het verloop van de procedure ook door andere deskundigen gerapporteerd, maar alleen Zwaveling en Das hadden de beschikking over het volledige dossier en hebben ook de reconstructies bij hun oordeel kunnen betrekken. Nu zij bovendien de eerdere rapportages ook bij hun oordeel hebben meegewogen, zal de rechtbank hun theorieën als uitgangspunt nemen. Beide deskundigen hebben hun rapportages ter terechtzitting uitvoerig toegelicht.

Zowel Zwaveling als Das komen tot de conclusie dat een hartritmestoornis en daarna een hartstilstand heeft geleid tot de dood van [slachtoffer]. Over de oorzaak van het ontstaan van de hartritmestoornis lopen de meningen van de deskundigen echter uiteen.

In hoofdlijnen zijn uit de deskundigenrapportages twee scenario’s te destilleren, te weten een hartritmestoornis door positonele asphyxie (dooddrukken) enerzijds en een acute hartritmestoornis waarschijnlijk door een exited delerium syndrome (een opwindingsdelier) anderzijds.

Zwaveling acht zuurstofgebrek, dat het gevolg was van een zodanige fixatie van de borstkas van [slachtoffer] tijdens de worsteling dat het voor hem onmogelijk was om nog adem te halen, een positionele asphyxie, de meest waarschijnlijke oorzaak voor de acute hartritmestoornis.

Ook Das is van mening dat een acute hartritmestoornis als oorzaak het meest in aanmerking komt. Die hartritmestoornis zou volgens hem echter veroorzaakt kunnen zijn door een opwindingsdelier. Een dergelijk delier kan komen door drugsgebruik in combinatie met een opwindingstoestand.

Beide deskundigen beschouwen hun keuze als meest waarschijnlijk/aannemelijk en hebben argumenten aangevoerd waarom zij de keuze van de ander niet volgen.

Beiden laten echter ook ruimte voor twijfel, nu zij aan de hand van de gegevens niet definitief kunnen vaststellen wat de doodsoorzaak is.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende objectief bewijsmateriaal in het dossier voorhanden is om tot een keuze te komen voor één van beide theorieën.

Aan het volgen van de theorie van Zwaveling, de enige waarbij actief handelen van verdachten een relevante rol speelt, kleeft als nadeel dat deze in veel mindere mate dan die van Das aansluiting vindt bij de verklaringen van verdachten. Immers, Zwaveling gaat uit van een directe druk op de thorax en onderrug van [slachtoffer] door verdachten, hetgeen door hen nadrukkelijk wordt ontkend.

De rechtbank heeft bij gebreke aan overige aanwijzingen voor een aanmerkelijk verdergaande geweldsuitoefening op [slachtoffer] geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van verdachten.

Desgevraagd gaf Zwaveling ter zitting aan dat als de feitelijke toedracht van verdachten – niet wezenlijk drukken of duwen op de rug – voor vaststaand moet worden aangenomen, zijn theorie minder aannemelijk wordt.

Das motiveert waarom de doodsoorzaak van het dooddrukken minder voor de hand ligt. Hij heeft hiertoe – vrij vertaald - naar voren gebracht dat er geen signalen zijn dat [slachtoffer] ernstig beperkt was in zijn ademhaling, aangezien hij zich heftig verzette en bleef verzetten. Voorts brengt hij naar voren dat de vechtpartij van korte duur was en dat het niet blauw maar wit of gelig kleuren evenmin past bij de verschijnselen van dooddrukken. Daarbij komt dat volgens Das uit de literatuur volgt dat bij dooddrukken van een persoon sprake moet zijn van het uitoefenen van een aanzienlijk gewicht op de borstkas voor vele minuten lang.

Zwaveling heeft overigens ter zitting erkend dat de mogelijke doodsoorzaak tevens zou kunnen liggen in het exited delerium syndrome.

Anderzijds bevat de theorie van Das evenzeer veronderstellingen die niet zijn komen vast te staan, zoals hij overigens ook erkent. Zo is bij het excited delirium syndrome in de meeste gevallen sprake van voorafgaand drugsgebruik, hetgeen in het geval van [slachtoffer] niet onomstotelijk is komen vast te staan.

Een en ander leidt tot de volgende slotsom. Een spontane acute hartritmestoornis, wellicht veroorzaakt door een exited delirium syndrome, kan als doodsoorzaak niet met een voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten en een positionele asphyxie kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. De rechtbank kan derhalve niet met voldoende mate van zekerheid een causaal verband vaststellen tussen het door de verdachten uitgeoefende geweld en het intreden van de dood van [slachtoffer].

Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank aan een verdere beoordeling van de eventuele strafbaarheid van de gedragingen van verdachten niet meer toekomt.

De rechtbank acht het telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Verklaart het telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D. van den Brink, voorzitter,

mrs. S.E. Sijsma en F.P. Geelhoed, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2010.